Broeiend suburbia

Niets gebeurt er in Suburbia, niets. Suburbia is kalm en clean. En laat het vooral zo blijven. Want niets stimuleert de morbide fantasie van de Generatie Nix zozeer als al dat nieuwgebouwde niets.
ZATERDAGMIDDAG in Lelystad. Maar het had net zo goed Almere kunnen zijn. Of Zoetermeer. Anywhere in Suburbia.

In een lunchroom-annex- theekransjesetablissement wordt de beminnelijke serveerster (jaar of achttien, type blondine) gevraagd naar haar mening over deze stad - haar stad. Zonder noemenswaardige uitdrukking op haar gezicht antwoordt ze (en de vragensteller playbackt mee): Nou, als je kinderen hebt is het hier waarschijnlijk wel leuk, maar als je jong bent niet echt… Er is hier namelijk niks te doen, dus eh…
Als haar collega, een dame van onbestemde leeftijd, haar niet had gemaand af te rekenen bij tafel zeven, zou het meisje ongetwijfeld hebben vervolgd met een uitweiding vol verveling en lamlendigheid, daarmee de wereld de kans biedend het verband te leggen tussen ledigheid en des duivels oorkussen, tussen lamlendigheid en geweld, verveling en moord en doodslag.
Want dat hoort zo. Zo gaat het altijd. Het meisje heeft zo vaak hetzelfde gelezen in de krant - over deze stad, of over een van de vele andere Suburbia-klonen - dat ze automatisch dat antwoord geeft. Met een monotone intonatie en een afwezige blik laat ze de woorden uit haar mond vallen: ‘Er is hier niks te doen, dus eh…’ Dit is wat ze geacht wordt te zeggen.
In de vaderlandse media wordt elke week wel een keer datzelfde verhaal verteld. De nieuwbouwwijken van Nederland, de snel groeiende agglomeraties van woonerven, de uitdijende kerngemeentes of groeikernen met stadsharten en overkoepelde winkelgalerijen, zijn volgens de heersende opvatting stuk voor stuk toonbeelden van mislukking. De aan de tekentafel ontstane nederzettingen hebben niets anders te bieden dan een slaapplaats voor de forensen die er een premiewoning kochten. Suburbia is eng, heet het steevast. Suburbia is, met name voor jongeren, een kille, fantasieloze en onaangename omgeving. Wie in een dergelijke biotoop opgroeit, gaat automatisch het criminele circuit in. Als vandaal begonnen eindigt menige jongere als moordenaar.
Dat is wat kranten en tijdschriften ons willen doen geloven, het liefst bij monde van net op dat moment spijbelende mavo-scholieren die zeggen: 'Ach, als je kinderen hebt is het wel leuk om hier te wonen, maar als je jong bent… Er is niks te doen voor de jeugd, dus eh…’
Waarom zeggen ze zulke dingen? Omdat een journalist het graag in zijn of haar artikel wil hebben. En die journalist is dan meestal veertig of zo.
De filosoof van Suburbia, Rene Boomkens, schrijft en filosofeert al jaren over die nieuwe wereld waarin ondertussen al meer dan de helft der Nederlanders woont - het universum van de buitenwijk. Zelf groot geworden in een groeikern weet hij waarover hij het heeft. Boomkens neemt de moeite verder te denken waar anderen ophouden, en neemt geen genoegen met het voor de hand liggende dedain ten opzichte van nieuwbouw-Nederland.
'Ik hou kortom van Suburbia, niet uit volle borst, maar simpelweg omdat ik de galerijen van de flats in dat ongrijpbare landschap zelf af- en aanliep, omdat ik de manshoge schuttingen rondom minieme tuintjes op hun waarde heb leren schatten, en ik tenslotte heb ingezien hoe makkelijk het is om in Suburbia te belanden, maar ook hoe simpel het is om er weer weg te komen. Je zou haast geneigd zijn om met het optimisme van de jaren zestig in het achterhoofd te stellen dat Suburbia slechts een state of mind is, waarvan je je makkelijk kunt ontdoen.’
In zijn meest recente boek, De angstmachine, noteert Boomkens dat 'onze liberale, “westerse” sa menleving op twee nadrukkelijk te onderscheiden wijzen in het teken van geweld staat, en beide hebben iets te maken met de neiging geweld juist te neutraliseren, te verhullen en buiten te sluiten’.
