Bromsnor

Zijn benoeming tot hoofdcommissaris werd indertijd gedwarsboomd door ‘links’. Maar hij kwam er toch wel. Oud- hoofdcommisaris Blaauw over de tijd dat georganiseerde misdaad niet eens bestond.
DE ROTTERDAMSE oud-hoofdcommissaris Jan Blaauw was in de jaren zeventig een roepende in de woestijn. Hij werd verketterd om zijn suggestie voetbalvandalen een tijdje in werkkampen te stallen. Zijn opvattingen over kleding en uiterlijk van de politie vond men vooroorlogs. En zijn pleidooi voor een keiharde aanpak van drugsbaronnen wuifde men weg als ‘heksenjacht’. Blaauw was de verpersoonlijking van de onkreukbare diender die hopeloos achterliep bij de moderne tijdgeest.

De plaatselijke PvdA voerde midden jaren zeventig zelfs actief - en met succes - campagne tegen Blaauw toen hij in de race was voor het ambt van hoofdcommissaris. Het partijblad omschreef hem als ‘een man van oude, starre stempel die law & order predikt, iemand met weinig diplomatieke gaven, gezien zijn publieke uitspraken, maar wie weet is bij de opstellers van de voordracht aan H. M. de Koningin het besef aanwezig dat de tijden daar niet meer naar zijn, dat stilstand achteruitgang is en regeren vooruitzien.’
'Nu schieten de mensen me vaak spontaan aan’, aldus de Rotterdamse politieman in ruste. 'En dan zeggen ze: hadden ze toen maar wat beter naar je geluisterd, dan was de boel niet zo uit de hand gelopen.’ Ook in de media heeft Blaauw een opmerkelijke revival beleefd. In menige praatshow fulmineerde hij recentelijk tegen het vervagende besef van 'mijn en dijn’ en de zorgwekkende afbrokkeling van de sociale controle: 'Mensen spreken elkaar nergens meer op aan.’
Tevens mag Blaauw zich als consequent verdediger van elementaire fatsoensnormen gestreeld voelen door wat de nationale succescabaretier en beroepsrevolutionair van de jaren zeventig, Freek de Jonge, onlangs bekende in het blad Rails: 'Laten we dankbaar zijn dat conservatieve mensen in de jaren zeventig nog zo standvastig hun “rechtse” ideeen zijn blijven vasthouden. Als we waren doorgeslagen met die linksradicale mikmak, als de wereldverbeteraars het voor het zeggen hadden gekregen… dan had ’t er eng uitgezien, hoor. Echt. Dan gingen we d'r allemaal aan.’
'IK BEN NIET rechts of links, nooit geweest’, zegt Blaauw op zijn werkkamer in een rijtjeshuis te Berkel en Rodenrijs. 'Mensen hebben me vaak gevraagd op welke partij ik stem. Ik heb dat nooit prijsgegeven omdat dat een van de weinige dingen is die ik prive wil houden. Wel heb ik altijd gezegd dat ik beslis tijdens de wandeling naar het stembureau. En dat is ook echt zo. Ik ben nooit een partijman geweest.’
Momenteel werkt Blaauw aan het systematisch optekenen van zijn meer dan veertigjarige politiecarriere in Rotterdam, die hem langs de functies van agent (1950), hoofdinspecteur (1965), commissaris (1973) en hoofdcommissaris/plaatsvervangend korpschef (1986) voerde. Sinds zijn pensionering in 1990 zijn al drie boeken van hem verschenen.
Hoe kijkt Jan Blaauw terug op de jaren zeventig? Als een verbitterd man? Een ouwe zeurkous? Een gefnuikte carrierist wiens benoeming tot hoofdcommissaris werd gedwarsboomd door de linkse horden? Nee, het decennium blijkt bovenal een onuitputtelijke bron van diendersleut en dierbare herinneringen. En van opgelucht ademhalen.
