FILM EN MENSENRECHTEN OP HET IDFA 2008

Broodnodige films

We zien het, we horen het, we kunnen of willen het niet geloven, en toch het is waar – dat is het werkzame mechanisme in documentaires over de mensenrechten, ‘Auschwitz terwijl we toekijken’. Maar dit soort films zijn er vooral voor de slachtoffers, als een ‘cinematografische waarheidscommissie’.

IN MAART 2003 traden twee Noord-Koreaanse staatsburgers naar buiten met een schokkend verhaal over hongersnood, kannibalisme en zelfmoord in concentratiekampen in het land van de Geliefde Leider, Kim Jong-il. Tegenover de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties vertelde Kang Chul Hwam dat hij tien jaar eerder, op negenjarige leeftijd, samen met zijn gezin gearresteerd werd wegens de ‘politieke misdaden’ van zijn grootvader. Hij belandde in een concentratiekamp. Daar zag hij hoe bewaarders kinderen dood schopten en in het openbaar executeerden. Kang: ‘Een derde van de kinderen in het kamp overleed door ondervoeding. Om in leven te blijven, at ik ratten, kakkerlakken en slangen.’ De andere getuigen, Lee Min Bok, een geneticawetenschapper, liep in de val tijdens een vluchtpoging naar China. Hij werd gemarteld en naar een kamp in Hyesan gestuurd. Lee: ‘Er was geen eten. Mensen aten elkaar. Een vrouw die haar pasgeboren baby opat. Broers die broers aten. Mijn eigen lichaam werd overgenomen door insecten; ik had niet eens de vrijheid die insecten weg te halen.’
Een jaar later zond de BBC een documentaire uit over Kamp 22 bij Haengyong, in de bergen bij de grens met Rusland en China. In het programma vertelt Kwon Hyuk, voormalig bestuurder van Kamp 22, dat er jaarlijks duizenden mensen in dat kamp om het leven kwamen, en dat er bizarre experimenten werden gedaan. Kwon: ‘Ik zag hoe een gezin in een glazen kooi werd gezet, hoe men er gas in spoot, hoe de vader en moeder stikten, overgaven, hoe ze toch probeerden hun zoon en dochter te redden door mond-op-mondbeademing.’ Een dag na uitzending van de documentaire in Amerika kopte The Washington Post: ‘Auschwitz terwijl we toekijken’. Anno 2008.
In de film Yodok Stories (Noorwegen, Polen) van Andrzej Fidyk, te zien in de Joris Ivens Competitie op het Idfa, registreert de camera een musical in Seoul. Op het podium zingen en dansen twee groepen personages, gekleed in respectievelijk vodden en het donkerbruine uniform van het Noord-Koreaanse leger, met een rode ster als terugkerend motief. De musical verbeeldt de situatie in Yodok, een van de concentratiekampen van Noord-Korea. Het stuk is het werk van Jung Sung San, een 36-jarige Noord-Koreaan die recent uit een concentratiekamp is ontsnapt. Voor zijn musical gebruikt hij de getuigenis van acht andere ontsnapte kampslachtoffers die inmiddels in Seoul wonen. De musical was oorspronkelijk het idee van regisseur Fidyk. Tijdens de openingssequentie van Yodok Stories, bestaande uit beelden van de massale, volmaak gesynchroniseerde propagandabijeenkomsten waar Pyongyang een patent op heeft, vertelt Fidyk dat hij juist dit aspect van de Koreaanse cultuur – kitscherige podiumkunst – had willen gebruiken om de mensenrechtenschendingen aan de kaak te stellen. Deze gedurfde keus geeft de film een gelaagde structuur. Het Springtime for Hitler-sfeertje van de musical wordt afgewisseld met waargebeurde verhalen van de voormalige gevangenen. Dit contrast tussen echt en gespeeld, tussen kale feiten en feiten die ‘omgebogen’ zijn door de conventies van de musical (vertelling, karakterisering en toonzetting), creëert een spanning die de kijker forceert na te denken over de aard van de waarheid, en over welke effecten zo’n getuigenis zou kunnen ressorteren. Wat de gevangenen vertellen, niet alleen in Yodok Stories, maar ook Kang en Lee voor de VN-commissie en Kwon in de BBC-film, is immers zo weerzinwekkend dat het ongeloofwaardig overkomt. Tenminste, voor wie nog een beetje gelooft in de goedheid van de mens. En toch, wat ze vertellen moet wel de waarheid zijn, of het moet iets van de waarheid hebben, want de bewijzen stapelen zich op. Over kannibalisme, bijvoorbeeld. Ook in Yodok Stories vertelt een man over het villen en opeten van een kind. Of die vrouw. Die legt uit hoe je het best een rat kunt eten.