De eerste manier waarop onze huidige cultuur geobsedeerd lijkt door geweld, betreft het werkelijke, alledaagse geweld: de reele verkrachtingen en dergelijke. De tweede manier is in de wereld van de verbeelding. Als ergens gewelddadigheid is uitgegroeid tot een belangrijke bron van fascinatie, is het wel in de media en de kunst van dit moment. Wij liberale burgers, dan wel kritische geesten in een laat- twintigste-eeuwse cultuur, zijn in de greep van een fascinatie voor geweld.
Zaterdagmiddag in Lelystad. Een wandeling door wat Boomkens als volgt omschrijft: 'Suburbia is het produkt van een geborgenheidsmachine, die wordt aangedreven door het catastrofale karakter van de modernisering zelf - in het bijzonder door de catastrofes van de wereldoorlogen en andere gewelddadige conflicten, die bepalend waren voor “de korte twintigste eeuw” (…) Het suburbane verlangen, de suburbane utopie is geen lokaal gegeven, maar een omvattende aangelegenheid en als zodanig een directe reactie op de catastrofale uitwerking van oorlog en geweld van een dermate totale omvang en shockmatige impact dat alleen nog rucksichtslose maatregelen uitkomst leken te kunnen bieden.’
Niet voor niets komt na de Tweede Wereldoorlog de prefab-bouw van grote nieuwbouwwijken pas goed op gang. Suburbia is 'niet het produkt van wilde verbeeldingskracht of romantische dromen, maar van een nuchter besef dat hoort bij de realiteit van wederopbouw te midden van de puinhopen’.
LELYSTAD IS deze zaterdagmiddag leeg, schoon en gelijkmatig, zoals Suburbia overal en altijd leeg, schoon en gelijkmatig is. Niets wringt, niets knarst. Het cement tussen de rode bakstenen zit muurvast en alle kozijnen zijn van onverslijtbare kunststof. Als de zon hier schijnt, schijnt hij dubbelop: het licht wordt opgewekt weerkaatst door de schuine glazen wanden van het moderne-maar-niet-te-moderne stationsgebouw. Een jonge Aziatische vrouw in een strak zwart topje dat zeker twintig centimeter van haar trotse buik vrijlaat, zweeft hooggeneusd voorbij. De taxichauffeur die opkijkt van zijn Telegraaf ('Onze roeiers met zes boten in de finale. Een record!’) vergeet haar na te fluiten. Hij knippert tegen het zonlicht. Hoofdschuddend van zoveel schoonheid leest hij verder, in afwachting van een klant - een volgende reporter uit de Randstad of Hilversum.
Zomermiddag in Suburbia. Een zoemende leegte. Niets gebeurt. Niets valt op. Hoogstens afwezigheden.
Rene Boomkens: 'Het meest cruciale kenmerk van de suburbane conditie, van wat Sennett de gezuiverde identiteit en Benjamin ervaringsloosheid of ervaringsarmoede noemde: haar streven naar homogenisering en zuiverheid loopt uit op een radicale symbolische tweedeling van de maatschappelijke en culturele werkelijkheid.’
In de maatschappelijke werkelijkheid wordt gezocht naar immuniteit voor het catastrofale, voor gewelddadigheid en dreigend gevaar. 'Zowel de suburbane leefstijl als media als televisie zijn daarin behulpzaam. De eerste voorziet het individu van een (in theorie) ervaringsloze of -arme omgeving, waaruit elke onverwachte gebeurtenis zo veel mogelijk is buitengesloten, terwijl de tweede (haast bij wijze van compensatie voor dit buitensluiten) de buitenwereld weer naar binnen haalt, echter radicaal ontdaan van haar concrete zintuiglijkheid en “geserveerd” als een reeks spannende belevenissen, waarvan men als toeschouwer op uiteenlopende manieren kan genieten of gruwelen, waaraan men zich kan ergeren, waardoor men zich kan gaan vervelen, waar men bij in slaap kan vallen, al naar gelang.’
Lopend in Suburbia is het leven ongevaarlijk. Niets wringt, niets knarst. De plaatsen waar je dingen kunt kopen zijn overdekt; de lunchroom, de boekhandel, de babyhoek. De kleine kinderen die in geluidloze, spiksplinternieuwe wagentjes worden voortgeduwd door stralende moeders, zijn ongekend stil. Nergens krijsende baby’s of jengelende peuters. Een krantenjongen fietst fluitend voorbij, groet met twee woorden zijn grijzende aardrijkskundeleraar. De leraar groet terug. Steekt joviaal zijn hand op.
