Brood met kogels

Eten, dekens, kleding. Maar ook walkietalkies, helmen en veldkeukens. Met goddelijke zegen en Duitse steun dirigeerden franciscaner paters dat alles naar Kroatie. Hoeveel bloed kleeft er aan de handen van het Vaticaan en de humanitaire hulporganisaties?
ONDANKS HET embargo lijden de strijdende partijen in voormalig Joegoslavie niet onder gebrek aan wapens. De aanvoer via duistere kanalen is gewaarborgd, en veel waarnemers spreken het vermoeden uit dat ook officiele regeringsinstanties in Bonn, Wenen en Washington in dergelijke zaakjes verwikkeld zijn. De Hamburgse socioloog en econoom Peter Lock deed onlangs in een artikel in het Zurichse tijdschrift Widerspruch een boekje open over deze ‘grijze’ wapenmarkten op de Balkan.

Duitslands regering en geheime dienst hebben meermalen het verwijt gekregen dat ze wapenleveranties aan Kroatie gedogen. Erich Schmidt-Eenboom, een voormalig Bundeswehr-officier, beweert in zijn studie Der Schattenkrieger: Klaus Kinkel und der BND over de activiteiten van Kinkel als hoofd van de BND, de Duitse geheime dienst, dat de BND ‘wat Kroatie betreft het grootste aandeel heeft gehad in de uitholling van de besluiten van de Verenigde Naties’ aangaande het wapenembargo.
Terwijl Duitse regeringsinstanties dergelijke verwijten proberen te ontzenuwen, hebben Duitse opsporingsinstanties wel enkele kleinere visjes in de illegale wapenhandel weten te snappen. Onlangs bijvoorbeeld een Kroatische franciscaner pater. De aanhouding van deze man heeft de vraag opgeworpen of niet ook humanitaire hulporganisaties en kerkelijke instanties hebben deelgenomen aan illegale activiteiten.
PATER JOHANNES, hoofd van de Kroatische katholieke parochie in Ludwigshafen, is op 7 december 1995 in Saarbrucken tot achttien maanden gevangenisstraf voorwaardelijk veroordeeld. Tussen november 1992 en januari 1993 had hij 45 vrachtwagentransporten met walkietalkies, helmen, slaapzakken, veldkeukens en uniformen voor het Bosnisch-Kroatische leger georganiseerd. De geestelijke had de liefdadigheidsorganisatie Caritas wijsgemaakt dat het ging om humanitaire hulp voor oorlogsslachtoffers en had zodoende van hen de benodigde papieren voor deze transporten gekregen.
Het geval van pater Johannes staat tot dusver op zichzelf, maar er is alle reden te geloven dat het slechts het topje van de ijsberg is. De transporten wekken herinneringen aan het roemloze verleden van de katholieke kerk en dan met name van de franciscanen op de Balkan. De scepsis neemt nog toe als men zich realiseert dat in Kroatische parochies in Duitsland voor miljoenen is gecollecteerd - gelden die vaak naar zwarte rekeningen in Zagreb verdwe nen en daar gebruikt zijn ter financiering van de presidentiele verkiezingsstrijd en het militaire apparaat.
Branko Horvat, hoogleraar in Harvard en voorzitter van de Sociaal-Democratische Unie - een oppositiepartij in Kroatie - ziet een verklaring van het succes van de Kroatische president Tudjman in het feit dat deze al vroeg de katholieke kerk achter zich kreeg. Vanaf de kansels in Kroatische parochies overal ter wereld is opgeroepen tot steun aan Tudjmans Kroatische Democratische Gemeenschap (HDZ) en tot gulle gaven bij de collectes.
Susan Woodward beschrijft in haar unieke boek Balkan Tragedy: Chaos and Dissolution after the Cold War hoe sinds de jaren 1985-86 niet alleen door de regeringen van Duitsland en Oostenrijk, maar ook door het Vaticaan de betrekkingen met de nieuwe Kroatische en Sloveense elite zijn geintensiveerd. Het Vaticaan lobbyde openlijk voor de onafhankelijkheid van deze beide katholieke republieken. Het kreeg daarbij krachtige steun van Wenen en van de Beierse CSU en haar zusterpartij, de CDU van Helmut Kohl. Deze zelfde politieke krachten hebben in 1991 ook de internationale erkenning van deze Joegoslavische deelrepublieken doorgedrukt. Paus Johannes Paulus II gaf de nieuwe staten zijn zegen en bezocht in september 1994, nog tijdens de oorlog, Zagreb.
