Bronx aan de maas

151 METER priemt de Delftse Poort omhoog, de kapitale erectie van verzekeraar Nationale Nederlanden. Aan de voet van de wolkenkrabber wacht professor doctor Justus Veenman met twee fietsen. Veenman geeft leiding aan een universitair instituut dat de maatschappelijke positie van allochtonen in de gaten houdt. Hij is een autoriteit op het gebied van minderhedenonderzoek. In opdracht van de gemeente Rotterdam schreef Veenman het essay Rotterdam in kleur: De toekomst van een multi-etnische stadsamenleving. De voorspellingen daarin zijn somber: er moet razendsnel worden ingegrepen om gettovorming in de havenstad te voorkomen.

Op de kaart wijst Veenman het aan. Feijenoord, Delfshaven en Charlois. Concentratiewijken met allochtonenpercentages ver boven de zeventig procent. In Charlois werd vorige week een negenjarige jongen door een verslaafde in zijn borst gestoken. En de Rotterdamse krottenkoning Cees Engel stond terecht. Die zou bewust onroerend goed verhuren aan dealers. In genoemde wijken heeft hij bijna alle overlastpanden in bezit. Drugs en geweld in concentratiewijken. Voor Veenman symptomen van falende integratie.
VANDAAG NEEMT Veenman poolshoogte in de Rotterdamse deelgemeente Delfshaven, waaronder Spangen valt: een verpauperd woonkwartier vol sociaal niet-geïntegreerde groepen. We steken de met kantoorkolossen beplante Coolsingel over en verdwijnen in de Middellandstraat, waar het oude ongebombardeerde centrum begint. Chinese middenstand, veel toko’s en koffiehuizen. Arabische muziek, exotische geuren. De mens is van kleur veranderd en gaat vaak gekleed in gewaden.
‘Het is hier bijna alleen allochtoon. Hier werken ze en doen ze inkopen. In enorm tempo nemen ze de winkels over’, roept Justus Veenman over zijn schouder. 'Slechts hier en daar zie je nog oorspronkelijke middenstand.’
Die middenstand is weggetrokken richting Coolsingel. Niet goed, vindt Veenman. Allochtonen raken erdoor geïsoleerd in dit beperkte leefgebied. Een van Veenmans beleidsaanbevelingen is daarom etnische registratie bij bedrijven. Opdat die meer allochtonen aannemen, ook op hogere posten. Eenzijdig gekleurd gebied lokt bovendien misdaad uit. We passeren het ene gesloten rolluik na het andere. 'Je moet je barricaderen hier, als winkelier. De kans op een overval is groot.’
Langs de Mathenesserweg, waar Spangen begint, grijpt de verloedering om zich heen. Ramen en deuren in de huizen zijn vervangen door houten platen of gewoon maar dichtgemetseld. Op rotte kozijnen schilfert de verf. Het percentage allochtonen in de bewoonde delen ligt rond de zeventig. Veenman wijst op de schotelantennes aan de gevels. En merkt op dat het contact met het land van herkomst krampachtig in stand blijft. 'Je kunt ze niet kwalijk nemen dat ze naar het eigen televisiestation kijken. Toch belemmert het de communicatie met de Nederlandse omgeving. En zo leer je de taal nooit.’
Hij wordt bijkans overstemd door reggaemuziek. 'Uitermate frustrerend, zeker voor autochtonen.’
Onderweg blijft Veenman de kenmerken opsommen die zijn bevindingen in het essay onderbouwen. Die komen erop neer dat je datgene waarvoor je op vakantie gaat - het zoeken van contact met de vreemde cultuur - als autochtoon permanent gaat ondervinden. Het vakantieland komt ineens en masse bij je in de straat wonen. En dat is niet leuk meer.
Veenman draait de Multatulistraat in. Ondanks de troosteloosheid zou een Amerikaan lachen als we hem vertellen dat dit onze getto’s zijn. Er mogen dan verduisterde en verlaagde BMW’s passeren met dreunende muziek, er zijn nog hoopvolle signalen. Zoals een man met lange dreads die zijn auto wast en een Marokkaanse vrouw die haar stoepje schrobt. Veenman: 'Dat zijn tekenen van burgerlijk fatsoen. Het wijst op integratie.’
OP DE HOEK van de Wallisweg knijpt Veenman in de remmen. Hier moet zelfs een Amerikaan het lachen vergaan. Spookhuizen, tot en met het zolderraam dichtgemetseld. Opengebroken trottoirs, zilverpapier, geblakerde blikjes en autoruitenglas. Huisnummers ontbreken of zijn niet te lezen. De meeste niet-dichtgemetselde ramen zijn ingegooid. De rest moet, gezien de gesloten gordijnen, bewoond zijn.