Rene Boomkens: 'Een groeiende behoefte aan prikkels, aan ervaringen, aan leven, aan lijden zelfs, staat in het centrum van de verheviging en gewelddadige uitstraling van veel popmuziek van de laatste tien jaar. Die behoefte houdt direct verband met de ondertoon van verveling, van alles al gezien hebben en niets meer te doen hebben, die in zoveel produkten van de cultuur van de laatste jaren doorklinkt.’
Wat de kids in Lelystad nog niet weten, en wat ze ook niet op school leren, is dat ze zich niet vervelen omdat er niets te doen is, maar omdat er niets te ervaren is. De wereld die hun ouders voor ze hebben gebouwd is steriel, levert geen prikkels.
Lelystad. Het is het weer van alle mensen, Ako-weer: eerst grijs, dan wit, dan een beetje blauw, maar niet te veel. Een doorsnee zomerdag in nieuwgebouwd Nederland. Op deze stad is niets aan te merken. Van deze stad is niets te merken. Hij is er wel, maar hij is er niet. En wie hier rondloopt is er wel, maar is er niet. Wie hier leeft, merkt niets van zijn eigen bestaan.
Het station is noch uitgesproken mooi noch uitgesproken lelijk. Veel modern glas, veel modernachtige buizenconstructies, veel moderne kleuren en muurtjes, maar nergens overdadige lelijkheid of smakeloosheid. Het kan allemaal best.
Het plein ervoor is lekker ruim en lekker leeg. Niets aan de hand. Hier en daar zitten een paar jongeren op een bankje, waarschijnlijk wachtend op de volgende journalist uit Amsterdam. Ze maken geen lawaai, roepen niemand na. Ze roken niet eens.
Eromheen de topografie van Nederland anno Nu: Hema, Kreymborg, C&A, V&D, Etos, Free Record Shop, Albert Heijn - in willekeurige volgorde, maar ze zijn er allemaal. (Allemaal? Waar is de Blokker? Mijn God! Er is hier geen Blokker!)
Nieuw-Nederland is een overdekt winkelcentrum in het stadshart van een groeikern, geheel toegesneden op jonge, dynamische ouders met jonge, dynamische kinderen - groeikinderen.
Tegenover een snackbar staan een paar Marokkaanse jongeren, leeftijd Moeilijk Opvoedbaar, te debatteren over de kloof tussen de sociaal-democratische politiek en de realiteit van alledag. Zo gauw ze echter zien dat de fotograaf zijn camera te voorschijn haalt, gaan ze kauwgom kauwend en ongeinteres- seerd tegen de muur staan leunen. Eentje spuugt er op de grond, een ander steekt een jointje op. Hij rookt zonder te inhaleren. Een passerend meisje wordt nageroepen, maar zo zacht dat ze het niet kan horen. Zo gauw de camera in de tas is verdwenen, vormen de jongens weer een kring en gaat de discussie verder. De joint wordt vermalen onder een sportschoen. De blower bijt nu in een appel.
In Suburbia is de wereld af. Op het oog zit er geen verbetering meer in, is het optimum bereikt. En het is niet de jeugd die daar problemen mee heeft. De jeugd redt zich wel. Echt problematisch is (of gaat ongetwijfeld worden) de oudere generatie, degenen die altijd hebben geleefd in het besef dat ze de maatschappij mee aan het opbouwen waren, in de overtuiging dat de samenleving maakbaar was en dat zijzelf deelnamen aan dat proces. Die taak was bijna een levensvervulling, een fundament van hun per definitie zo onzekere bestaan.
Nu is de wereld af, althans bijna. De samenleving is niet maakbaar meer, omdat vrijwel alles al is gemaakt. Voor jongeren vervalt de optie van meebouwen aan een betere toekomst. Zelf hebben ze daar weinig moeite mee, het zijn hun ouders die in een crisis belanden bij de aanblik van zoveel 'dadenloosheid’ en 'lethargie’. En dan gaan ze plotseling roepen dat er niets te doen is voor de jeugd. Als ware het een generatie van niksnutten, typisch Generatie Nix.
