De École Normale Supérieure

Broedplaats van de Franse intelligentsia

Van Sartre tot Lévy, talloze Franse intellectuelen studeerden aan de École Normale Supérieure. De school kent een lange traditie van ideologisch denken. Van een ‘intellectuele Goelag’ is geen sprake meer. Radicaal gedacht wordt er nog wel.

PARIJS – ‘Het denken is gedwongen ondergronds te gaan, verbannen naar de schuilkelder – waar het heimelijk toch al was.’ Alain Badiou laat zijn ogen priemend over de afgeladen zaal dwalen. Hier en daar wordt met instemming geknikt. Geen misverstand over de vraag wie de onderdrukker is: dat is het kapitalisme, ‘die vampier van het denken’. Zomaar een avond in de tot collegezaal getransformeerde bioscoop in de Rue d’Ulm. De filosoof geeft er zijn maandelijkse seminar over Plato. Onbeweeglijk zit hij achter de tafel op het podium. Zijn afgewogen dictie, zijn armgebaren en zijn witte kleding geven hem iets van een profeet.
Sinds de dood van Jacques Derrida geldt Badiou als de meest becommentarieerde levende Franse filosoof ter wereld. Publiceren deed hij over filosofie en wiskunde (zijn oorspronkelijke vakgebied), maar ook schreef hij romans, theaterstukken en talloze politieke essays. Na een onverwacht succes met De quoi Sarkozy est-il le nom? – een virulente aanval op de Franse president Sarkozy – bereikte L’Hypothèse communiste dit najaar de status van bestseller.
Zijn medestudenten van weleer werden brave bourgeois of zochten hun heil juist in hoger sferen, maar Badiou is het maoïsme uit zijn jeugd zelf altijd trouw gebleven. Graag laat hij zich vergelijken met Robespierre en Saint-Just, al benadrukt hij dat hij, anders dan deze revolutionairen, geen hoofden heeft laten afhakken. Na een carrière aan de universiteit Paris 8 – dat andere bastion van Frans radicaal denken – keerde hij als hoogleraar terug naar de eliteschool waar hij ooit zelf studeerde.
En daar hangen zijn toehoorders aan zijn lippen. Naast de gebruikelijke studenten en oudere discipelen zijn er natuurlijk ook de Parijse dames van middelbare leeftijd, voor wie het volgen van een filosofiecollege aan de École Normale Supérieure een respectabel tijdverdrijf is. Zij krijgen waar voor hun geld. Met reuzenstappen springt Badiou heen en weer tussen heden en verleden en lokaliseert en passant de twee stelregels van de moderne tijd: ‘leven zonder ideeën’ en ‘hopen dat er niets gebeurt’.
Na afloop klinkt applaus; studenten pakken behoedzaam hun opnameapparaatjes van het podium.

DENKERS ALS BADIOU, Derrida of Jean-Paul Sartre liggen zo stevig verankerd in het Franse intellectuele landschap dat je bijna zou vergeten dat ze ooit ergens hebben gestudeerd. Alle drie deden ze dat aan de École Normale Supérieure in de Rue d’Ulm – ook wel École Normale genoemd, Normale Sup’, of simpelweg Ulm – net als trouwens bijna alle andere grote Franse denkers van de afgelopen eeuw: Raymond Aron, Michel Foucault, Pierre Bourdieu…
Er zijn uitzonderingen, maar toch kun je wel zeggen dat zo’n beetje alle spraakmakende denkers van dit moment de school bezochten: de meer academische filosofen als Pierre Manent, Etienne Balibar en Jacques Rancière, maar ook opiniemakers als Bernard-Henri Lévy, Nicolas Baverez en Jacques Julliard studeerden er. Te stellen dat de École Normale een sleutelrol speelt in het Franse intellectuele leven is dus beslist niet overdreven.