Blaauw: 'Neem alleen al het surveilleren op straat. Dat werd een stuk prettiger. In de jaren vijftig mocht je tijdens de surveillance alleen een dienstgesprek voeren. Je moest je eigen kennissen voorbijlopen omdat je aandacht nodig was voor het toezicht. Je liep rond als een soort boeman, vaak ook nog op de zoom van het trottoir. Geheel volgens voorschrift. En als er dan iemand de weg vroeg, moest je zo kort en helder mogelijk antwoorden. In de jaren zeventig is dat allemaal veel losser geworden. Toen werd contact met de bevolking aangemoedigd.’
De cursus 'nieuwe vriendelijkheid’ bleek in de praktijk overigens niet eenvoudig. Met ingehouden pret verhaalt Blaauw over de Rotterdamse dienders die begin jaren zeventig vrijwel onvoorbereid mensenmassa’s in toom moesten houden. Anders dan hun collega’s in Amsterdam waren de Rotterdamse agenten totaal onbekend met massabijeenkomsten. Of het nu ging om politieke demonstraties, havenstakingen, wielerwedstrijden of de massale viering van ’s lands eerste Europacup voor Feyenoord - de agenten dwaalden een voor een in het psychologische niemandsland tussen ingrijpen en toekijken.
Blaauw: 'Ik weet nog dat er in 1970 duizenden jongeren opdrongen naar het stadhuis. Ze hadden allemaal gasmaskers op. Ik weet niet meer waartegen ze protesteerden, maar het had vast iets met het milieu te maken. Op een gegeven moment wilden ze voor het balkon van het stadhuis langs lopen. Jezus wat nou, dachten we, dat kunnen we niet hebben! Maar er was niemand van ons die de eerste stap zette… Toen liepen die jongelui gewoon door en wij keken elkaar aan van: ach…’
IN DEZELFDE TIJD maakte burgemeester Thomassen een opmerkelijk tochtje in een tijdelijk aangelegde kabelbaan rond de Coolsingel en het Hofplein. 'Het was de opening van een grote manifestatie en vanuit de verte zagen we hoe een stelletje krakers, of hoe je ’t ook noemt, in een van die hoge handelsgebouwen een groot spandoek ophing met het woord “Bezet!”. De burgemeester koerste in zijn cabine recht op dat spandoek af. Wij dachten: zoiets hoort in Amsterdam thuis, daar gaan we een eind aan maken. We stonden helemaal op scherp om het gebouw te bestormen. Maar toen de burgemeester die bezetters in het vizier kreeg, begon hij vrolijk te zwaaien. Volgens mij lachte Thomassen zich het apezuur. Hij stond daar met een air van: jullie hebben dit gebouw bezet, nou en?’
De relaxte benadering van de stadsbaas verminderde de geestdrift om de krakers een Rotterdams pak slaag te geven. De knuppels werden opgeborgen. Blaauw (lachend): 'Toch hebben die lui het daar niet lang uitgehouden. De volgende ochtend kwam er een bouwvakkersploeg. Die schreeuwde “Opgerot!” en sloegen die gasten er in een mum van tijd uit.’
Ook tijdens de grootse huldiging van Europacup-winnaar Feyenoord opereerde de politie a l'improviste, hetgeen tot een ludieke verbroedering van burger en diender leidde. Blaauw: 'We hadden hooguit vijftien of twintig man tot onze beschikking om zo'n honderdduizend mensen in bedwang te houden. Hoe pak je zoiets aan? If you can’t beat them, join them, dacht ik toen bij mezelf. En om de spanning bij voorbaat uit de lucht te halen heb ik toen voorgesteld om Feyenoord-rozetten op onze uniformen te spelden. Bovendien was een van onze agenten in zijn vrije tijd discjockey - je gelooft ’t niet, maar die heeft toen speciaal voor deze gelegenheid een bandje samengesteld dat begon - en dat weet ik nog heel goed - met de toenmalige hit “Pietje, Pietje dat kun je niet maken, Pietje, Pietje dat kun je niet doen”. Dat liedje schalde uit de surveillancewagen toen we de Coolsingel opdraaiden. Nou, we werden juichend verwelkomd! Dat was nou een prachtig voorbeeld van komen, zien en overwinnen. We hadden die zaak absoluut onder controle. Als ze een dak opklommen en we riepen “Hup, wegwezen!”, deden ze dat meteen. Het was echt een unieke wisselwerking tussen gezagsdragers en bevolking. De burger zag niet alleen dat de politieman toenadering zocht, maar ook dat er lijfelijk contact was. En het mes sneed aan twee kanten: je had geen ordeproblemen en we kregen ook nog eens alle lof toegezwaaid van pers en publiek.’