Voor Veenman is dit stukje Spangen het voorbeeld van hoe het mis kan gaan wanneer je een onderklasse van kansloze allochtonen laat ontstaan. 'De drugshandel hier concentreert zich rond de Marokkaanse jongeren. Je ziet ze rondhangen. Ze zijn agressief geladen. Zoals in Amsterdam. Die reacties zijn hier ook te verwachten.’
In een van de spookhuizen gaat zowaar een deur open. Een kalende man met een grote hond stapt naar buiten. Zijn naam is Koos van Workum en hij vertelt dat zijn buren reeds lang geleden zijn vertrokken. 'Dit is toch geen straat meer? Het lijkt wel de Bronx. Veel overlast van druggebruikers heb ik gehad. Nu is het dichtgemetseld. Er is een bestemmingsplan. Binnen vijf jaar moet er renovatie of sloop komen. Toch, binnenkort ga ik verhuizen. Al die narigheid. M'n wagen telkens opengebroken. De hele nacht heb je last, om knaken ruziënde junken, politiesirenes, schijnwerpers naar binnen. Ik moet om kwart over vijf op voor mijn werk. Nachtrust heb ik nauwelijks. Laatst waren ze er vanachter in geklommen, in het huis boven mij. Allemaal junken. Ik denk: wat hoort ik hierboven nou? Ik en de huisbaas hebben ze d'ruit geknikkerd.’
Veenman knikt. 'Wat dat betreft zijn het net ratten. Ondanks het metselwerk komen ze er toch in.’
WE FIETSEN verder langs de bunkers naar het huis van Machiel van Wolferen. Hij is humanist en werpt zich op als jongerenwerker. In Spangen is Van Wolferen, naar eigen zeggen, de laatste autochtoon die in contact staat met de allochtone groepen die Veenman in zijn essay als onderklasse aanmerkt. Van Wolferen is niet optimistisch. Het verband drugs-allochtoon, dat Veenman niet direct legt, is voor Van Wolferen zo klaar als een klontje.
'Kansarm zegt u? Ze hebben allemaal mobiele telefoons, gloednieuwe scooters, Australians en dure schoenen. Kansen genoeg, hoor. Ze grijpen alleen de verkeerde. Omdat ze als prinsjes willen leven. De drugshandel is diepgeworteld in de Marokkaanse gemeenschap.
Ik ben raadsman, ben hier speciaal praktijk gaan houden omdat de buurt naar de verdommenis gaat. Eerst vlogen de stenen door de ramen. Maar nu hebben ze me geaccepteerd. Hoewel ik ze zeg waar het op staat. Ook de dealers. Die scheld ik verrot.’
Behalve de Antilliaanse. 'Dan houd ik mijn mond. Anders heb ik een mes in m'n donder. Een Marokkaan kun je rustig autoritair berispen. Turken doen meestal ook wel keurig wat je zegt. Kaapverdiërs weer niet. Ben ik wat voorzichtig mee.
Ik voer hier een huiskamerproject. De jongeren zijn vrij om bij me binnen te zitten. Ik hou ze een beetje in de gaten. Voornaamste doel is ze van de straat houden. En weg van het koffiehuis en de dealers. Ik ben een imam voor ze, zo noemen ze me.
Er is maar één zo'n imbeciel als ik. Ze vinden me zo gek als een deur. Omdat ik het belangeloos doe, dat komt bij hen nauwelijks voor. Ik ben een vreemde eend voor ze. Ik heb diploma’s, ik drink niet, bezoek geen hoeren, stel het zonder drugs en ik ben homo. Ik ben hun uiterste tegenpool. En daarom zo aantrekkelijk voor ze.’
Veenman probeert de raadsman ervan te overtuigen dat een allochtoon op de arbeidsmarkt nog steeds niet de mogelijkheden heeft van een autochtoon.
Van Wolferen: 'Bullshit, er zijn genoeg banen. Ze hoeven alleen maar naar het uitzendbureau. Een trap onder hun sodemieter moeten ze krijgen.’ Maar het komt nooit van één kant, probeert Veenman. Een allochtoon heeft autochtone poortwachters te verslaan op zijn weg naar succes. Op arbeidsbureaus krijgt hij te maken met mensen die lang niet altijd bereid zijn zich in te leven in zijn etnische achtergrond.
'Kom nou toch’, zegt Van Wolferen. 'Dat leren ze allemaal op school, als ze maar zouden gaan. De meesten gaan niet. Ze lopen hier te dealen en pakken er een uitkering bij. Ze moeten met stevige dwang uit dat circuit gehaald worden.’
