China en Noord-Korea nemen afscheid van elkaar

Broedertwist in het Oosten

China is hard op weg de tweede wereldmacht te worden. Bondgenoot Noord-Korea zit de Chinese aspiraties evenwel hinderlijk in de weg.

Het koninkrijk van krijgsheren Koguryo, in het noordoosten van Azië, omvatte een groot deel van het Koreaanse schiereiland en een deel van Mantsjoerije. In 668 ging Koguryo ten onder. Dertienhonderd jaar later vlogen de Chinezen en Zuid-Koreanen elkaar vanwege Koguryo in de haren. Die bizarre diplomatiek-historische rel, die net enigszins is gesust maar zeker niet opgelost, is maar een klein onderdeel van een ingewikkeld internationaal spel rond Noord-Korea. Een spel tekenend voor de opkomst van een nieuwe wereldmacht: de Chinese Volksrepubliek.

Na de grote zeereiziger admiraal Zheng He (1371-1435), die misschien zelfs Amerika heeft ontdekt en de basis legde van wat een Chinees wereldrijk had kunnen worden, is China notoir afwezig geweest van het wereldtoneel. Dat was een anomalie: China is altijd het volkrijkste land van de wereld geweest. De 1,3 miljard Chinezen van nu vertegenwoordigen 22 procent van de mensheid. Maar de meeste keizers wilden China liever op slot houden. Toen de Britten de Eerste Opiumoorlog ontketenden hadden de mandarijnen in Pe king geen verweer. China dreigde de buit te worden van het westerse en Japanse kolonialisme.

De laatste keizerdynastie kwam bijna honderd jaar geleden ten val. Daarna viel China ten prooi aan krijgsherengeweld, burgeroorlog en Japanse bezetting. Mao Zedong gaf de Chinezen dan wel hun nationale trots en China zijn plaats in de wereld terug, maar trok rond het land een bamboegordijn op. Daarachter voerde hij de ene ideologische oorlog na de andere. Pas onder Deng Xiaoping begon het moderne China gestalte te krijgen: een wilde markteconomie die floreert naast, soms binnen een sys teem van economisch dirigisme en van strenge politieke en afnemende sociale controle.

Dat semi-postcommunistische systeem van vlees én vis heet officieel «markteconomie met Chinese karakteristieken». Het heeft China en honderden miljoenen Chinezen in recordtijd grondig veranderd, en dat is alleen nog maar een begin. De tijd van isolement is radicaal voorbij. De uitdagingen en problemen zijn enorm, maar het aloude China is, of we het leuk vinden of niet, hard op weg het land van de toekomst te worden. Niet voor niets werd Deng vorige week op zijn honderdste geboortedag met schallende fanfare herdacht.

Voor de snelle opkomst van China en de wereldwijde gevolgen ervan heeft het Westen veel te weinig oog. Nog altijd wordt de wereldagenda immers bepaald door Amerika en de grote conflicten waarin de Amerikanen als mondiale politiemannen gemengd zijn. Daarom komen gebeurtenissen die niet op die agenda staan er in de meeste westerse media bekaaid af. De onverbiddelijke verschuiving van het wereldevenwicht richting Verre Oos ten komt bij ons slecht in beeld. China’s olympische stormloop is niemand ontgaan, maar die is slechts een propagandistisch onderdeel van China’s opmars op vrijwel alle fronten.

Economisch breidt China zijn macht steeds verder uit. Het verzwelgt zijn eigen en andermans grondstoffen en im- en exporteert als een bezetene. Oost-Azië, Zuidoost-Azië en Australië raken economisch steeds meer verstrengeld met het Rijk van het Midden. Dat gaat ten koste van de Verenigde Staten, die bondgenoten als Japan, Zuid-Korea en Australië economisch steeds intiemer zien worden met hun rivaal. China heeft de VS al verdrongen als de belangrijkste handelspartner van Zuid-Korea en nog dit jaar zal hetzelfde gebeuren met Japan. Weldra zullen ook de landen van Zuidoost-Azië meer handel drijven met China dan met de VS. Peking heeft de regio een economische unie voorgesteld, die na tuurlijk door de Chinezen zal worden gedomineerd. In dit blok zal voor Amerika geen plaats zijn.