Al mag men de geschiedenis niet te zwaar laten meewegen bij de beoordeling van de actuele internationale betrekkingen, toch ontkomt men in het geval van de intensieve relaties tussen Duitsland, Oostenrijk, Italie en het Vaticaan enerzijds en Slovenie en Kroatie anderzijds niet aan de gedachte dat deze teruggaan op een oude traditie. Het Vaticaan onderhield al tijdens de Tweede Wereldoorlog nauwe betrekkingen met het Italiaanse fascisme en de Duitse nazi-staat. Het heeft ook daadwerkelijke steun gegeven aan de in april 1941 gestichte Kroatische marionettenregering van Ustasa-leider Ante Pavelic. Uit Ustasa-documenten is gebleken dat het Vaticaan de katholieke kerk van Kroatie opdracht had gegeven de fascisten bij te staan bij de opbouw van hun geheime organisaties. Onder aanvoering van de Kroatische aartsbisschop Alojzije Stepinac zijn duizenden orthodoxe Serviers gedwongen bekeerd tot het katholicisme. Franciscanen in Bosnie hebben een belangrijke rol gespeeld bij de verspreiding van nazi-propaganda en bij de gedwongen bekeringen, die vaak gevolgd werden door Ustasa-moordpartijen. Enkele franciscanenkloosters dienden als organisatie- en opleidingscentra voor de Ustasa. In 1986 bracht de Amerikaanse contraspionage aan het licht dat het Vaticaan voor Pavelic en ongeveer tweehonderd van zijn naaste medewerkers een goed heenkomen naar Argentinie had georganiseerd. De fascisten vonden tijdens hun vlucht onderdak in kloosters van de katholieke kerk.
Aartsbisschop Stepinac had zich weliswaar tegen de massamoorden gekeerd, maar hij was ook na 1945 zijn Kroatisch-nationalistische overtuiging trouw gebleven en hij weigerde te breken met het Vaticaan. Hij werd in 1946 tot gevangenisstraf veroordeeld. Paus Pius XII benoemde hem in 1952 tot kardinaal wegens zijn verdiensten voor een door het communisme bedreigde kerk.
HET KROATISCHE katholicisme kwam in het onstabiele Joegoslavie van de jaren zeventig en tachtig opnieuw tot leven en werd het instrument van nationalistische Kroaten die naar een onafhankelijke republiek streefden. Stepinac kreeg de status van een cultfiguur. Franjo Kuharic, aartsbisschop van Zagreb en voorzitter van de Kroatische bisschopsconferentie, pleitte vanaf het begin van de jaren tachtig met steun van het Vaticaan voor gevangengenomen dissidenten. Onder hen bevonden zich de latere Kroatische president Franjo Tudjman en Dobroslav Paraga, die na de onafhankelijkheid van Kroatie leider werd van de fascistische Kroatische Rechtspartij. De franciscaner monniken uit Herzegovina deden hun best het centrale Joegoslavische gezag te ondermijnen. In de zomer van 1981 zorgden ze voor rellen toen ze het Bosnische Medjugorje tot pelgrimsoord uit riepen omdat Maria daar verschenen zou zijn.
De actiefste franciscaner pater is sinds de jaren tachtig Fra Tomislav Duka uit de franciscaner provincie Split. Duka onderhield goede contacten met de Duitse geheime dienst, de BND, die onder leiding van de tegenwoordige minister van Buitenlandse Zaken Kinkel in die tijd contacten legde met nationalistische groeperingen in Kroatie en Slovenie. Schmidt-Eenboom verhaalt in Der Schattenkrieger hoe Fra Duka er in oktober 1984 in geslaagd zou zijn om samen met een groep van 385 pelgrims een aantal BND-agenten het land binnen te krijgen. Tot maart 1993 zou deze franciscaan hoogst belangrijke projecten van de geheime dienst hebben verzorgd.
De BND had volgens Schmidt-Eenboom ook na de onafhankelijkheid van Kroatie de Kroatische geheime diensten onder controle en zou president Tudjman tot zuiveringsacties hebben gedwongen. Samen met gematigder leden van de geheime dienst zou ook Fra Duka in maart 1993 op aandringen van de BND zijn afgetreden. Duka heeft echter ook na maart 1993 een belangrijke rol in de Kroatische politiek gespeeld. Hij werd de woordvoerder van een minderheid van radicale geestelijken in Kroatie, die - net als de radicaalste politieke krachten in Kroatie - meestal afkomstig zijn uit het voormalige Ustasa-bolwerk Herzegovina.
