Brood

Met een groep studenten besprak ik laatst Roland Barthes’ beroemde tekst La mort de l’Auteur (oké, we lazen in werkelijkheid een Amerikaanse vertaling, alles van Barthes las ik in het Engels, een rare en enigszins schaamtevolle omweg eigenlijk: de Atlantische Oceaan oversteken om de woorden van een Franse poststructuralist te kunnen begrijpen).

De studenten hadden deze tekst nooit eerder onder ogen gehad. Ze schoven onrustig heen en weer in hun stoelen, hielden hun pennen vlak boven het papier van hun blocnotes, klaar voor antwoorden op de vragen die over elkaar heen tuimelden in hun hoofden.

Hoezo de dood van de Auteur, waaraan moet die dan precies zijn gestorven? Hoe kan het bestaan dat schrijven pas begint wanneer ‘de stem zijn oorsprong verliest’, ‘de auteur zijn eigen dood tegemoet treedt’? Hoe kan een schrijver überhaupt nog zin hebben om aan het werk te gaan als hij geen ‘persoon’ meer mag zijn en zijn tekst alleen nog kan bestaan uit citaten en imitaties?

Ik was niet vergeten hoe verwarrend dit korte essay van Barthes was toen ik het zelf las als eerstejaars student literatuurwetenschap. Op de middelbare school had ik geleerd over thema’s en motieven, metaforen, symboliek, open plekken. In boekverslagen vinkten we dat allemaal keurig af, daarbij geholpen door de heldere boekwerkjes secundaire literatuur die we in de mediatheek troffen, en die puntsgewijs alle cryptische codes, verwijzingen en psychologische toestanden van personages uit de doeken deden, en passant ook verwijzend naar de levensloop van auteur.

Ik vond het als student aanvankelijk aantrekkelijk, die radicale verwerping van de auteur als ultieme betekenisgever van een tekst. Lezen was spelen, puzzelen, dubbele bodems zoeken, binaire opposities opheffen, overal ambiguïteit in vinden. We bestonden niet buiten taal, er bestond niets buiten tekst, het was allemaal heerlijk goddeloos en vrij en theoretisch. Wie praatte over haar gevoelens bij het lezen van een roman, zich identificeerde met personages, woorden gebruikte als ontroerend en meeslepend, was naar mijn (niet zo bescheiden) mening een inferieure lezer die sentiment boven intellect stelde, escapisme verkoos boven complexiteit en verdieping.

Grofweg een decennium zit ertussen – mijn eerste maanden als student, mijn eerste maanden als docent aan de universiteit waar ik studeerde. Ik herinner me het lokaal waar ik Barthes voor het eerst probeerde te begrijpen: te weinig stoelen en tafels, formica, grijs, bruin, een jonge docent die in een haast onleesbaar handschrift het woord ‘brood’ in tien talen op een whiteboard schreef om iets op te helderen over taal en werkelijkheid, signifiant en signifié, ieder zijn eigen brood (pain, pane, pan). Inmiddels ben ik gediagnosticeerd met een tarweallergie en zijn de leslokalen voorzien van airconditioning en rolgordijnen die automatisch meebewegen met de zon. Ik denk aan mijn docent destijds, die bij ingewikkelde materie steeds wilder begon te gesticuleren, zijn hele lichaam erop gericht ons iets over te brengen, al zijn aantekeningen eindigend in driedubbele cirkels die ‘de werkelijkheid’ moesten voorstellen. Ik merk hoe ik zelf verander in die docent, vurig hopend dat mijn uitleg de zaken verheldert en ondertussen al weer verstrikt in mijn eigen woorden, halverwege half vergeten wat mijn punt ook al weer was, en dat van Barthes, ik begrijp er plotseling helemaal niets meer van.

Niet-begrijpen is niet erg, het betekent beweging en beweging is denken

Ik ben geen academicus. Dat hoorde ik mezelf zeggen tijdens de eerste les: ik ben geen academicus. Woorden op armlengte voor me uit gestoken, een schild dat me moest beschermen tegen alles wat me zou kunnen doorprikken.

Soms denk ik dat ik het wel had kunnen worden: een echte academicus met een titel, een niche en een flexwerkplek met uitzicht over een verkeersader. Dat het verschil tussen die mogelijkheid en mijn huidige werkelijkheid minuscuul is, een kwestie van een paar toevalligheden die me voortijdig de universiteit deden verlaten en me maakten tot wie ik nu aan het worden ben: een eeuwige amateur die doen-alsof tot een soort professie heeft verheven.

De studenten vertel ik dat het niet-begrijpen niet erg is, dat het juist iets goeds is, het betekent beweging en beweging is denken. Ik vertel ook dat ze een poging moeten wagen mee te gaan in Barthes’ gedachte-experiment. Dat het zin heeft een tekst los te weken van de auteur ervan omdat het mogelijkheden biedt voor een andere manier van lezen, een manier die misschien wel trouwer is aan de woorden zelf.

Ondertussen zie ik een afsplitsing van mezelf tussen de studenten zitten. Zuchtend schudt ze met haar hoofd van nee. Haar pen heeft ze neergelegd, niet langer van plan om aantekeningen te maken.

Ze is de niet-docent, de mislukte academicus, de amateurschrijver die haar kost verdient met auteur-zijn, aanwezig-zijn, haar afspraken zo goed mogelijk nakomen. Iedere dag staat ze op en iedere dag twijfelt ze zich een ongeluk. Barthes, die kan ze momenteel eerlijk gezegd missen als kiespijn. Een brood is soms ook maar gewoon een brood.