We zien het, we horen het, maar we kunnen het niet geloven, of misschien willen we het niet geloven, en toch het is waar — dat is het werkzame mechanisme in Yodok Stories, een film in de categorie movies that matter, zoals de geëngageerde, politieke of ‘mensenrechtenfilm’ heet in het jargon van het International Documentary Film Festival (Idfa). Dat is toch wel een treffende typering. ‘Films die een verschil maken’, of ‘noodzakelijke films’. Broodnodige films, zou je kunnen zeggen, zeker voor de direct betrokkenen. Getuigenis afleggen voor de camera is een belangrijk stijlmiddel in deze documentaires, die als medium dienen om schendingen van mensenrechten aan de kaak te stellen of als pressiemiddel om verandering in dictaturen teweeg te brengen. Dit soort films vallen dit jaar op het Idfa te meer op door recente gebeurtenissen in de landen waar ze gemaakt zijn, onder meer Peru, Birma en Noord-Korea. In een aantal films blijkt evenwel dat waarheidsvinding of journalistieke verdieping niet eens het belangrijkste motief is. Eerder staan de slachtoffers centraal, en dienen de geopenbaarde ‘feiten’ als uitlaatklep voor onbeschrijflijke, lang opgeborgen gruwels.
Dat is ook het geval in Lucanamarca (Peru, 2008) van Carlos Cárdenas en Héctor Gálvez, waarin het onderzoek van een waarheidscommissie naar de misdaden van Abimael Guzman en het Lichtend Pad in Peru begin jaren tachtig voor het voetlicht komt. Op 3 april 1983 doodden de communisten 69 inwoners van het dorpje Santiago de Lucanamarca. De massamoord vond plaats nadat het Lichtend Pad het dorpje had ingenomen. De bewoners werden op grote schaal geïndoctrineerd: welvaart en gelijkheid met de moderne wereld zouden volgen. Natuurlijk kwam er niets van terecht. De vlam sloeg in de pan toen de dorpelingen, wellicht uit gevoelens van machteloosheid, een sympathisant op het plein omsingelden en op gruwelijke wijze vermoordden. Het Lichtend Pad nam daarop wraak. De slachtoffers, waaronder vrouwen en kinderen, werden in een massagraf buiten het dorp begraven.
In Lucanamarca proberen Cárdenas en Gálvez het verhaal van het dorpje op nuchtere wijze te vertellen. De misdaden staan centraal, maar de film gaat ook dieper. De makers proberen met een observerende blik de slechte economische en maatschappelijke situatie van de dorpelingen over het voetlicht te brengen. Ze gebruiken een statische camera die registreert. Veel meer dan dat lijkt niet nodig. Net als in Yodok Stories vertellen de beelden van mensen die onuitsprekelijke wandaden onthullen genoeg. Door de film lijken de inwoners een proces van catharsis te ondergaan. Lucanamarca is een ‘cinematografische waarheidscommissie’ naast de echte waarheidscommissie.
