Groen

Brommerjongen

Ik was een middag op stap met iemand die meewerkt aan een wetenschappelijke studie naar libellen. Buiten hoe ik september twee weken geleden in dat sprookjesstuk beschreef, merkte ik dat het vooral ook een stille maand is: vogels zijn moe en uitgeblust, of al weg. Als ik een vogel was, zou ik Duin en Kruidberg nooit verlaten; duindoorn- en kruipwilgstruwelen, zwarte vogelkers- en ligusterbessen, rozenbottels, rode meidoorn- en kardinaalsmutsenbessen, ondiepe poelen, riet en lange grassen. De enige bomen die ruisten waren populieren, maar ik krijg steeds sterker het vermoeden dat die de wind máken. De zon scheen, het was een graad of achttien. Een perfecte libellenteldag, zei de onderzoeker.
We zagen vooral bruinrode heidelibellen, die allemaal in tandem vlogen, en zo het zogenaamde paringswiel vormen. Een libel kan trouwens ook achteruit vliegen, dat komt doordat ze de vleugels niet op en neer, maar heen en weer bewegen. Ook telden we lantaarntjes, een enkele geelvlekheidelibel, een aantal paardebijters en als klap op de vuurpijl twee zwarte heidelibellen, die had de onderzoeker daar al jaren niet gezien. Heidelibellen behoren tot de familie van de korenbouten, en dat schrijf ik op omdat het zo’n prachtig woord is. Er zwom een padje in zo’n poel. Die ging verdrinken, kreeg ik te horen. We vonden een kraaienschedel, maar de visarend die me beloofd was, kregen we niet te zien. Twee Schotse hooglanders stonden tot hun buik in een kleine poel. Dat vind ik altijd een mooi gezicht, dat bedaarde, domme staan in water. Een opgeschoten jongen kwam langs scheuren op een brommer, en toen we omkeken, keek hij ook om (nogal vuil) en gaf nog eens extra gas. Door de verrekijker zag ik een roodborsttapuit en in een groter water een stelletje dodaarsen.
‘Jammer dat er niet iets raars gebeurd is’, zei ik op station Santpoort-Noord tegen de onderzoeker. ‘In een column moet je op de een of andere manier twee dingen met elkaar verbinden, waardoor je een verhaal krijgt.’ ‘Je bedoelt’, zei hij, ‘dat die brommerjongen omgekeerd was om ons in elkaar te slaan?’ ‘Ja’, verzuchtte ik. ‘Zoiets.’