Asger Jorn als denker en schrijver

Broederschap voor alles

Asger Jorn, de expressionistische schilder met de lyrische toets, geldt als een van de belangrijkste naoorlogse Europese kunstenaars. Minder bekend is dat de stuwende kracht achter CoBrA een gedreven polemist en essayist was.

EEN FANTASTISCHE tekstgoulash. Zelfgebrouwen, esoterische filosofieën zonder enige academische systematiek. Een inconsistente maar inspirerende ‘jungle’ van ideeën: over de betekenis van de omvangrijke verzameling kritieken, essays, polemieken en publicaties die de Deense kunstenaar Asger Jorn bij leven liet verschijnen, werd in kunsthistorische vakkringen tot voor kort stevig getwist.
Ook de auteur, die naar eigen zeggen 'duizenden dagen en nachten’ aan de schrijftafel doorbracht om zijn schilderijen en 'Weltanschauung’ van een theoretisch fundament te voorzien, zag zichzelf niet als een consistent denker. Wel als een kunstenaar die de behoefte had om in een labyrint van woorden de wereld de maat te nemen en te wijzen op de potentie van kunst voor de samenleving. En dat het liefst in een zeer associatieve, grillige stijl, vol elkaar tegensprekende ideeën, sweeping statements, herhalingen en uitweidingen. 'Als ik schrijf’, antwoordde Jorn eens op de vraag waarom zijn teksten toch zo chaotisch waren, 'klim ik het hele gebouw door en soms weet ik niet of ik me nog in het gebouw bevind of ergens buiten, op de steigers.’
Het is een fraaie, beeldende beschrijving van de staat van verwarring waarin essayisten zich kunnen bevinden bij het op papier zetten van hun prangende observaties.

IN 1936 klimt Asger Jorn, tweede zoon uit een familie van streng protestantse leraren in Jutland en een tot dan vrijwel onbekende landschapsschilder, op zijn BSA-motorfiets. De rit gaat naar Parijs, waar de jonge schilder meer erkenning voor zijn werk hoopt te krijgen. Het vormt het begin van een nomadisch bestaan dat Jorn naar Lapland, Stockholm, Tunesië, Brussel, Noord-Italië, München, Normandië, New York, Londen en Cuba zal voeren.
In de hoofdstad van de moderne kunst volgt Jorn lessen op de academie van Fernand Léger ('Voordat je ook maar een streek op het doek zet, dien je het hele concept van de voorstelling al kristalhelder in je hoofd te hebben’) en werkt hij samen met architect Le Corbusier bij de uitvoering van diens bijdrage voor de Wereldtentoonstelling van 1937. Corbusiers Pavillion des Temps Nouveaux, een drie verdiepingen tellende tent gedragen door een stalen geraamte, blijkt voor de Deense schilder een eyeopener. Het paviljoen wil de grondslagen van de functionalistische architectuur en stedenplanning uitdragen en vraagt aandacht voor het Front Populaire, de coalitie van radicale socialisten, communisten en de Franse Arbeiders Internationale. Jorn, dan 23 jaar oud, lid van de Deense Communistische Partij en al volledig gevormd in de leer van het dialectisch materialisme, ziet hoe de bouwkunst, schilderkunst en politieke idealen verbonden worden. Van Le Corbusier toont hij zich dan nog een geestdriftig aanhanger: de baanbrekende Zwitserse architect is voor hem 'de man die heeft laten zien dat de betekenis van de vorm in de functie ligt’.
De zoektocht naar een opwindende synthese van architectuur, kunst en stedenplanning zal een van de rode draden in Jorns geschriften worden en resulteert in de jaren vijftig in de oprichting van de Mouvement Internationale pour un Bauhaus Imaginiste en de Internationale situationniste, groeperingen waarin Jorn een leidende rol vervult. Met medekunstenaars als Enrico Baj, de als chemicus opgeleide Pinot Gallizio, oud-CoBrA-medelid Constant en Guy Debord zet Jorn zich aan de taak om de opvatting van kunst als handelswaar, als een belangeloos welbehagen oproepend object, te ondergraven. Er staat zoveel meer op het spel, laat Jorn weten. Wat te denken van een wereld waarin architecten, schilders en wetenschappers een stedelijke omgeving ontwerpen die uitdrukking is van menselijke creativiteit in plaats van geestloos tekentafelrationalisme? Nee tegen de wanstaltige betonnen blokkendozen, ja tegen het unitair urbanisme, dat de stad opvat als organische, kleurrijke, zichzelf steeds vernieuwende flexibele vorm! En werd het dan ook niet eens tijd ons te bevrijden van de classicistische erfenis van het idealisme, waarin lichaam en geest wreed worden gescheiden?

