De nieuwe crimineel

‘Broer, ik heb mijn 9mm helemaal geleegd’

De huidige generatie criminelen is harder, jonger, meedogenlozer. Waarom doen deze jongens er echt alles voor om van de straathoek door te groeien naar de top van de misdaad?

Het huiveringwekkende van de huidige generatie criminelen is dit: er wordt ‘een mooien klusje’ aangeboden via een versleuteld bericht vanaf een telefoon met pgp-technologie (Pretty Good Privacy), rond een man bij wie al ‘gepost’ is en om ‘7 uur in de ochtend gaat ie naar werek’. Op de vraag wie dan ‘moet gaan slapen’, is het antwoord: ‘Bro, een Turk hij werkt gewoon alles electro shit of zo hij rijd witte busje met eneco er op waarom hij moet slapen weet ik niet en wil niet eens weten hahahah simpele mannetje in de 40 gezin gewoon alles.’ Het slachtoffer – overigens 56 jaar en geboren in Iran – is een ‘simpel mannetje’ om te vermoorden en ‘hahaha’. Niet veel later staat in de krant het bericht dat elektricien Ali Motamed inderdaad is geliquideerd voor zijn huis in Almere en niet lang daarna is de volgende alweer aan de beurt en is de dadergroep weer een andere.

Nadat de advocaat Derk Wiersum was doodgeschoten, werd het signalement van de dader verspreid. Het opvallendste detail: hij werd geschat tussen de zestien en de twintig jaar oud, al werd dat later bijgesteld naar twintig tot 24 jaar. Nog steeds een leeftijd dat het leven eigenlijk nog moet beginnen, en het is ook geen uitzondering, want in veel meer liquidatiezaken zijn de daders jong.

Maar misschien is het huiveringwekkende ook wel dit: hoewel de schutters en opdrachtgevers (levens)lang de gevangenis in moeten of zelf omkomen, droogt de nieuwe aanwas niet op. Die blijft zelfs groeien.

Wie zijn deze jongens, die zich als ze amper volwassen zijn door steenrijke drugscriminelen laten inhuren? Die advocaten, onschuldige familieleden, moeders voor de ogen van hun kinderen en mensen per vergissing doodschieten? Waarom groeit de huidige generatie criminelen in een mum van tijd door van straatcriminaliteit tot levensdelicten? Hoe werkt hun brein?

Er is niet een moment aan te wijzen, dat je kunt zeggen: en toen begon het. Er is wel een patroon waarvan je kunt zeggen: zo begint het. Een groep jonge jongens (altijd jongens) vanaf een jaar of twaalf staat op de hoek van de straat, op een plein of hangt rond een winkel. Het is nooit zomaar een groep en nooit zomaar een buurt. De hangplek is in een gesloten gemeenschap, buitenstaanders zijn er bij voorbaat verdacht, de wijk is er een waar het inkomen van de bewoners een stuk lager ligt dan gemiddeld en het aantal eenoudergezinnen en werklozen hoger. Zoals Kanaleneiland of Overvecht in Utrecht, de Oostelijke Eilanden, Zuidoost of Nieuw-West in Amsterdam. Niemand koopt er een fiets bij een fietsenwinkel, iedereen wantrouwt de overheid of andere instanties die zich met hen komen bemoeien. Ze hebben broers of neven, zijn qua afkomst een afspiegeling van de wijk.

Maar dit hier, deze plek, is van hen. Als ze een jaar of dertien zijn, komen ze voor het eerst in beeld bij de politie. Andere jongeren die hier komen worden bedreigd, of erger. Buurtbewoners die iets zeggen van de overlast worden bedreigd, of erger. Ondernemers worden gepest. Postbezorgers durven niet over het plein. Ze eisen soms geld van passanten. De buurt is bang.

‘Wat ze hier al leren’, zegt criminoloog Henk Ferwerda, die onder andere onderzoek deed naar zo’n groep in Amsterdam Slotervaart, ‘is dat dit territoriale geweld werkt. Deze jongens krijgen hun zin als ze dreigen, intimideren of een klap uitdelen.’

