Broederdagboek

Ted van Lieshout, Gebr. Uitgeverij Van Goor, 118 blz., 322,90
Binnen de jeugdliteratuur runt Ted van Lieshout een soort artistiek eenmansbedrijf. Niet alleen schrijft hij én proza én poëzie, hij illustreert ook zijn eigen werk, met zeer uiteenlopende technieken. Heeft hij in zijn verhalen en tekeningen de neiging tot het komische en groteske, in zijn poëzie overheerst de zwaarte van het bestaan. Op elk van de gebieden vallen zijn eigenzinnigheid, gevoel voor drama en een zekere behoefte tot choqueren op. Vooral in de gedichten is sprake van terugkerende thema’s: de worsteling met homo-erotische gevoelens, de dood van de vader en van het broertje.

‘Aan de randjes ging hij langzaam dood.
Ik zag het door de lakens heen en wilde vragen
of hij pijn had, maar ik durfde niet.’
De toon van ernst en authenticiteit is bij Van Lieshout voor het eerst nu ook bepalend voor een jongerenroman. In Gebr. rouwt de zestienjarige Luuk om de dood van zijn jongere broer, terwijl hij tegelijkertijd stukje bij beetje het zorgvuldig bewaarde geheim van zijn homoseksualiteit prijsgeeft. Op de dag dat Marius vijftien zou zijn geworden, verbrandt moeder alle bezittingen van haar overleden zoon achter in de tuin, in een soort definitief afscheidsvuur. Luuk redt het dagboek van zijn broer. Aanvankelijk uit piëteit en als een daad van verzet tegen zijn dominante moeder. Door verder te schrijven op de eerste lege bladzijde eigent hij zich het dagboek toe.
Op het moment echter dat hij de ongeschreven regels van dagboekprivacy overtreedt en erin gaat lezen, wordt hij keihard geconfronteerd met zichzelf. Langzaam dringt het tot hem door hoe Marius leed onder de groeiende afstand tot zijn broer en onder zijn mysterieuze door geen arts serieus genomen tremor. Schokkender nog is het onbevangen verslag van de eerste vrijpartij met een vriendje. De kleine broer bracht in praktijk, wat voor Luuk nog verward zit in een kluwen van onzekerheden en taboes: 'Dat jij dat op durft te schrijven. Dat zou ik niet durven. Ik zou ook niet weten met welke woorden ik zoiets op moest schrijven.’
Van Lieshouts vormvondst om de oorspronkelijke dagboekaantekeningen met dit soort commentaar te doorsnijden, is ingenieus. Postuum vindt er alsnog een gesprek tussen de broers plaats, waarin Luuk zich steeds kwetsbaarder opstelt. Bewust is hij bezig met schuldgevoelens, angst om te vergeten en de vraag of je nog wel iemands broer kunt zijn als die iemand niet meer bestaat. Zo wordt het minder zwaar om als de helft van de gebroeders verder te gaan. De traditionele afkorting in de boektitel is dan ook voorzien van een dikke punt.
Het becommentarieerde dagboek vormt het kloppende hart van het verhaal. Luuks daaromheen gegroepeerde eigen ontboezemingen zijn minder sterk. Ten eerste omdat de tegenstem van de dialoog ontbreekt. Ten tweede omdat niet alleen de raadselachtige en uiteindelijk dodelijke ziekte aan de orde moet worden gesteld, maar ook Luuks homoseksualiteit. Deze thema’s lijken te strijden om de voorrang en raken niet echt met elkaar verweven.