SAMENSTELSTER en architectuurhistorica Ruth Baumeister heeft de moeite genomen om Jorns over talloze Deense, Italiaanse en Franse brochures, pamfletten, krantjes en obscure tijdschriften verspreide teksten bijeen te brengen en in het Engels te laten vertalen. Fraternité Avant Tout: Asger Jorns Writings on Art and Architecture, mooi verzorgd uitgegeven door het Rotterdamse 010, biedt daarmee toegang tot een complexe denkwereld die de grondslagen probeert te vinden voor een allesomvattende theorie van de kunst en de plek van de kunst en architectuur in de maatschappij. Dat klinkt dor, maar is het niet want Jorns teksten zijn met hart en ziel geschreven.
De schilder van meesterwerken als Stalingrad, No Man’s Land or the Mad Laughter of Courage (1956-1972), Lettre à mon fils (1957) en Im Flügelschlag der Schwäne (1963) maakte zich bijna 25 jaar lang hard voor de waardering van kunst als een volstrekt natuurlijke, vitalistische activiteit. Het maken en ervaren van kunst had volgens Jorn weinig te maken met een esthetische sensatie maar alles met eros ('men moet zich in het leven onderdompelen’), thanatos, yin-yang en een diepgevoelde behoefte van de mens om zich verbonden te weten met het Al. In zijn geschriften zijn chaos, toeval, spontaniteit, experiment en levensdrift de jubelende steekwoorden, logica en klassieke ratio de gebeten hond. Zo omschrijft Jorn het naoorlogse functionalisme als een levensvijandige bouwstijl, 'de architectuur van de industrialisatie’; de latere ontwerpen van Le Corbusier zouden slechts de cultivering zijn van kostenbesparend gezond verstand, van verfoeide bureaucratische stadsplanning waarin voor het welbevinden van de menselijke ziel weinig plaats was.
Hoogdravende lyriek was een van de vele stijlvormen waarvan Jorn zich bediende, toch had hij gevoel voor zelfrelativering. 'Alles wat ik op papier heb gesmeten is niet meer dan een uitgebreide verdediging van een universum waarin de woorden het recht wordt ontzegd binnen te treden’, voegde hij een verbouwereerde journalist op het einde van zijn leven toe.
Als schrijver is Jorn de erudiete schilder gebleven die zijn drang om de wereld eigenhandig te vertimmeren met groepjes gelijkgezinden wilde delen. Intensieve samenwerking tussen kunstenaars, wetenschappers en architecten was voor Jorn de absolute voorwaarde voor een bloeiende (volks)cultuur. 'Een huis is een gedicht, een stad een ornament, een kostbaar juweel’, schreef hij in een van zijn vele kritieken op de 'Reformatorische’ zuiveringsdrang van de functionalisten om alle versiering aan gebouwen uit te bannen en organisch golvende lijnen taboe te verklaren. 'Wat we nodig hebben is een dynamische opvatting van de vorm, waarbij we onder ogen zien dat alle menselijke vormen in een continue staat van verandering zijn.’ Wie het leven kunst wilde laten worden en kunst leven moest de terreur van rechte lijn en negentig-graden-hoek een halt toeroepen, werd Jorn niet moe te herhalen. Een opvatting die hem in heftig conflict bracht met oud-Bauhäusler Max Bill, die in het Zwitserse Ulm de scepter zwaaide over de Hochschule für Gestaltung, de officieuze schatbewaarder van het Bauhaus.
Conflicten tekenden ook Jorns gespannen verhouding met Guy Debord, de radicale hogepriester van het situationisme, een destijds nog tamelijk obscure protestgroep, voortgekomen uit het samengaan van Jorns Mouvement pour un Bauhaus Imaginiste en de Internationale lettriste van Isidore Isou. Als marxist kon Jorn Debords veroordeling van de 'categorie kunst’ als burgerlijk-romantisch concept, een esthetische verdoving van de zinnen, wel waarderen, maar niet diens conclusie dat de schilderkunst een overbodige activiteit was geworden. Geloofde Jorn dat de gevoeligheid van de schilder voor vorm, kleur, ruimte en ritme de architect tot voorbeeld kon dienen bij het ontwerpen van gebouwen in overeenstemming met de 'levenspuls’ van het menselijk organisme, Debord verwierp de hele idee van kunst. Die zou niet meer zijn dan een op maat gemaakte beeldenindustrie waarop de ongelukkige bewoners van de spektakelmaatschappij hun gefrustreerde verlangens projecteerden. Beter was het om 'poëtische situaties’ te construeren die de kapitalistische onderdrukkingsmechanismen - iedere burger een aan arbeid, consumptie en entertainment verslaafde sukkel - aan het licht brachten. Constants beroemde maquette New Babylon, voorstel voor een nieuwe manier van leven en wonen in een keten van speels uitwaaierende architectonische cellen, was er een voorbeeld van. Inmiddels behoren ook door de situationisten gemunte begrippen als de dérive, détournement en de psychogéografie, technieken waarmee men de stad opnieuw wilde vormgeven en de 'ware aard’ van de massamedia dacht te onthullen, tot het vaste vocabulaire van de hedendaagse kunst.