Hun idolen zijn Badr Hari, Ronaldo, personages uit maffiafilms. Vaker vinden ze degenen die ze willen zijn dichter bij huis. Die oudere jongen uit de wijk die hen nu en dan nog gedag zegt vanuit zijn Mercedes en van wie iedereen weet dat hij geen baan heeft, nooit gehad ook, maar wel een Audemars Piguet-horloge. Ze horen verhalen over de oud-buurtgenoot die in Dubai een winkelcentrum zou hebben gekocht. Weer een ander zou scooters hebben geschonken aan al zijn ‘straatsoldaten’. Dan ben je de man. Wie wil dat niet?

Wat ze ook delen is het gevoel dat niemand op ze zit te wachten. Er zijn altijd problemen met de leerplicht. Altijd. Er is één motto: geld!

Wat ze nog meer delen: deze jongens zijn redelijk in beeld bij hulpverleners en (wijk)agenten. De echte problemen beginnen pas als ze de straathoek ontgroeien.

Het is ergens rond 2006 als frequente bezoekers van rechtszaken en mensen die beroepsmatig politiedossiers inzien iets opvalt. ‘Steeds vaker waren de verdachten van serieuze zaken jonge gasten uit achterstandswijken’, zegt Paul Vugts, toen al jaren misdaadjournalist van Het Parool. ‘Echte straatjongens, die eerder vervelend rondhingen in hun wijk, en vooral in beeld waren geweest voor vergrijpen als vernieling en intimidatie.’ Een enkeling is wel eens gepakt voor een vermogens- of geweldsdelict voordat ze in het vizier van agenten komen voor misdaden met zeer excessief geweld. Precies in de tijd dat iemand als Willem Holleeder voor langere tijd de gevangenis in moest, is een nieuwe generatie opgestaan en doorgedenderd. Ze lijken uit het niets te zijn opgekomen.

Die onzichtbare opmars is deels het gevolg van beleid geweest. Erik Akerboom, korpschef van de Nationale Politie, zei vorige week in een interview in de Volkskrant dat de aandacht voor deze groepen, vanuit jeugdzorg, maar ook van andere partijen die dicht bij de wijk stonden, is wegbezuinigd. ‘Dat geldt ook voor de politie. De druk op het politiewerk is steeds groter geworden. Hierdoor onttrok een belangrijk deel van deze jongeren zich aan ons zicht. De verleidingen in de criminele wereld zijn groot: je kunt er snel veel geld verdienen. Iemand van mijn organisatie vertelde laatst dat ook zijn zoon het aanbod had gekregen om een klusje te doen waarmee hij in één middag zijn hele maandsalaris van vakkenvuller kon verdienen.’

Door die bezuinigingen werd op lokaal niveau vooral ingezet op het aanpakken van high impact crimes, zegt officier van justitie Bart Nitrauw, onder meer verantwoordelijk voor een team van rechercheurs in Midden-Nederland dat erop gericht is negatieve rolmodellen in achterstandsbuurten aan te pakken. ‘Een woninginbraak heeft veel invloed op de slachtoffers en de buurt. Maar drugshandel is geen misdrijf waar gewone mensen direct slachtoffer van zijn en een inbraak wel. Daardoor is het bij schaarste begrijpelijk dat er minder focus was op dealers, die daardoor veel geld konden verdienen zonder veel tegenwerking van de autoriteiten. Buurtgenoten zien dat je zo makkelijk geld verdient. Veel makkelijker dan met vakkenvullen. En dan is het een serieuze optie om met hand-en-spandiensten in de drugshandel wat te gaan verdienen.’

99 procent van gewelddadige veelplegers heeft een gebrekkig geweten; 89 procent voelt weinig of geen empathie en is beïnvloedbaar

En omdat ze niet meer op straat voor overlast zorgen, raken ze uit beeld bij de opsporingsdiensten. Daar, als jongens te groot zijn voor de wijk, maar te klein voor de districtsrecherche, zijn enkele criminelen echt héél groot geworden, zegt criminoloog Ferwerda. ‘Die bewegen mee als ze merken dat de opsporingsdiensten “beginnen te duwen”. Het zijn calculerende criminelen met een rationele keuzebenadering. Ze maken voortdurend evaluaties van hun gedrag – en als je te veel opvalt, krijg je gekloot. Iemand als Gwenette Martha, de in 2014 doodgeschoten Amsterdamse topcrimineel met een haast mythische status onder straatjongens, was op jeugdige leeftijd zichtbaar op straat met zijn vriendengroep, daarna pleegde hij gewelddadige overvallen en vervolgens was hij echt uit beeld bij de politie. En jaren later dook hij ineens op in de haven van Antwerpen met veel cocaïne, en in een liquidatie-onderzoek.’