Maar de echte Generatie Nix, dat zijn de ouderen. Die hebben geen idealen of illusies meer, want die zijn vervuld door de welvaart. Een eigen huis, een plek onder de zon, en altijd iemand in de buurt die op de kinderen passen kon. Nu hun verlangens zijn bevredigd, zien ze zich geplaatst tegenover een leegte, een angstwekkend niets. Als bliksemafleider voor de intense vrees die ze ervaren, fungeert dan weer het versleten axioma van deze tijd: 'Er is voor de jeugd niets te doen. Dat is de bron van alle ellende.’ Als oplossing voor de problemen in Suburbia wordt altijd gezien: meer psychosociale hulpverleners. De probleemoplossers zijn vijftig of ouder, en missen begrip voor en inzicht in de werkelijkheid, de realiteit van hun kinderen. Ze etiketteren 'de jongeren’ meestal ongezien als 'randgroepgevallen’.
Hou toch op! 'Niets te doen hebben’ is niet erg! Hoe minder te doen, hoe beter! Dan gaan ze vanzelf iets verzinnen! Dan ontwikkelen ze hun eigen ideeen en spelletjes en dingen en tijdverdrijven en… cultuur. Jongeren 'iets te doen’ geven is ze van hun fantasie beroven, hun verbeelding vermoorden. Ging Herman Gorter elke avond naar de bioscoop? Zat Joris Ivens de hele week in het jeugdhonk? Is Emants ooit naar De Efteling geweest? Is Willink ooit in Walibi gezien?
Met de jongeren in Suburbia 'iets te doen’ geven schiet niemand iets op. Alleen de amusements- en genotsindustrie. Zonder twijfel duurt het nog een tijdje, maar uiteindelijk gaat de jeugd heus wel zelf een zin aan het leven geven. En komt men tot de mooiste dingen. Geen hulpverleners, maar coffeeshops. Geen straathoekwerkers, maar pen en papier. Geen psychosociaal geneuzel, maar camera’s en geluidsstudio’s, drumcomputers en gitaren.
WE ZITTEN NOG even in een overgangsfase. De jongste generatie nieuwbouwjongeren zal als bezeten aan het schrijven, schilderen, componeren, filmen en zo verder slaan. De Suburbia-kids van vandaag worden nog voortdurend op hun kop gezeten door alles wat de erfenis van de jaren zeventig vertegenwoordigt - die hele horde moraalridders en conservatieve angsthazen; die doorgesocialiseerde neuzelneven voor wie 'zelfstandigheid’ een eng woord is, die zelf ook al twintig jaar geleden in hun paradijselijke doorzonwoning in slaap zijn gevallen en hun kinderen net zo'n prefab-instant-truttenbestaan gunnen.
Maar dat is niet wat de kids willen. En in al die mooie dingen die ze gaan maken in Suburbia, in al die prachtige boeken en films en cd’s die zullen ontkiemen in de nieuwbouwwijken waar niets te doen is, in al die cultuuruitingen zullen geweld, moord en doodslag een centrale rol spelen.
Rene Boomkens: 'De belangrijkste verklaring voor de voortgaande verheviging en het gewelddadige in de popcultuur moet echter worden gezocht in een tegengesteld fenomeen: de toegenomen geweldloosheid, de cleanheid en steriliteit van het alledaagse bestaan. De wanhopige, ongerichte schreeuw van Johnny Rotten zou wel eens een poging kunnen zijn om gewoon weer eens wat te beleven, iets te ervaren van pijn, van hartstocht, van leven simpelweg. De zelfmutilatie in de punkcultuur, de populariteit van piercing en tatoeeringen in de huidige dance-cultuur, het angstaanjagende gebrul en dierlijke gehuil van de death metal: het lijken stuk voor stuk pogingen om tot leven te komen, om te ontdekken dat onze lichamen geen klinische, steriele aanhangsels zijn van onze op een elektronische ruimte ingeplugde breinen, geen geperfectioneerde, glimmende resultaten van de dagelijkse work-out, maar juist zwak, kwetsbaar, soms mooi, soms lelijk, maar altijd eindig.’
Op het cleane plein voor het station ligt de blonde serveerster. Haar armen zijn afgehakt; overal bloed. De Marokkaanse jongens staan er glimlachend omheen. Wanneer de fotograaf zijn camera te voorschijn haalt, stellen ze zich op als een voetbalelftal en glimlachen breed.
Overal op het stationsplein van Lelystad liggen verminkte lichamen. De taxichauffeur loopt grijnzend rond met een videocamera in de hand, filmend wat hij maar kan filmen. De aardrijkskundeleraar knielt bij het lijk van het Aziatische meisje en bestudeert het nauwkeurig. Of is het nou allemaal verbeelding?
Het zonlicht weerkaatst op de schuine glazen wand van het station. Alles is hier leeg, schoon en gelijkmatig. Clean. Als overal en altijd in Suburbia.