TOEN PRESIDENT Tudjman in het voorjaar van 1993 de militaire veldtocht tegen zijn vroegere bondgenoten de Bosnische Moslims begon, vertoonde Duka zich in het uniform van het Kroatisch-Bosnische leger. De openlijk militaristische opstelling van deze Herzogovina-franciscaan leidde tot spanningen met de katholieke kerk en met het Vaticaan. Tijdens de nieuwjaarsreceptie voor het corps diplomatique in januari 1994 uitte de paus kritiek op de nationalistische krachten in Kroatie en Herzegovina. Hiermee doelde hij ook op de man die zichzelf had uitgeroepen tot Kroatisch president van Herzeg-Bosna, Mate Boban. In mei 1993 had deze in een brief aan aartsbisschop Kuharic in Zagreb bezwaar gemaakt tegen de opstelling van de katholieke kerk. Kuharic en de grote meerderheid van de franciscanen pleitten tegen de militaire inlijving van Herzegovina door het Kroatische leger en distantieerden zich zelfs van de presidentiele politiek. De brief in kwestie zou door Herzegovijnse franciscaner paters in de omgeving van Fra Duka opgesteld en door Boban ondertekend zijn.
Fra Duka, die tijdens de Kroatische veldtocht in Bosnie de meest omstreden geestelijke van Kroatie werd, onderhield niet alleen goede betrekkingen met franciscanen uit Herzegovina, maar ook met enkele van zijn medebroeders in Bosnie. Veel geestelijken van deze orde waren gedwongen Bosnie te ontvluchten. Ook hier echter bleken al spoedig ernstige verschillen bij de interpretatie van hun missie.
De hulporganisatie Brood van de Heilige Antonius, door Bosnische franciscanen opgericht, kwam in een kwade reuk te staan doordat men haar in verband bracht met wapenleveranties voor het oprukkende Kroatische leger in Bosnie-Herzegovina. 'Antoniusbrood’ had sinds het begin van de oorlog hulp verleend aan de katholieke parochies in Bosnie en had in juli 1992 - toen Moslims en Kroaten nog vreedzaam samenleefden - van de regering in Sarajevo de officiele status van humanitaire hulporganisatie gekregen. Het hoofdbureau, onder leiding van pater Bozidar Blazevic, werd korte tijd later naar Kroatie verplaatst, naar een magazijn voor hulporganisaties in de buurt van Split. Vandaaruit zijn tijdens de oorlogsmaanden duizenden konvooien naar de omstreden gebieden vertrokken. Voordat Fra Blazevic voor 'Antoniusbrood’ ging werken, was hij Caritas-vertegenwoordiger in een Bosnisch diocees geweest.
In de buurt van een kazerne in Zagreb werd een contactbureau van Antoniusbrood gevestigd. Daar had Fra Stipo Karajica de leiding. Fra Karajica verklaarde dat Antoniusbrood de meeste steun ontving van Kroatische missies in Duitsland. Hulp kreeg de organisatie verder van de Duitse en Oostenrijkse afdelingen van het Internationale Gesellschaft fur Menschenrechte (IGFM). In Dusseldorf en Rome werden ook agentschappen van deze franciscaner organisatie geopend.
Fra Karajica spreekt vloeiend Duits. Zijn belangrijkste taak was lange tijd het bezoeken van Kroatische parochies in Duitsland om daar gaven in te zamelen. Volgens eigen zeggen heeft hij daardoor tot in april 1994 ongeveer twintig konvooien met omstreeks 5500 ton hulpgoederen naar Bosnie kunnen sturen. De grootste projecten van de Antoniusbrood-franciscanen zijn uitgevoerd tijdens de Kroatische veldtocht in Herzegovina. In samenwerking met de speciale afgevaardigde voor humanitaire zaken van de Kroatische president, de Kroatische afdeling van de IGFM, het Kroatische Informatiecentrum en andere overheidsinstanties organiseerden de franciscanen het omvangrijke konvooi Wit Pad naar Nova Bila.
Nova Bila ligt in de maandenlang door Kroaten en Moslims fel omstreden streek rond Vitez en Zenica. De franciscanen hadden daar een noodziekenhuis ingericht dat dienst deed als legerhospitaal. De Kroatische regering en de franciscanen wilden met hun konvooi, dat de Kroatische media met grote aandacht volgden, een politiek signaal geven: de verovering van Herzegovina zou rechtmatig zijn. Het hulptransport startte op 12 november 1993 in Zagreb, waar het konvooi de goddelijke zegen ontving van hulpbisschop Jeserinac, gevolmachtigde van Caritas. Uit alle zes de franciscaner provincies was een pater aanwezig. In de buurt van Gornji Vakuf in Bosnie werd het konvooi op 19 december door eenheden van het Bosnische regeringsleger aangehouden en onder toezicht van Britse Unprofor-militairen doorzocht. De VN- commandant bevestigde dat men tienduizend slaghoedjes, drieduizend detonators, een kist met telescoopvizieren en radiotelegrafische apparatuur vond.