Hoewel de school ook een bèta-afdeling kent (goed voor negen Nobelprijzen en evenzoveel Fields-medailles) ontleent de school in Frankrijk zijn reputatie aan de filosofie-afdeling en de normaliens die daar studeren. Hun arrogantie is legendarisch. ‘Normalien kun je niet worden’, wist Georges Pompidou, oud-president van Frankrijk en destijds zelf student aan de École Normale. ‘Je wordt geboren als normalien, zoals je als edelman geboren wordt. Het toelatingsexamen is de ridderslag.’ Dat toelatingsexamen geldt als een van de zwaarste van het land.
Een beetje vreemd is het wel, die arrogantie. Zeker voor wie beseft dat de school in wezen niet meer is dan een lerarenopleiding. De École Normale werd tijdens de Franse Revolutie opgericht en kreeg als missie ‘geschoolde burgers uit alle delen van de Republiek aan te trekken’ en die, ‘onder toeziend oog van de grootste specialisten’, het leraarsvak bij te brengen. De emancipatie van het individu verloopt via de Rede, wisten de revolutionairen. Een elite van leraren, doorkneed in de Verlichtingsfilosofie, was nodig om het individu die Rede bij te brengen.
Officieel is dat nog steeds haar missie, maar denken dat de École Normale slechts hooggekwalificeerde leraren opleidt, zou een misvatting zijn. In haar ruim tweehonderdjarige geschiedenis bracht ze staatslieden en essayisten voort, schrijvers en topambtenaren. Nog altijd is ongeveer de helft van de professoren die aan het prestigieuze Collège de France doceren oud-normalien. Ook geldt de school als een mooie opstap naar de topambtenarenschool ENA en van daaruit naar de politiek. Twee oud-premiers, Laurent Fabius en Alain Juppé, volgden deze weg.
Na het toelatingsexamen opent zich voor studenten de poort naar het intellectuele walhalla, of, zoals de filosoof Bernard-Henri Lévy het ooit omschreef, naar het klooster van Thélème. Het is een metafoor die zo weinig mensen iets zegt dat eigenlijk alleen een oud-normalien als Lévy zich ervan weet te bedienen. Maar treffend is hij wel. Het klooster van Thélème speelt een rol in de Gargantua (1534) van Rabelais. Het is een sprookjesachtig kasteel waarin een groep streng geselecteerde jonge mensen, ‘van beide geslachten, allen mooi, rijk en welgemanierd’, zich onderwerpen aan de enige regel die er geldt: doen waar je zin in hebt. Het kloosterleven staat in het teken van morele verheffing en het bevredigen van de intellectuele nieuwsgierigheid. Hiertoe zijn er op alle muren fresco’s aangebracht die de geschiedenis van de aarde en mensheid uitbeelden, en ook is er een bibliotheek, ontworpen door Gargantua zelf, met daarin werken van grote schrijvers en denkers in alle talen. Als de jongens van Thélème de privé-vertrekken van de meisjes bezoeken, gaan zij eerst langs de kapper en de masseur.
Dat de studenten van de École Normale dat ook doen is hoogst onwaarschijnlijk, maar wat de rest betreft komt de school aardig in de buurt van de door Rabelais bedachte utopie. De binnenplaats oogt als een lusthof, in de gangen staan de marmeren bustes van Pascal en Diderot en de bibliotheek geldt als een van de best gesorteerde van Parijs. Materiële zorgen kennen de studenten niet: ze ontvangen een maandelijks salaris van de Franse staat, ze worden gehuisvest en gevoed.
Het abstractieniveau en de retorische vaardigheden die de studenten tijdens hun opleiding ontwikkelen zijn indrukwekkend. Zo kun je Bernard-Henri Lévy een pretentieus en ijdel mannetje vinden, een hoogdravend betoog houden kan hij wél. Neem de volgende scène. Een paar jaar na zijn afstuderen heeft Lévy als jonge uitgever de Parijse intellectuele wereld opgeschud met zijn nouveaux philosophes. Twee Engelse journalisten willen het fijne weten van deze ‘Mick Jagger de la brainy bunch’ en begeven zich naar het appartement van de jonge filosoof in de sjieke Parijse wijk Passy.
