Bromance

Ronald Gipharts verhaal over vriendschap is geconstrueerd door een ‘wij’ © Stephan Vanfleteren

Een paar weken nadat het toeval ze voor het eerst bijeenbracht in een café aan de Oudegracht rijdt een clubje Utrechtse studenten naar Berlijn om getuige te zijn van de val van de Muur: met the end of history begint de geschiedenis van hun vriendschap. Schitterende ontstaansmythe, natuurlijk, die door de joviale verteller van Alle tijd met smaak wordt opgedist. In de nieuwe roman van Ronald Giphart lezen we hoe de zes jongens – Jonas, Luciën, Berend, Mike, Cola en Gregor – hun bierbrouwerij Alle Tijd oprichten en uitbouwen tot een bescheiden imperium. De hoofdstukken die hun lief en leed tussen 1989 en 2012 beschrijven worden afgewisseld met het weekend in 2019 waarin de mannen, inmiddels tegen de vijftig, op een landgoed in het Duitse Lessebach proosten op de verkoop van hun bedrijf en mijmeren over de vraag of ze al dertig jaar vrienden zijn omdat ze een brouwerij hadden, of een brouwerij hadden omdat ze vrienden zijn.

Het grote verhaal van de vriendschap wordt geconstrueerd door een ‘wij’ en in potentie is dat een mooie vondst, de groep die als zevende personage boven de afzonderlijke blikvelden uitstijgt. Aan het begin van de roman draagt die stem van het collectief ook effectief bij aan de toonzetting van de bromance. Alsof je erbij staat in de kroeg, wanneer de smeuïge anekdotes aaneen worden geregen – de reis naar Florida, hoe ze het per ongeluk met elkaars vriendinnetjes deden, en weten jullie nog dat Luciën tijdens een van de weekendjes naar Duitsland aan de verkeerde pomp stond? ‘Het werden gevleugelde woorden. Haben Sie vielleicht Benzin statt Diesel getankt? We hebben dit in de volgende decennia vaak tegen elkaar gezegd in situaties waarin er iets mis was gegaan.’

Naarmate de roman vordert, gaat de nadruk op de groepsidentiteit ten koste van de psychologische diepgang van de individuele personages. Exemplarisch is de manier waarop de geestelijke nood van Mike – een solipsist die een zelfmoordpoging onderneemt als hij een gevangenisstraf uitzit wegens dienstweigering – ondergeschikt wordt gemaakt aan de binding van de roedel. Binnen het bestek van twee pagina’s worden achtereenvolgens Shakespeare, Aristoteles, Montaigne, Kierkegaard, Ovidius, Nietzsche en Herbert aangehaald, om alsnog tot een vrij nietszeggende slotsom te komen: ‘Achteraf vonden we het op z’n minst opmerkelijk hoe onze omgang in de loop der seizoenen was gegroeid, hoe we steeds dichter tot elkaar waren gekomen tot de zelfmoordpoging van Mike onze vriendschap deed stollen. Magisch.’ (Opmerkelijke woordkeus.)

‘Worstelende witte oude mannen, daar zitten vrouwen van nu niet op te wachten’

Over de gedeelde moraal van de groep die uit het wij-perspectief spreekt valt dan weer een scriptie te schrijven. In eerste instantie klinken de mannen behoorlijk woke. Het waren al geen macho’s, en na #MeToo lijken ze het belangrijk te vinden zich aan de veranderende opvattingen aan te passen. ‘Worstelende witte oude mannen, daar zitten vrouwen van nu echt niet op te wachten’, vat acteur Jonas de discussie samen die hij voerde met de actrices uit het toneelstuk waarin hij speelt. Als hij nonchalant het woord ‘tieten’ laat vallen, legt Luciën het zijn hardleerse vriend nog een keer uit: ‘Vrouwen hebben tegenwoordig borsten. Hebben die actrices in Antwerpen je dat niet zo langzamerhand geleerd? Dit zeg ik je als vriend. Borsten. Respect. We zeggen niet meer neger, niet meer Eskimo, lap of flikker, en borsten noemen we borsten.’ Jonas prent het zich in en prevelt voor zich uit: ‘Borsten… Borsten… Borsten.’

Het is interessant hoe Giphart zich tot het genderdebat probeert te verhouden, zo’n dialoog geeft een inkijkje in de manier waarop emancipatoire overtuigingen én de worstelingen daarmee door mannen onderling worden uitgezocht. Dat er in acht zinnen toch gewoon zeven keer ‘borsten’ staat, soit. Pas écht flauw wordt het als Jonas in Lessebach aan zijn vrienden een selfie laat zien van de knappe vrouw die ze onderweg tegenkwamen: ‘Hij houdt zijn telefoon omhoog met een blokkerige afbeelding van haar bovenlijf, zonder gezicht, maar met een indrukwekkend decolleté. Gevieren kijken we naar deze foto. Het heeft niets met toxic masculinity te maken: deze vrouw is ons gewoon in alles de baas.’ Je kunt je afvragen of de personages de vooruitstrevende normen volgen uit oprechte maatschappelijke betrokkenheid of toch meer uit klassenbewustzijn, omdat het in de progressieve bovenlaag nu eenmaal zo hoort – wij, de well-to-do, zeggen geen ‘tieten’ en ‘flikker’ meer.

Ten slotte vormt het wij-perspectief in Alle tijd een weerslag van volwassen worden in de jaren negentig, toen de voorspoed voor het hoogopgeleide, westerse deel van de bevolking geen grenzen leek te kennen en we dachten dat de grote ideologische conflicten de wereld wel uit waren. Gipharts vroege romans gingen over jongens die de literatuur zouden bestormen en voor wie seks intussen hun grootste zorg was. De mannen in Alle tijd hebben seks verruild voor koken en de literatuur voor de speciaalbierenmarkt, maar hun levens zijn nog net zo comfortabel. Ze hoeven niet meer te werken, wonen in koophuizen, met vrouw en kinderen. Het zou een mooi en licht-satirisch generatieportret kunnen opleveren, maar Giphart lijkt meer uit op ontroering over het verglijden van de tijd in een mannenvriendschap. Sympathiek en hartverwarmend, maar Alle tijd is vooral een nostalgisch en naar binnen gekeerd verhaal.


Lees ook 21 vragen aan… Ronald Giphart