Dat geldt ook voor Ridouan Taghi, de meest gezochte crimineel van het land en de veronderstelde opdrachtgever van héél veel recente liquidaties, waaronder die op advocaat Derk Wiersum en de broer van kroongetuige Nabil B. Ferwerda: ‘Die heeft ook heel groot kunnen worden voordat zijn naam eigenlijk zijdelings werd genoemd in een liquidatiezaak. Dan denken we: die is ineens opgekomen. Nee, hij is langzaam gaan groeien, groeien, groeien. Hij heeft in de luwte carrière gemaakt in de cocaïne en we zien hem pas terug als hij heel groot is.’

Deze jongens, of eigenlijk deze wereld, komt pas echt op de radar van het grote publiek als eind 2012 in een woonwijk in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt twee jonge jongens worden geliquideerd na een conflict om een verdwenen partij cocaïne, wat het begin blijkt van veel dodelijk geweld. In zijn boeken Doorgeschoten: De nieuwe generatie onstuitbare criminelen en de opvolger Afrekeningen: De onderwereldoorlog op straat en in de rechtszaal beschrijft Paul Vugts die wereld en enkele van die carrières. Zijn conclusie: ‘Wie het doopceel van schutters of slachtoffers licht, dwaalt al snel rond in droevige, kapotte levens waarin amper iets goed is gegaan voordat ze door grof geweld of door een forse celstraf zijn verwoest. Allemaal omdat de jongens van de straat hunkerden naar snel geld en een snel verworven status in het milieu (in hun kringen hangen die twee zaken overigens nauw samen). Omdat ze er alles voor over hadden om snel grote stappen te zetten op de criminele ladder. Of omdat ze niet of te weinig nadachten over de mogelijke consequenties van hun misdrijven.’

Een van de beschreven criminelen in Doorgeschoten is York M. uit de Amsterdamse Diamantbuurt, iemand die behoort tot de Top600, de meest gewelddadige jonge Amsterdamse criminelen. York M. wordt genoemd rond zware misdaden als liquidaties, hij schiet na futiele straatruzies mensen neer en wordt onder meer veroordeeld voor een aanslag met een granaatwerper op de rechtbank in Amsterdam. In het Pieter Baan Centrum, een psychiatrische observatiekliniek, gedraagt hij zich bewust ‘als een idioot, compleet met een raar loopje’. Een rechter wil van hem weten of hij bang was dat hij tbs zou krijgen. ‘Bang is het woord niet, maar ik wilde de kans niet lopen.’

Eind 2013 komt de ggd met het rapport In de nesten. Tweehonderd leden van de Top600, die op jaarbasis verantwoordelijk zijn voor 2500 tot 3000 ‘high impact crimes’ zoals overvallen, straatroven en geweldsmisdrijven, zijn voor het rapport onderzocht en de uitkomst is veelzeggend. Qua ‘sociaalpsychologisch functioneren werden bij gewelddadige veelplegers beduidend meer en forsere problemen geconstateerd’: 99 procent heeft een gebrekkig geweten; 89 procent voelt weinig of geen empathie en is beïnvloedbaar. Meer dan de helft van de gewelddadige veelplegers werd beschouwd als wantrouwend en met een ‘negatieve grondhouding’ richting volwassenen, ‘buitenstaanders’ en instituties. Het graduele verlies van aansluiting met positieve sociale contacten (school, verenigingsleven, sport) werd gecompenseerd door intensievere omgang met criminele en antisociale vrienden.