Nadat de militaire goederen en enkele vrachtauto’s in beslag waren genomen, zette het konvooi zijn reis naar Nova Bila voort, waar het op 20 november aankwam. Bij de terugreis werden de chauffeurs opnieuw aangehouden door verontwaardigde Bosniers; een van hen werd doodgeschoten. Na de terugkeer in Zagreb was er een grootse ontvangst bij de president. Over de wapensmokkel werd in de Kroatische media slechts met een enkel woord gesproken; over de dood van een van de chauffeurs des te meer.
De publikaties van de Antoniusbrood- franciscanen spraken een duidelijk nationalistische taal. Sinds het begin van de oorlog in Herzegovina hadden ze hun activiteiten uitsluitend geconcentreerd op dit gebied en op het project Nova Bila. Men jammerde over door Serviers en Moslims 'bezette’ Kroatische gebieden en zei met zoveel woorden dat de franciscanen uitverkoren waren om de katholieke Kroatische cultuur in Bosnie te redden. Dat ook de oude bekende van de BND, Fra Tomislav Duka, met het konvooi naar Nova Bila was meegereisd, paste in het christelijke zelfbesef van de Antoniusbroeders.
Luka Markesic, hoofd van de theologische faculteit van de franciscanen die uit Sarajevo moest vluchten en in Samobor bij Zagreb onderdak vond, is een van de meer gematigde geestelijken in Kroatie. Hij vertegenwoordigt de grootste groep onder de franciscanen, die vredelievend is. Hij toonde zich onaangenaam getroffen toen hij op Antoniusbrood en Fra Duka werd aangesproken en wilde er niet over praten. Ook in Duitsland wenste niet een franciscaan - Duitser dan wel Kroaat - zich over Fra Duka of Antoniusbrood uit te spreken, hoewel Kroatische paters er voortdurend langs de parochies waren getrokken.
Uit bovenstaande mag overigens niet geconcludeerd worden dat de Herzegovijnse franciscanen voor alle franciscanen en voor de katholieke kerk als geheel staan. Daarop wijzen ook de aanhoudende spanningen tussen franciscanen en katholieke hoogwaardigheidsbekleders in Herzegovina. In april 1994 arresteerden verontwaardigde Kroatische nationalisten in Mostar bisschop Ratko Peric en zijn secretaris, omdat Peric geeist had dat de franciscaner hoogwaardigheidsbekleders van de stad vervangen werden door katholieke priesters van het diocees.
Ook in hogere kringen van het Vaticaan schijnen echter patriottische strijders voor God vlijtig bezig te zijn geweest. Wellicht zal een onlangs in Italie ontdekte kwestie meer kennis opleveren over wapenleveranties waarbij ook het Vaticaan betrokken lijkt te zijn. Begin december werd Roger D'Onofrio gearresteerd, een voormalig CIA-agent die voor een wereldwijde bende van wapen- en drugshandelaars geld zou hebben witgewassen. Men vermoedt dat deze ex-agent, die sinds 1993 in Italie woonachtig is, voor miljarden betrokken is geweest bij wapensmokkel voor de Balkan. Internationale speurders hadden geconstateerd dat veel van de wapens op de Balkan via Italie in het oorlogsgebied waren terechtgekomen.
Een reeds in 1994 gearresteerde medewerker van deze internationale drugsbende zou gezegd hebben dat D'Onofrio voor het witwassen van geld gebruik had gemaakt van bankrekeningen in Zwitserland en van het Instituut voor Religieuze Arbeid, ook bekend als de Vaticaan-Bank. Ongeveer 65 miljoen dollar zou via dit katholieke instituut de zegen van de legaliteit hebben verkregen.
Spaanse opsporingsambtenaren hebben al in november 1995 verzocht de aartsbisschop van Barcelona, Ricard Maria Caries, te mogen verhoren. Een getuige had beweerd dat de bisschop als bemiddelaar tussen het Vaticaan en de wapenhandelaren was opgetreden. De katholieke kerk weigerde echter haar bisschop te laten ondervragen. D'Onofrio wordt overigens niet alleen van witwasserij verdacht, maar ook van medeplichtigheid aan moord op een Italiaanse veiligheidsbeambte die de drugsbende op het spoor was gekomen.