Hier treffen zij Lévy, nonchalant gekleed in een overhemd en een lamswollen trui te midden van witleren designmeubelen. Tegenover de twee volkomen beduusde Britten weet Lévy in anderhalve minuut tijd een verband te leggen tussen het denken van Tocqueville, de oorlog in Vietnam en de aanslagen in Algerije om in één moeite door af te rekenen met het marxisme, ‘zonder de waarheid van Marx verder in twijfel te trekken, want daar gaat het hier nu verder niet om’. Het is de normalien in zijn meest karikaturale verschijningsvorm: zelfverzekerd, arrogant, niet wachtend tot zijn toehoorders begrijpend knikken, met één hand voor zich uit een vlammend betoog afratelend. Zijn blik op een denkbeeldig punt in de verte.
Er is nóg een overeenkomst met het klooster van Thélème. De muren van de École Normale zijn zo dik dat de werkelijkheid er niet altijd even goed in doordringt. Ongehinderd kunnen de normaliens zich zo overgeven aan een lange Franse traditie: de wereld in gedachten herscheppen, dat wil zeggen: die niet zien zoals zij is, maar zoals die zou moeten zijn. Aan voorbeelden ontbreekt het niet: de achttiende-eeuwse philosophes met hun ‘literaire politiek’, de jacobijnen met hun verlangen naar Sparta en Athene, de negentiende-eeuwse fourieristen met hun utopische woongemeenschappen, de anarchisten met hun politieloze staat, de bonte verzameling twintigste-eeuwse marxisten…
De confrontatie met de harde werkelijkheid valt soms dan ook zwaar, gesteld uiteraard dat die überhaupt wordt aangegaan. Dat gold voor de generatie van Aron die in de ban was van het neokantianisme en eveneens voor de generatie van Derrida die werd betoverd door het stalinisme dat de school in de jaren vijftig in zijn greep had. Van een minder bekend, maar net zo exemplarisch staaltje ideologische starheid getuigden de normaliens die de school bevolkten op het moment van de meirevolte van 1968. Je zou verwachten dat zij hun opstandige broeders en zusters op de Sorbonne zouden steunen.
Niets was minder waar. Wat te denken van Jean-Claude Milner? Op de eerste avond van de studentenopstand begaf de latere linguïst en essayist zich naar de bibliotheek van de Sorbonne. Niet om de bezetting te steunen, maar om er de historicus Jules Michelet te lezen. Ook toen de protesten feller werden, veranderde er weinig in Milners wereldvreemde houding. Samen met zijn mede-normalien, de latere psychoanalyticus en filosoof Jacques-Alain Miller, wijdde hij gewoontegetrouw zijn avonden aan de redactie van het tijdschrift Cahiers marxistes-léninistes – ditmaal gewijd aan ‘logische formalisatie’.
‘Milner en ik hadden de hele avond doorgewerkt’, aldus Miller. ‘Toen we mijn huis uit kwamen staken we de Rue de Buci over in het zesde arrondissement, een zakdoek voor ons gezicht, zonder verder aandacht te besteden aan het traangas dat in de straten hing. Ik was een jaar of 24, verachtte de wereld zoals die was, dus op dat moment begreep ik in het geheel niet wat er om me heen gebeurde.’ Wat had deze twee normaliens in hun greep? Waarom namen ze zelf geen deel aan de revolte, sloegen ze er zelfs in het geheel geen acht op?