De economische mastodont heeft ook politieke ambities. Als regionale leider is China bezig Japan te overvleugelen. Daarna wil het een wereldmacht worden en minstens op voet van gelijkheid komen met de VS. Dat vereist een pragmatische buitenlandse politiek. Ideologie is passé. Teken des tijds: de maoïstische guerrilla van Nepal hoeft op geen enkele steun te rekenen van het postmaoïstische China. De buitenlandse politiek is gericht op bevordering en handhaving van de stabiliteit in de regio, want in een omgeving van spanning en chaos kan China niet gedijen. Economisch niet, en politiek evenmin, want spanningshaarden wekken al snel de onwelkome aandacht van ’s werelds supermacht.

Het pragmatisme bepaalt dat Peking directe aanvaringen met Washington zoveel mogelijk uit de weg gaat. De elfde september kwam China daarom bijzonder gelegen. Plotseling had Washington geen tijd meer om zich op te maken voor een confrontatie met het Gele Gevaar. China werd Bush’ bondgenoot in diens strijd tegen het terrorisme, en smoorde daarmee in één klap de kritiek op de onderdrukking van het moslimseparatisme in de eigen westelijke provincie Xinjiang.

Maar daarmee is de rivaliteit met de VS niet voorbij. De grote kwesties – Taiwan, Tibet, het enorme Chinese handelsoverschot, mensenrechten – zijn geen van alle opgelost. Voor de zekerheid heeft China met Rusland en vier Centraal-Aziatische staten zijn eigen antiterroristische alliantie gevormd, de Shanghai Samenwerkingsorganisatie. Dat de Amerikanen hard bezig zijn weg te zakken in het Iraakse en Afghaanse moeras is voor Peking goed nieuws. En intussen weten de Chinese leiders de VS aan zich te binden door een hoofdrol te spelen in de pogingen de slepende nucleaire crisis in Noord-Korea te regelen.

In het versteende communistische taalgebruik zijn China en Noord-Korea even close als tanden en lippen. In 1950, aan het begin van de Koreaanse oorlog, stuurde Mao een miljoen Chinese soldaten naar Noord-Korea. Die communistische solidariteit was niet gespeend van eigenbelang: Mao wilde kost wat kost een overwinning van Zuid-Korea vermijden, omdat anders het Amerikaanse leger tot de Chinese grenzen zou oprukken. Sindsdien fungeert Noord-Korea voor China als bufferstaat.

Maar Noord-Korea is voor China een hinderlijke bondgenoot geworden. Al een paar jaar houdt Peking de Geliefde Leider Kim Jong Il voor dat hij naar Chinees voorbeeld de economie moet opengooien wil hij politieke instabiliteit en nog meer hongersnood vermijden. Er gebeurt wel iets: instelling van vrije levensmiddelenmarkten, realistischer prijzen, inrichting van een kapitalistische enclave voor Zuid-Koreaanse investeerders na het mislukte avontuur met de Chinese Nederlander Yang Bin. Maar van een gedecideerde economische liberalisering is geen sprake.

Een van de gevolgen van de economische nood en de politieke onderdrukking is de stroom van Noord-Koreaanse vluchtelingen naar China. Er zijn er nu naar schatting driehonderdduizend, de meeste in Mantsjoerije, waar een Koreaanse minderheid woont. Pe king erkent hun vluchtelingenstatus niet. Volgens een Chinees-Noord-Koreaans verdrag moeten vluchtelingen worden gerepatrieerd. Regelmatig zijn er, soms met Noord-Koreaanse politiehulp, razzia’s om vluchtelingen op te pakken en uit te leveren aan hun vaderland, waar vaak opsluiting en foltering wachten.

Veel Noord-Koreaanse vluchtelingen weten echter via ambassades, consulaten of clandestiene hulporganisaties hun weg naar het beloofde land te vinden: Zuid-Korea. Vorige maand kwam daar via China en Vietnam een groep aan van 468 Noord-Koreanen, een record. Noord-Korea was razend: de Zuid-Koreaanse autoriteiten die de overtocht hadden georganiseerd, werden ontmaskerd als «boosaardige terroristen». Vietnam besloot de illegalen terug te sturen naar China, en China werd er opnieuw pijnlijk aan herinnerd dat de kwestie-Noord-Korea moet worden geregeld voordat de Noord-Koreaanse vluchtelingenstroom niet meer in te dammen is.