ANDERS was dat in 1961, het jaar waarin Jorn zich losmaakte van de situationisten, die nog gretig gebruik zouden maken van zijn geschriften. Om zijn ambitieuze plannen voor een typologie van de Noordse volkskunst te verwezenlijken richtte hij het Scandinavisch Instituut voor Vergelijkend Vandalisme op - de komische titel refereerde aan de stam der Vandalen, die berucht was om de verwoestingen die ze aanrichtte in de strijd tegen de Romeinen. Jorn mikt op uitgave van een 32-delige serie, gewijd aan de Scandinavische kunst van de prehistorie tot aan de vroege Middeleeuwen; vier geschriften zagen het licht, 15.000 opnamen van Viking-beeldmotieven zijn bewaard gebleven.
'In den beginne was het beeld’, verkondigde Jorn vaak, pratend over de Scandinavische kunst. Het was de leidraad voor een oeuvre dat niet symbolisch of literair georiënteerd wilde zijn. Kunstwerken waren voor Jorn tastbare, met de zintuigen te ervaren substantie. Kijken naar een schilderij, vond Jorn, prikkelt niet alleen de fantasie maar brengt je tot leven, geeft je een dieper bewustzijn van jezelf en de wereld waar je in verkeert. Kunst is er niet voor de schoonheid of om een morele vinger te wijzen, maar is een directe vorm van lebensbejahende energie. Een mens - de hele mens, de gezonde mens - kan simpelweg niet zonder. Kunst, beweerde Jorn zonder aarzelen, verbetert de kwaliteit van leven, net als innoverende wetenschap.

Fraternité Avant Tout: Asger Jorns Writings on Art and Architecture, edited by Ruth Baumeister, translated by Paul Larkin, 010 Publishers, 300 blz. Deze maand verschijnt ook de handelseditie van Baumeisters proefschrift L'Architecture Sauvage: Asger Jorn’s Critique and Concept of Architecture