Voor Milner speelde mee dat hij net was teruggekeerd van een studieverblijf in de Verenigde Staten. Hier was hij getuige geweest van de massale demonstraties tegen de oorlog in Vietnam. In het Frankrijk van De Gaulle, daarvan was hij overtuigd, kon nooit zoiets gebeuren. Belangrijker nog: als jonge maoïst geloofde hij zo sterk in de proletarische revolutie dat hij eenvoudig niet in staat was de ‘rijkeluiskinderen’ met hun libertaire leuzen serieus te nemen. ‘Ik dacht volgens de meest gestaalde kaders van het marxistisch-leninisme en ik beleefde 1968 als tegengesteld aan alles wat ik dacht.’
Het waren de jaren dat Louis Althusser regeerde op de École Normale. Tegenwoordig is hij goeddeels vergeten, maar in de jaren zestig schitterde de ster van deze marxistische filosoof hoog aan de Parijse intellectuele hemel. De Britse historicus Tony Judt, destijds als uitwisselingsstudent in de stad, noteerde: ‘Iedereen die ik sprak had het over Althusser als een man van exceptionele kwaliteiten, als iemand die het denken van Marx in een ander daglicht had gesteld en het revolutionaire denken van belangrijke impulsen had voorzien. Zijn naam, zijn boeken, zijn ideeën waren alomtegenwoordig.’
Althusser, die zelf uiteraard ook studeerde aan de École Normale, gold als charismatisch en zijn studenten prezen zijn menselijke warmte en zijn conflict oplossende vermogens. Hij bewoonde een dienstwoning in het hoofdgebouw en in L’Avenir dure longtemps (1993), zijn postuum verschenen autobiografie, beschreef hij de school als een ‘soort baarmoeder’, waar hij zich beschermd wist tegen de buitenwereld. ‘Ik hoefde er niet op uit om mensen te ontmoeten, aangezien iedereen altijd bij mij langskwam, helemaal toen ik beroemd werd.’
Hij koesterde de ambitie om van het marxisme een harde wetenschap te maken. Reeds bestaande varianten wees hij af omdat deze naar zijn idee te weinig oog hadden voor de structurerende rol van ideologie. De grote Marx zelf kon bij deze onderneming maar gedeeltelijk uitkomst bieden. Weliswaar had hij belangrijke onderdelen aangeleverd, een complete wetenschap was het marxisme nog niet. Als een volleerd theoloog viste hij uit Marx’ oeuvre wat hem te pas kwam, terwijl hij de witte gebieden – ‘stiltes’ noemde hij die – naar eigen inzicht inkleurde.
Tegelijk gebruikmakend van de ideeën van Jacques Lacan, Claude Lévi-Strauss en Mao Zedong ontwierp hij zo een marxisme dat hij theoretisch rijker achtte dan het sovjetdogma en compromislozer dan het door hem als ‘soft’ bestempelde Italiaanse marxisme. Zijn studenten vonden het allemaal prachtig en aanbaden hem devoot. ‘Bij Althusser vonden we het principe van een andere rol voor de intellectueel’, schreef Jacques Rancière, ‘géén cultuurconsumptie of ideologische reflectie, maar een actieve deelname, als intellectuelen, aan de transformatie van de wereld.’
In het najaar van 1968, dus ruim na de studentenrevolte eerder dat jaar, was voor de althusseriens van de École Normale eindelijk het moment gekomen om de echte revolutie te ontketenen. Samen met de resten van de 22 maart-Beweging (de groep rond studentenleider Daniel Cohn-Bendit) richtten ze La Gauche Prolétarienne op, een maoïstische splintergroep die, afgaand op de 150 boeken die er in de afgelopen decennia in Frankrijk over verschenen, nog steeds zeer tot de verbeelding spreekt.
