Broeden ze nog op plannen?

V.l.n.r. Frank Starik, Koos Dalstra, Arthur Lava, Pieter Boskma, Joost Zwagerman en René Huigen. Amsterdam, 1988 © Harry Meijer / ANP

In mijn ruim gevulde boekenafdeling ‘niet weggooien’ bevindt zich een merkwaardig tijdschrift: De angst. Nr 2, november ’83, staat boven de inhoudsopgave. Curieuze noppenfoliekaft, A4-formaat, rommelige lay-out, vol bijdragen van destijds aanstormende talenten als Edzard Dideric, René Huigen, Martin Bril, Dirk van Weelden, Koos Dalstra, Rob Schouten en Rob Scholte. Of het talenten waren wisten ze toen nog niet, dat moesten ze nog ondervinden. Bijna veertig jaar geleden dus. Met tekeningen erin, plus een ingeplakte foto van Rob Scholte, Lovelace. Allerlei typografieën lukraak door elkaar. Alles moest anders. Lelijkheid en primitiviteit. Kortom, hier borrelde een grote ambitie.

Het blad opende met een breed aangezet essay van René Huigen en Edzard Dideric over de teloorgang van de Nederlandse poëzie. ‘Twee jongens van een schoolkrant’ gaan op onderzoek uit en ze stellen vast dat poëzie vastgelopen is in een systeem van ‘verhullingen’ die weinig meer met ‘kievitseieren van doen hebben’. Hans Faverey is een belangrijke kop van Jut, maar ook Kouwenaar, Ouwens, Kusters, Van Toorn, Ten Berge en Lucebert moeten het ontgelden. ‘Is het niet steeds dezelfde molen die voorbijkomt’, vragen ze zich af. Geen somber stuk is het, aardige grappen erin, met banale terzijdes over het eten van rondo’s en de opkomst van toerisme. In dit blad staan dus stemmen van de latere groep der Maximalen voor het eerst bij elkaar, hier heetten ze nog niet zo, dat kwam allemaal nog.

René Huigen kijkt er in zijn roman De man die alles zag met enige vertwijfeling en verbittering op terug. Wat gebeurde er, waarom zocht men elkaar op, wat waren de uitgangspunten, voor zover die er waren, waarom verdween het allemaal zo snel? Hij herinnert zich een aantal hoofdrolspelers (onder anderen Koos Dalstra), zijn eigen vriendschap en latere breuk met Joost Zwagerman, de succesvolste Maximaal van hen allemaal. Diens vertwijfelde latere afkeer van zijn eerdere vrienden, diens onbetrouwbare gedrag, de jaloezie op zijn succes, het komt voorbij in bittere flashbacks. Hij zoekt Rob Scholte op in diens museum in Den Helder.

Bij Huigen klinkt weerzin door en verbittering over de Maximalen

Grappen kan Huigen er nog (steeds) niet over maken, terwijl daar genoeg aanleiding toe is als je de titels van alle destijds opgerichte en weer snel verdwenen tijdschriften op een rij zet, die allemaal de nieuwe tijdgeest of het nieuwe poëtisch verlangen probeerden te formuleren. De angst, Ergo, Tzara, Adem, Noord, Spreek, Code, De held, De naam. Ze kwamen en gingen, je ziet de redactievergaderingen voor je, de onderlinge strijdpunten, de baas-spelerij, het ongeduld, de dronkenschap, de enthousiaste jeugdigheid. Stof voor minstens drie romans, waarvan er een beslist de meer satirische kanten van deze op zich niet geringe dichterlijke ambities in kaart zou moeten brengen. Iets voor mij? Is satire niet de moeder van alle tragiek? De Maximalen! Weet iemand ’t nog? Willen we het wel weten? Dood zijn ze, of vergeten.

Huigen noemt ergens de dooien, maar niet de vergetenen. Zijn ze nog ergens? Broeden ze nog op plannen? Ze bevolkten destijds de tijdschriften, zochten elkaar op in de kleine zaaltjes, droegen voor, deden performances, dronken te veel, raakten aan de drugs en stierven van ambitie. Zwagerman publiceerde er in 1989 een uitstekende roman over: Gimmick! Toen het allemaal alweer zo’n beetje op z’n eind liep. Waar zijn ze gebleven? Waar zijn jullie? Ik wil jullie terug onder andere namen. Met dezelfde ‘behoefte om een nieuwe gemeenschapszin in een failliete totaal geïndividualiseerde samenleving te articuleren’, zoals Huigen ergens schrijft.

Hij schreef er met zijn roman geen geschiedenis over, het lukt hem niet met terugwerkende kracht er tegenin of naast te schrijven. Weerzin klinkt door in zijn vertellende stem, verbittering over het geringe succes dat hij ook nu nog toeschrijft aan de oordelen die over deze groep in de media circuleerden. ‘Dat was de kern van het probleem van onze generatie, die wel wilde, maar die het kunnen in de ogen van hen die ons zo nodig moesten wegen onmogelijk was gemaakt.’ Geen schitterende zin, maar de verbittering klinkt er juist daardoor met volle kracht in door. Het liefst zou hij willen schelden en schreeuwen, maar hij weet dat dat niet helpt. Hij is nog niet in staat er meer metafysisch naar terug te kijken, van meer afstand, terwijl hij in ander werk bewees dit uitstekend te kunnen. Zijn driedelige geheel tegen de tijdgeest in geschreven epische dichtwerk Steven! uit 2019 is daar een fraai bewijs van.

Huigen wisselt zijn bittere gevoelens over zijn literaire verleden in de roman overigens op geestige en gedetailleerde wijze af met taferelen uit zijn dagelijks bestaan als schrijver in een Amsterdamse buurt. De lawaaioverlast, de inbraken, problemen met een typemachine, de paranoïde buren, de manipulaties van huurverenigingen. Hij grijpt de gelegenheid aan moeilijkheden met de spoelbak van zijn wc (die steeds blijft druppelen) op hyperrealistische wijze uit te werken. Ik weet nu hoe een spoelbak uit de late negentiende eeuw werkte. Deze scène staat symbool voor het thema van de roman. Omgaan met het verleden. Huigen is nog niet in staat het van zich af te zetten, het door te spoelen, weg te werken. Het verleden blijft hem achtervolgen omdat de spoelbak is ontregeld. De schrijver is er nog niet klaar mee. En ik ook niet.