Bijna allemaal (98 procent) gebruikten ze al vroeg geweld, 86 procent is impulsief en kan zijn agressie niet beheersen. Gemiddeld hebben de jongens een IQ van 80. In 92 procent van de gezinnen waarin de ‘jongvolwassen gewelddadige veelplegers’ opgroeien, zijn de ouders ‘pedagogisch onmachtig of onwillig’. Van de groep is 95 procent ‘sterk georiënteerd op criminaliteit en criminele leeftijdgenoten’. ‘Een aanzienlijk deel is door deze achtergrond heel makkelijk te beïnvloeden en vatbaar voor mooie praatjes en valse beloften’, zegt Vugts. ‘En dan komen ze ook nog uit gezinnen zonder structuur, en met familieleden die zelf ook in de misdaad zitten of mee-eten van het criminele geld.’

Maar deze jongens uit de Top600 zijn in beeld, van hen weten de instanties wie het zijn en met wie ze omgaan. Er blijken nu, en dat is beangstigend, honderden jongeren te zijn die níet in beeld zijn en ook bereid zijn tot afschuwelijke daden.

In het huurdersblad Stadleven van woningcorporatie Stadgenoot laat stagiair Nabil Amzieb – hij is bezig met een opleiding tot onderhoudsmonteur – in 2013 het volgende optekenen: ‘Wat ik vooral leuk vind, zijn de sociale contacten. Samen met mijn stagebegeleider ga ik bij huurders langs. Zij vertellen wat het probleem is en wij lossen het dan op. Regelmatig drinken we dan ook een kopje koffie. Ja, dat sociale, met mensen omgaan, gaat me vrij goed af.’ Amzieb grapt in het interview dat hij wel directeur van Stadgenoot wil worden. Wat hij wel als een serieuze optie ziet is ergens op een berg in Marokko zitten ‘met uitzicht op zee’. Een jaar later haalt hij zijn diploma, zo valt te lezen in Afrekeningen.

In maart 2016 komt Amzieb in het nieuws als eerst zijn lichaam wordt gevonden in een uitgebrande auto en een dag later zijn hoofd voor een hoofdstedelijke shishalounge. De politie staat voor een mysterie, want van deze jongen weet ze vrijwel niets. Ook in het criminele milieu kent bijna niemand ‘Lange’.

Wat maar weinig mensen dan weten is dat Amzieb op 7 november 2015 via zijn telefoon in een versleuteld bericht schrijft dat hij bijna in slaap valt in de bosjes ergens in Krommenie, zo valt te lezen in Wraak, het vervolg op het boek Mocro maffia van misdaadjournalisten Wouter Laumans en Marijn Schrijver. En dat is opvallend, want hij is daar met twee vrienden, van wie er een net als hij een vuurwapen in zijn hand heeft. Ze staan te wachten op Eaneas Lomp, een beroepscrimineel uit een rivaliserende bende, die ze neerschieten als hij langsloopt.

‘Gefixt’, stuurt Amzieb naar de opdrachtgever. ‘Broer, ik heb mijn 9mm helemaal geleegd en Furby rende achter hem aan met de Kalashnikov. Bij het laatste schot viel hij.’ Na wat onzekerheid over de vraag of Lomp echt dood is, komt ’s ochtends in de media de bevestiging. Amzieb stuurt dan een berichtje naar de andere schutter. ‘Kanker gruwelijk, bro. We hebben naam gemaakt bij de fucking organisatie. Het gaat goed komen, Furby.’ Daarna stuurt hij een soortgelijk bericht naar zijn andere jeugdvriend, Mitchell Janssen, die als chauffeur betrokken was bij de liquidatie in Krommenie.

Een liquidatie is een van de snelste manieren om te klimmen op de ladder in de onderwereld. Het zorgt voor aanzien, geld (rond de vijftig- à zestigduizend euro) en nieuwe lucratieve klussen. Het is een cliché, zegt iedereen die beroepsmatig met deze jongens te maken heeft, maar ze willen geld en opklimmen zodat ze dichter bij het echt grote geld en de macht zitten om het zichtbaar breed te kunnen laten hangen. Want de voorbeelden zijn er. En de tijd waarin deze jongens opgroeien, zorgt voor extra prikkels om te laten zien wat ze hebben. Ze zien niet alleen de zorgvuldig in beeld gebrachte levens op Instagram en Snapchat van rijke leeftijdgenoten als voetballers en andere sterren, maar ook die van criminele rolmodellen, jongens zoals zij.