De lippen en tanden zijn uit elkaar gegroeid. China vindt dat zijn protégé fossiliseringsverschijnselen vertoont. Het moet niets hebben van Noord-Korea’s nucleaire avonturen, die een uitnodiging zijn voor Amerikaans ingrijpen. Maar het heeft begrip voor de overwegingen van de Geliefde Leider, die uit angst voor een Amerikaanse aanval nucleaire wapens achter de hand wil houden. Overigens twijfelt Peking of Noord-Korea al over die wapens beschikt. In elk geval wil China alles doen om het gebruik van Noord-Koreaanse atoomwapens te voorkomen. Een kernoorlog aan hun grens is wel het laatste wat de Chinese leiders willen.

Waar is Noord-Korea op uit? In het ergste geval: deviezen verdienen met de verkoop van raketten en atoombommen aan terroristische organisaties. In het beste geval: de overleving van het regime verzekeren dankzij het afschrikwekkende effect dat uitgaat van het bezit van kernbommen. Tot nu toe is de Geliefde Leider daarin aardig geslaagd, dankzij zijn beproefde onderhandelingstactieken: schelden en tieren, de inzet steeds verhogen, riskante confrontaties aangaan, toezeggingen doen en weer intrekken, dreigen met raketten en atoombommen, en aan alle concessies een gepeperd prijskaartje hangen. Saddam Hoessein had veel van hem kunnen leren.

Vanwege Irak en Afghanistan hebben de VS voor Noord-Korea geen tijd. Bovendien bleken alle pogingen om bilaterale onderhandelingen tussen Washington en Pyongyang te beginnen, doodgeboren. China heeft Washington sterk aan zich verplicht door zich aan het hoofd te stellen van een multilateraal on derhandelingsproces. Daarbij zijn zes landen betrokken: de beide Korea’s, de VS, China, Japan en Rusland. Er zijn nu in Peking drie onderhandelingsrondes gehouden. Ze waren alle drie vruchteloos. Eind deze week zou de vierde ronde moeten plaatsvinden, maar de kans dat die doorgaat is gering sinds Noord-Korea Bush een «imbeciel» noemde en «een tiran die Hitler in de schaduw stelt». Ongetwijfeld zal de impasse voortduren tot na de Amerikaanse presidentsverkiezingen, wanneer de Geliefde Leider weet of hij te maken krijgt met Kerry of met Bush II.

Peking is vooralsnog tegen de oplossing van de haviken in Washington: regime change in Pyongyang. En het vindt dat Kim Jong Il niet eerst met de billen bloot moet, zoals de Amerikanen willen, voordat hij beloond wordt voor de ontmanteling van zijn nucleaire installaties. De Chinezen zijn nog altijd bang voor de risico’s die de absorptie van Noord-Korea door het Zuiden met zich mee zou brengen. Maar hun overtuiging dat een instorting van Noord-Korea onaanvaardbaar is en een Koreaanse hereniging uit den boze, begint zwakker te worden. Dat komt voor een belangrijk deel door China’s steeds hechtere banden met Zuid-Korea. Het nieuwe China is immers niet bang meer voor besmetting door het kapitalisme, integendeel, het denkt er alleen maar zijn voordeel mee te kunnen doen. Een bufferstaat is voor China dus niet meer zo nodig.

Teken aan de wand: in het Chinese tijdschrift Strategie en management krijgt Noord-Korea er van langs voor zijn ondankbaarheid voor de Chinese hulp. In de Chinese pers verschijnt zelden iets wat niet de goedkeuring heeft van de autoriteiten. Voor straf schortte Noord-Korea het bezoek van Chinese toeristen op. Een ander teken is de ruzie tussen China en Zuid-Korea over het oude koninkrijk Koguryo. Volgens een Chinese studie was Koguryo een Chinese vazalstaat. In april verdween Koguryo van de internetsite van het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken over de Koreaanse geschiedenis. In Zuid-Korea is dat opgevat als een indirecte manier om de Chinese aanspraken op Noord-Korea te verwoorden. Voor het geval het met Kim Jong Il slecht afloopt.