ZO OPGETOGEN ALS hij is over deze creatieve vorm van conflictvermijding, zo teleurgesteld is Blaauw over het toenemend individualisme binnen het korps dat gaandeweg gestalte kreeg in de jaren zeventig. En dat kwam zijns inziens tot uitdrukking in de haarmode van toen - lange manen die onder de politiepet uitstaken - maar ook in de veranderde houding van de diender: geen pet meer op, nodeloos achter het bureau blijven plakken, de kantjes eraf lopen op straat. 'Ik kan niet eens zeggen dat we het hebben toegestaan, het is er ingeslopen, en wel zo geruisloos dat iedereen het normaal ging vinden. En als je het zoals ik niet normaal vond, was je abnormaal.
Hoe kun je als politieman gezag uitstralen als je met je handen in je zakken ergens tegenaan staat geleund? Ik heb altijd de neiging gehad om dan in te grijpen, door er iets van te zeggen. En vaak heb ik dat ook gedaan. Maar dat werd in die jaren steeds minder begrepen.’
Blaauw noemt dat 'gewoon even wakker schudden’, en dat is nou precies wat hij tegenwoordig mist: 'Wie schudt wie nog wakker?’
Ook Blaauws gedachten om de georganiseerde misdaad aan te pakken vonden in de jaren zeventig geen enkele weerklank. Eenvoudige voorstellen over een betere samenwerking met buitenlandse collega’s - nu volstrekt onomstreden - werden afgedaan als 'totalitair’. Blaauw: 'Om te beginnen wilde men niet eens geloven dat georganiseerde misdaad bestond - ja, in Amerika, maar hier niet. Men was uberhaupt niet geinteresseerd in criminaliteitsbestrijding.’
De mode was zich te verdiepen in de psyche van de crimineel: hoe kwam deze tot zijn daad? En hoe kon men de onverlaat weerhouden van een autokraak of tasjesroof? 'In het verlengde daarvan kreeg je die hele cultuur rondom de verdachte. Advocaten, hulpverleners, reclasseringsambtenaren - ze stonden allemaal in de rij voor de verdachte. Aan het slachtoffer werd nauwelijks nog gedacht.’
Hoezeer Blaauw het politiekorps van de jaren zeventig ook aanvalt op zijn slapte en linkserigheid, de echte ontsporing is zijn inziens in de jaren tachtig begonnen: 'Toen begon men over de politie te praten als een bedrijf dat produkten leverde. Daar heb ik nooit een snars van begrepen. Produkten? Een bedrijf? Ik wist niet dat de politie failliet kon gaan.’
De voor hem zo dierbare kameraadschap en eensgezindheid in het korps zag hij steeds verder afbrokkelen. Blaauw, vol afschuw: 'Medio jaren tachtig kreeg je ineens die mentaliteit van scoren, scoren, scoren.’
Nu hij in zijn pensioendagen op zijn gemakje de kranten leest en op tv de parlementaire enquete volgt, ziet hij de resultaten en voelt hij zich vervreemd van het politieapparaat. 'Ik heb me altijd ingezet voor een eerlijke, integere, betrouwbare, controleerbare politie. Maar wat ik nu zie…’ Hij schudt mismoedig het hoofd. 'Alleen al de suggestie dat er een informant in opdracht van de politie is vermoord, is toch te gek voor woorden!’