De vorige generatie drugscriminelen heeft de norm gezet door tegenstanders uit de weg te ruimen. De huidige generatie heeft bij hen afgekeken

Zelf kunnen ze dat podium ook opeisen. Wie een rondje langs de sociale media van deze jongens surft, ziet erg dure auto’s, erg dure horloges en erg dure avondjes uit.

Heel bestendig is de rijkdom van deze generatie niet, zegt officier van justitie Bart Nitrauw. ‘Makkelijk geld verdienen, betekent makkelijk geld uitgeven. Je ziet veel jongens van wie uit onderzoeken blijkt dat ze enorme bedragen hebben binnengehaald nog thuis wonen, maar toch schulden hebben. Het geld dat ze hebben, geven ze uit aan dure kleding, sieraden, reizen, rondjes in de shishalounge en flessen champagne tijdens het uitgaan, maar de rekeningen blijven onbetaald.’ Het zijn lang niet allemaal jongens voor wie je een blokje om gaat als je ze toevallig tegenkomt op straat, zegt misdaadjournalist Paul Vugts. Hij ziet criminelen niet alleen in de rechtbank, maar spreekt ook met ze af. Een omschrijving van Omar L., die inmiddels tot levenslang is veroordeeld voor het geven van meerdere moordopdrachten, waaronder die in Krommenie: studentikoos, brilletje, babyface, klein, dun. Het is moeilijk voor te stellen dat hij jongere buurtgenoten heeft ingehuurd om rivalen om te brengen.

‘Ik woon in Amsterdam tussen de doelgroep waarover ik schrijf’, zegt Vugts. ‘Het middenkader en hoger is over het algemeen prima in staat tot een normaal gesprek, als ik ze eens tegenkom en ze boos zijn vanwege een publicatie. Die snappen wel dat het niet handig is om uit te vallen tegen een journalist, en dat ik ook maar mijn werk doe. Maar die laag daaronder, de straatsoldaten, die zijn gewoon onberekenbaar.’

De huidige generatie criminelen heeft nooit iets normaals gedaan in het volwassen leven. Er zijn er steeds minder die ooit een dag hebben gewerkt. Sterker nog, het is nooit een ambitie geweest. Voor velen is het helemaal geen optie om een studie te doen en een bijpassende baan te vinden. Op school haken ze al heel jong af, omdat ze het verstand er niet voor hebben of de zin niet. De jongens die op de straathoek al de slimmeren zijn, groeien door tot leiders in de zware georganiseerde misdaad of (en dat is maar een heel klein deel) ze raken uit beeld omdat ze vermoedelijk geen misdaden meer plegen, zo blijkt onder meer uit het onderzoek van criminoloog Ferwerda.

Er zijn voorbeelden van deze criminelen, die de capaciteiten hadden om ook in het bedrijfsleven een positie te verwerven. Maar dat hebben ze nooit geambieerd. Van iemand als Gwenette Martha was bekend dat hij een goede voetballer was die naar Ajax kon. Hij werd liever gangster. Eigenlijk is het zoals in het bedrijfsleven: velen willen de ceo worden en doen daar alles voor. Zo werkt het ook in de misdaad, maar dan met de mores die bij dat wereldje passen. De vraagt blijft wel: waarom zijn deze jongens, als ze de straathoek al jaren hebben verlaten, zo wreed?

Een hulpverlener, die veel met families van deze jongens heeft gewerkt, zegt: ‘Deze gezinnen hebben altijd meervoudige problematiek. Ouders uit elkaar, geldproblemen, veel geweld thuis.’ Officier van justitie Bart Nitrauw: ‘Als je de dossiers van deze jongens leest en hun persoonlijke omstandigheden kent, dan word je daar echt niet vrolijk van. Zulke jongeren zijn veel vatbaarder voor criminaliteit dan jongeren met een stabiele thuissituatie.’

Criminoloog Ferwerda: ‘Er zijn wel witte raven, jongens die uit een goed milieu komen, een opleiding hebben afgerond en toch afgleden, maar dat zijn echt uitzonderingen.’ Journalist Vugts: ‘Je ziet jongens die het gevoel hebben dat ze in de reguliere maatschappij geen fatsoenlijke positie kunnen bemachtigen of gewoon te lui zijn en snel veel geld willen, net als jongens uit de buurt, en niet nadenken over consequenties.’