Waar het beeld in Lucanamarca en Yodok Stories ‘tweedehands’ is, door de getuigenis, maar ook door de musical, die een gedroomde versie van de feiten is, daar reflecteert de camerablik in Burma VJ: Reporting from a Closed Country (Anders Ostergaard, 2008), de echte, ongemedieerde werkelijkheid. De film bestaat uit digitaal opgenomen materiaal van undercover-reporters die verslag deden van de opstand tegen de dictatuur in september 2007. Deze manier van verslaggeving door vj’s of ‘videojournalisten’ lijkt aan populariteit en invloed te winnen. Een teken aan de wand zijn de jonge Palestijnen die recent in het nieuws kwamen doordat ze met gevaar voor eigen leven geweldsmisdaden van joodse kolonisten op video vastlegden. Hier fungeert de camera als wapen, als laatste redmiddel. Dat vormt de basis voor een nieuw soort documentaire. Tegen recente ontwikkelingen in het genre in, waarbij documentairemakers als Michael Moore zich van de conventies van de fictiefilm bedienen, willen de nieuwe vj’s zo snel, goedkoop en makkelijk mogelijk schrijnende realiteiten in beeld brengen. Zonder opsmuk, zonder ‘thema’, zonder ‘verhaal’. Raw footage – dat is het doel. En wanhoop is vaak de drijvende kracht. De documentaire vormt zich zo om tot guerrillatekst, waarbij het onderwerp zo tastbaar en echt mogelijk in beeld moet komen. Deze benadering heeft iets revolutionairs, want zo groeit er een nieuwe beeldtaal die ook doorsijpelt naar de gevestigde media die graag gebruikmaken van de rauwe beelden. Want die zijn echt, en echt is waar het nu om gaat, om het zoeken naar de kern, de oorsprong van nieuwsfeiten.
En toch, ook in Burma VJ is er een spanning voelbaar tussen waarheid en de camera, tussen feiten en het beeld. Volgens de regisseur zijn sommige scènes achteraf nagespeeld, bijvoorbeeld die waarin de leider van de vj’s in beeld komt terwijl hij via gsm en satellietverbinding contacten onderhoudt met eigen medewerkers in de straten van Rangoon en internationale nieuwszenders die de guerrillabeelden uitzenden tijdens de protesten van september 2007. In Ostergaards film zien we dezelfde beelden, maar dan onversneden. Door de visuele ruwheid krijgt de film een eigen esthetiek. Hierbij gaat het niet om de welbekende wiebelende camera die ‘echtheid’ moet suggereren. Eerder betrekt de subjectieve camera de kijker bij de handeling door het gedeelde perspectief. Maar het gaat ook verder. Ook de camera als object neemt een steeds belangrijker plaats in de film in. Het zijn beelden gemaakt met een camera die de vj tijdens de straatprotesten moet verbergen om niet te worden gearresteerd door de stormtroepen van de junta. Zo ontstaat er een band, niet alleen tussen kijker en beeld, maar ook tussen kijker en participant/personage.
Er kwam geen revolutie in Birma, en vandaag de dag zijn ze misschien terug bij af in Rangoon. Maar de rauwe, emotionele beelden beklijven. En dat is onthutsend. En vernieuwend. Dat blijkt het best tijdens de mars van de boeddhistische monniken. Een van de vj’s loopt met een camera verstopt onder zijn arm. We zien de gezichten, bijna in close-up, van gewone mensen op straat die applaudisseren en juichen. Zo dichtbij zijn ze… En dan waagt de vj zijn leven: hij zwaait de camera naar boven, alsof hij een wapen trekt, en richt de lens naar waar honderden mensen op de daken van gebouwen staan om de monniken te ondersteunen. Ze zwaaien met hun vuisten. En voort marcheren de monniken, de vj en wij. Want we zijn erbij, voor het eerst.

Idfa, 20 t/m 30 november in Amsterdam, met dagelijks een documentaire uit Movies that Matter, het programmaonderdeel over film en mensenrechten