Veenman ziet dat liever gebeuren met hulp van specifieke arrangementen: tijdelijke bevoordeling van problematische groepen. Uniek voor Nederland, dat twintig jaar lang alleen algemeen achterstandsbeleid durfde te voeren. Het risico is dat benadeelde autochtonen in opstand komen. Toch waagt Rotterdam het erop. Wethouder H. Meijer van Minderheden heeft Veenmans pleidooi ter harte genomen. Van Wolferen: 'Maar professor, dan moeten ze wel willen integreren. Oude tradities verhinderen dat. Daarom vragen ze geld voor onderwijs om hun jongeren op Nederlandse scholen weer Arabisch te leren, zodat ze beter met hun ouders kunnen praten. Onzin. Laat die ouders Nederlands leren. Dat verdommen ze. Willen ze de gemeenschap gesloten houden?’
Twee jonge Kaapverdiërs komen Van Wolferen vragen om een pomp. Als ze weg zijn: 'Ik houd mijn hart vast als ik die gastjes zie en aan hun toekomst denk.’
VEENMAN SCHETST de raadsman zijn toekomstvoorspellingen. 'Ik heb drie scenario’s uitgewerkt. Het ene is pessimistisch, het andere optimistisch en het derde realistisch. Het pessimistische gaat uit van voortdurende overdracht van achterstand bij allochtonen. Ouders weten niet hoe ze Nederlandse instituties moeten benaderen, ze kennen het onderwijs en de arbeidsmarkt niet. Blijven daardoor kansloos en dragen dat over op hun kinderen.’
Van Wolferen knikt instemmend. Veenman: 'De optimistische versie zegt: logisch dat die eerste generatie het niet kan bolwerken, ze kwamen hier zonder kennis van de Nederlandse samenleving, zonder taalbeheersing. En ze waren geronseld voor een slecht type arbeid.’
Van Wolferen: 'Klopt. Ze zochten bewust stommelingen uit. Keken alleen of het gebit gezond was.’
Veenman: 'Maar die tweede generatie kan het wel redden. Die is opgegroeid met het Nederlandse.’
'U moet ze eens zien zitten bij mij op de bank, die tweede generatie’, zegt Van Wolferen. 'Daar komt niks van terecht.’
Veenman gaat over op het realistische scenario. 'Nederlanders moeten zich ook aanpassen. Door demografische ontwikkelingen hebben we allochtonen straks hard nodig op de arbeidsmarkt.’
'Wat hebben ze te bieden?’ vraagt Van Wolferen. 'Hun economische potentie is hier overbodig. Die gaat naar Oekraïne, Polen en Colombia.’
VERDER DOOR de Busken Huetstraat. Ook bijna compleet dichtgetimmerd. Jan woont er 21 jaar. Hij vertelt het bekende verhaal. In het begin een beste wijk. Volledig autochtoon, op enkele Surinamers na. Tot de grote migrantengolf Spangen overspoelde. Eenheid verbroken, misdaad slaat toe. Nu zijn de allochtonen verhuisd, naar een aanpalende nieuwbouwwijk. Hij is gebleven en de straat is eindeloos leeg.
'De wijken verpauperen als ze te veel mensen bij elkaar doen. Het gespuis verhuist mee. Ik weet Antillianen die er hun mitrailleurs, handgranaten en zakken coke al op tafel hebben liggen.’
Het is opnieuw slikken voor de wetenschapsman. In zijn essay schreef hij over negatieve beeldvorming en de genuanceerde werkelijkheid. De werkelijkheid valt nauwelijks te nuanceren. Toch zegt Veenman: 'De alledaagse logica. Wat zo'n man percipieert neemt hij als waarheid. Die mensen sjouwen hier twintig jaar rond, de wijk is totaal veranderd, dat is niet te verkroppen.’
We fietsen naar het Van Effenhof. Een grauwig complex, ontworpen door architect Oud, en bedoeld om sociale samenhang te bevorderen. Nu ligt de binnenplaats erbij als het uiteinde van een riool. 'De mooie eenheidsgedachte is verbroken. Er leven verschillende etniciteiten samen. Van gezamenlijk onderhoud komt niets terecht. Dit is de laboratoriumsituatie van ontspoord allochtonenbeleid.’
In de Van Harenstraat en op metrostation Marconiplein wijst Veenman nog wat Marokkaanse drugskoeriers aan. Dan gaat het in rap tempo terug richting Coolsingel. Waar we opgenomen worden in het blanke, welgestelde, winkelende publiek.