Je zult niemand horen zeggen dat het vroeger allemaal wel meeviel. Daarvoor kent iemand als Vugts de eerdere generaties te goed. Maar hij ziet wel verontrustende verschillen. ‘Mensen als Sam Klepper, John Mieremet en Stanley Hillis hadden ook verschrikkelijke reputaties, en als zij getest waren hadden ze waarschijnlijk ook een onderontwikkeld geweten, maar zij waren al heel lang in beeld bij de opsporingsdiensten en bij hen zag je een opbouw. Ze gingen steeds zwaardere misdaden plegen, voordat ze in verband werden gebracht met liquidaties. Het was niet van de ene op de andere dag.’

En in de liquidatiegolf die vanaf de jaren negentig de onderwereld teisterde, waren de uitvoerders veelal afkomstig uit Balkanlanden. Vugts: ‘Die dachten makkelijk over geweld en hadden daar ervaring mee, omdat ze tijdens burgeroorlogen waren opgegroeid. Ze konden een kalasjnikov in en uit elkaar halen. De huidige generatie is in relatieve welvaart opgegroeid en in ieder geval zonder oorlog. Dat maakt het ook zo moeilijk verklaarbaar. Zij laten zich een kalasjnikov in de handen drukken terwijl ze er niet mee kunnen omgaan, gaan toch schieten, het wapen gaat alle kanten op en ze schieten niet zelden de verkeerde dood, omdat ze in de stress en haast niet goed hebben gekeken. Verschrikkelijk veel blunders waardoor onschuldigen zijn vermoord.’

Maar, zegt iemand die deze wereld goed kent, de invloed van de generatie hiervoor moet niet onderschat worden. Zij hebben de norm gezet door tegenstanders uit de weg te ruimen. De huidige generatie heeft bij hen en bij de drugscriminelen uit hun buurt kunnen afkijken en zij moeten worden overtroffen in omvang en geweld.

Onderschat ook de internationale cocaïnehandel niet, aldus Ferwerda. Opdrachtgevers van veel liquidaties, zoals Taghi en andere heel rijke drugscriminelen, hebben daarmee hun miljoenen verdiend. Daar deden de Hollandse netwerken, zoals de generatie criminelen hiervoor werd genoemd, niet echt aan. Die zaten meer in de hasj en pillen.

‘Dat waren ook letterlijk Hollandse netwerken. We hebben nu eigenlijk internationale criminaliteit. De partijen waar de huidige criminelen die in de cocaïne zitten nu zaken mee doen, zijn geen lieverdjes, geen padvinders. Dat zijn keiharde jongens, groeperingen uit Mexico en Zuid-Amerika, die niks te verliezen hebben. Je kunt niet aankomen met een zakmes en zeggen: sorry het is kwijt, als een lading verdwijnt. Die houding en dat geweld slaat over naar de jongens op straat.’

Paul Vugts eindigt zijn beide boeken met de constatering dat het optimisten niet makkelijk wordt gemaakt. Hij heeft het antwoord op de vraag hoe dit geweld gestopt kan worden ook niet. ‘We hebben het over een generatie die moorden pleegt en zelfs dat weten ze te externaliseren. Het ligt nooit aan hen, het is de schuld van de overheid en de media. Het is een wereld waarin iemand als Naoufal “Noffel” F., die als opdrachtgever van onder andere de liquidatie in Almere van Motamed onlangs levenslang heeft gekregen, zichzelf “exi tiba” noemt, omdat hij eerder al eens tbs kreeg. De kwalificaties die hem toen werden toegedicht door een psycholoog en psychiater: asociaal, zwakbegaafd, narcistisch, snel gekrenkt, impulsief, een zwak geweten. Een normaal mens zou zich schamen voor zo’n naam, maar in deze wereld is het een statusverhogend stempel: dit is een ontzagwekkend figuur.’


De Groene Amsterdammer sprak voor dit stuk met meer dan tien mensen die te maken hebben met de huidige generatie criminelen. Een deel van de gesprekken was op achtergrondbasis