Onbetwiste leider was de mysterieuze en charismatische normalien Benny Lévy. ‘Zijn gelijkmatige stem, zonder stemverheffingen en versprekingen, zonder grapjes – dat sprak voor zich – had een hypnotische kracht. Zodra hij zweeg, scheen de moeilijkste situatie ons eenvoudig toe en wist iedereen wat hem te doen stond’, schreef een lid. Vergaderen deed La Gauche Prolétarienne op de École Normale Supérieure, die ze zich min of meer hadden toegeëigend. In hun krant La Cause du Peuple namen ze een voorschot op de nakende opstand. ‘Alle ontvoerde bazen, alle door straatstenen gevloerde agenten, alle in elkaar geslagen chefjes zullen u zeggen: “Het gaat slecht, het geweld is overal.” Wanneer alle bazen zijn ontvoerd, alle agenten in een hoek zijn gedreven en de rijken zijn geplunderd, zullen wij samen met een ieder die wordt uitgebuit zeggen: “Het gaat juist heel goed!”’
Vergeleken met zusterbewegingen in Italië en Duitsland waren de leden van La Gauche Prolétarienne nog betrekkelijk braaf. Ze lieten het bij een incidentele knokpartij en infiltraties bij fabrieken. Sommige acties hadden een ludiek karakter, zoals de plundering van de Parijse delicatessenwinkel Fauchon, waar een traktaat werd achtergelaten dat de prijs van de ganzenlever vergeleek met het salaris van een arbeider aan de lopende band. Tot de gedroomde revolutie leidde het allemaal niet: die bleek uiteindelijk slechts te bestaan in de door Althusser gevulde hoofden van de leden.
Met zijn theoretische abstracties en de rigiditeit van zijn doctrines had hij hen veroordeeld tot een intellectueel getto waar lang niet iedereen uit zou breken. Guy Lardreau en Christian Jambet bijvoorbeeld. Deze oud-normaliens zochten hun heil respectievelijk bij het vroege christendom van Paulus en de islam. Benny Lévy eindigde als rabbijn in Jeruzalem. Het Rode Boekje werd simpelweg ingeruild voor de bijbel, de koran of de thora – een constatering die de criticus Jean Birnbaum zich deed afvragen of althusserianisme en monotheïsme uiteindelijk niet twee zijden van dezelfde medaille zijn.

WAT LOUIS ALTHUSSER betrof: nog één keer zou hij alle aandacht op zich gevestigd weten. Op 16 november 1980 wurgde hij in een vlaag van verstandsverbijstering zijn vrouw. Hij werd ontoerekeningsvatbaar verklaard en gedurende twee jaar verpleegd in een kliniek. Zijn laatste jaren sleet hij in een flatje in het noorden van Parijs, waar hij volgens de overlevering op straat passanten schrik aanjoeg door hen aan te klampen met de woorden: Je suis le grand Althusser!
Sinds La Gauche Prolétarienne zichzelf begin jaren zeventig ophief, stroomde er natuurlijk het nodige water onder de bruggen van de Seine door. Zo zond de vertaling van Solzjenitsyns De Goelagarchipel een schokgolf door de Parijse intelligentsia waar uiteindelijk het gestaalde marxisme van Althusser noch de muren van de École Normale Supérieure tegen bestand zouden blijken. Of toch? Een intellectueel getto is de school tegenwoordig misschien niet meer. Maar radicaal gedacht wordt er nog steeds.
Dat blijkt uit colleges zoals die van Badiou of anders wel uit het debat dat een groepje studenten organiseerde tussen twee filosofen rond het thema van ‘de representatiecrisis in de Franse politiek’. De ene, de conservatief-liberale denker Pierre Manent, gaf de schuld aan het systeem van cohabitation, waarbij een linkse president regeert met een rechtse regering of juist andersom. Dit had er vanaf midden jaren tachtig toe geleid dat de kiezer zich niet langer meer in de politiek kon herkennen en onverschillig was geraakt. De andere, de marxistische filosoof Antonio Negri, verdeed weinig tijd met analyse. Hij riep aldoor: ‘Revolutie! Revolutie!’
En de studenten in de zaal met hem.

Dit is een ingekort hoofdstuk uit Parijs denkt: Een Republiek tegen de wereld, dat volgende week verschijnt bij Boom (185 blz., € 19,90)