Broedplaats

Paul Demets publiceerde De bloedplek, twaalf jaar na zijn debuut De papegaaienziekte. De nieuwe bundel lijkt minder klassiek van toon dan de in de tussentijd bij Druksel verschenen reeks Vrees voor het bloemstuk (2002). Korte zinnen, over de versregels verspreid, geven een dwingende ritmiek aan de eerste reeks uit de nieuwe bundel. Opvallend is dat alle tien gedichten in de hij-vorm zijn geschreven en de serie een gedicht op zich lijkt te vormen. Dat versterkt niet alleen de gedichten, ook het mysterie van die hij-figuur. ‘Altijd weer zit weg van ons te kijken de man die wij/ niet zijn.’ Kleine voorvallen, indrukken en observaties stutten de gedichten. ‘De kassa die dichtslaat. Een das wordt half gestrikt.’ En toch is er spanning, dreiging, niet alles is even gewis. ‘Helder zien we niet.’ De hij-figuur lijkt iets te vertegenwoordigen, ons op de hielen te zitten, onder onze huid te willen kruipen. Even lijkt het slot op uitleg uit te draaien. Een ‘perimeter’ verwijst naar de omtrek, zoekt de uiterste grens op. Je kunt het hier als titel van de eerste serie ook lezen als pad rondom het waarneembare.

Die spanning valt een beetje weg in de tweede serie, als een ik aan het woord is en de gedichten op zichzelf staan. De ik-figuur koopt een pak met zijn eega, staat op een loopbaan te fitnessen of zit bij de kapper en laat zich scheren. Fitness is een van de titels van de gedichten, telkens duikt er een in het Nederlands ingeburgerd Engels woord op in de gedichten. De titel van deze serie is dan ook ‘Lounge’ . Toch is de dagelijkse gang van de ik-figuur niet helemaal vlekkeloos, ondanks de strakheid van de gedichten. Er is spraken van ‘zilverige blikken’. Dat is dubbelzinnig, want het zijn objecten die worden verplaatst, terwijl ook de blik opnieuw een rol speelt, als in hetzelfde gedicht het wit in een oogbal wegdraait. In Bodymass spreekt de dichter van ‘Wak van de obductie’, oftewel autopsie, dat ook in de geometrie gebruikt wordt. Er is daarvoor zowel sprake van ‘Tuimelhuid’ als van een plein dat opspant. Al staat er minder spanning op de regels, Demets lijkt opnieuw onder de huid te willen kruipen van het dagelijks bestaan. Er is opnieuw een opvallende en voor gedichten nogal zakelijke feitelijkheid: ‘Zitcomfort, werkvlak, de hoogte van het stopcontact.’ Juist die praktische alledaagsheid krijgt een griezelige kant: ‘Geen mens die hier/ zo snel de uitgang vindt.’ Zijn beschrijvingen neigen af en toe naar definities, hij lijkt ermee een _om_schrijving te geven van wat die ik-figuur nu eigenlijk behelst: ‘Het is hier zodanig opgebouwd dat je met één blik/ het geheel eenvoudig overschouwt. En dat je toch in alle rust// een klant kunt zijn.’

Paul Demets is criticus van De Morgen. Als een van de weinige poëziecritici weet hij weer te geven wat er zoal in een bundel gebeurt zonder er iets anders voor te schuiven: zijn stukken zijn eerder informatief dan polemisch, hij is evenmin een uitgesproken voorstander van een bepaalde school of stroming. Hij is werkzaam als assistent aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent. Een van de gedichten uit ‘Lounge’, het gedicht over het kappersbezoek, is door Anna Heuninck, student aan die academie, bewerkt tot een video: ‘leg mij als een ander dan/ de handdoek af.’

‘Broedplaats’ is de titel van de derde serie, een lyrischer variant van de vorige. Anders dan een broedplaats in de betekenis van de gedecimeerde en geïnstitutionaliseerde of weggewerkte zones van de voormalige kraakbeweging, is de ‘Broedplaats’ van Demets opnieuw het lichaam, of de mens: ‘Om te beginnen ben je’. Nadrukkelijker dan in eerdere series is er een jij-figuur aanwezig. De klankovereenkomst van ‘Broedplaats’ en ‘Bloedplek’ kan niet toevallig zijn. Essentieel lijken de volgende regels: ‘Ik kan niet dan eromheen blijven draaien;/ wie we zijn, bloeit uit. Er is een rest van ons die is afgesneden (…)’

In de slotserie komen we uit op ‘wij’. Wij ‘bijten ons een bloedlip bij dat onophoudelijk/ stromen.’ De serie is het beste werk uit de bundel, hij heeft net als het begin een goed ritme en er is veel meer sprake van lyriek. Opnieuw roept de titel van de reeks dubbelzinnigheid op. Is er hier met ‘Horst’ sprake van het stuk land dat na een aardbeving omhoog komt, van een beboste ‘opduiking’ in een moerassig terrein, of is het een nest van een roofvogel? ‘Schaduw komt over ons blikveld scheren./ De molen knarst de schoot tot moederdier.’ De horst lijkt al even mysterieus als het ongedefinieerde ‘het’ dat telkens in ieder gedicht een andere vorm aanneemt. ‘water wordt het/ dat te lang in een glas heeft gestaan.’ Wat is het dan? ‘Het spreekt’ citeert Demets Lacan in een motto, het is dat iets dat ons spreken laat. Het maakt van De bloedplek een sterke compositie, een welluidend geheel.

Paul Demets, De bloedplek. De Bezige Bij, 64 blz., € 16,50