Brubeck telt weer meer

‘Recensenten zijn net schapen’, zei Dave Brubeck twee jaar geleden verwijtend. En niet ten onrechte. De muziekpers negeerde hem jarenlang omdat hij te ‘commercieel’ zou zijn. Maar sinds kort lijkt er sprake van een eerherstel voor deze verguisde jazzpianist
BIJNA TWEE decennia geleden, toen ik mijn eerste jazzartikeltjes schreef, stond ik in het Bimhuis te praten met een paar jazzdeskundigen. Beter gezegd: zij spraken, ik luisterde. Want ik kwam net van de middelbare school en zij waren grijze eminenties. (Achteraf gezien moeten ze in de dertig zijn geweest.) Ik hield mij vol ontzag op de achtergrond, tot de naam van Dave Brubeck viel. Ik greep mijn kans en zei prompt, zo achteloos mogelijk: ‘Daar wil ik mijn tijd niet aan verspillen.’ Opeens leken de heren mijn aanwezigheid op te merken. Ik hoorde wat goedkeurend gemompel, kreeg een schouderklopje en werd geprezen om mijn goede smaak. ‘Dat jochie heeft ’t begrepen’, zei iemand.

Het is mogelijk dat ik mij op dat moment even afvroeg of zo'n opmerking wel terecht was. Ik kende een paar lp’s van Brubeck uit de jaren vijftig en die klonken helemaal niet zo beroerd. Maar veel kans om daarover na te denken kreeg ik niet, want de jazzwereld bood destijds veel afleiding. Helden als Miles en Dizzy waren nog in leven en de Nederlandse avant-garde manifesteerde zich luidruchtig.
Hoe dan ook, het was bon ton om zoveel mogelijk op Brubeck af te geven. Als je Max Roach’ experimenten met afwijkende maatsoorten besprak, dan zei je daar meteen bij dat die veel interessanter waren dan Brubecks pogingen in die richting. Succes verzekerd. Je kon niet over Paul Desmond - altsaxofonist in het Dave Brubeck Quartet - schrijven zonder op te merken dat hij helaas jarenlang zijn tijd had verspild in het ‘lucratieve’, 'commerciele’, dan wel 'populaire’ Dave Brubeck Quartet.
Uiteraard hadden al die adjectieven een negatieve betekenis. Want een jazzmuzikant behoorde arm en onbegrepen te zijn, daar waren de welgestelde jazzfans het over eens. Als hij zonder problemen de huur kon betalen, was hij automatisch 'commercieel’, waarmee werd bedoeld dat hij zijn muziek aanpaste aan de smaak van 'het grote publiek’.
Kijk maar naar de ooit zo 'populaire’ Chet Baker: pas toen hij in de jaren tachtig als heroineverslaafde door Europa zwierf, zonder bankrekening en zonder vaste woon- of verblijfplaats, kreeg hij gunstige kritieken. Hij was toen niet meer 'commercieel’ maar 'onderschat’, zoals iedere fatsoenlijke artiest. De critici hadden gelukkig niet in de gaten dat de immer sjofel ogende trompettist eigenlijk heel aardig verdiende.
In de loop van de jaren negentig hebben allerlei ooit verguisde jazzmusici eerherstel gekregen. De gerenommeerde scribent Gene Lees schreef een biografie over Oscar Peterson, Tony Bennett werd vereerd met een interview in Het Parool en zelfs de Dutch Swing College Band wordt soms serieus genomen.
De eerste positieve geluiden over Brubeck vond ik in de gezaghebbende cd-gids The Penguin Guide to Jazz van 1992: 'Often derided as a white, middle-class formalist with a rather buttoned-down image and an unhealthy obsession with classical parallels and clever-clever time signatures, Brubeck is actually one of the most significant composer-leaders in modern jazz.’
Vanwaar deze milde woorden? De jazzwereld kan het zich niet meer veroorloven om stiefmoederlijk met zijn helden om te gaan; er zijn er namelijk te weinig van. Belangrijk is ook dat de tijd van de grote zekerheden voorbij is. Er is een periode geweest waarin alleen zwarte musici meetelden in de jazz, waarin blanken slechts parasitaire imitatoren waren en waarin iedere populaire muzikant werd beschuldigd van artistieke prostitutie. Zo zijn talloze dogma’s gekomen en weer verdwenen.
ENFIN, BRUBECK dus. De labels brachten naar aanleiding van zijn vijfenzeventigste verjaardag - 6 december vorig jaar - een serie cd’s uit. Ik kreeg opeens tien heruitgaven uit de jaren 1954-1970 en een cd met recente opnamen thuisgestuurd. Zo'n cd-geweld kun je niet negeren, dus besloot ik, steekproefgewijs, even een paar fragmentjes af te draaien. Twee dagen later had ik alle elf cd’s in hun geheel beluisterd.
Daarbij viel vooral op dat Brubeck en Desmond over een strikt persoonlijke, avontuurlijke improviseertrant beschikten. Deze eigenschap wordt maar zelden opgemerkt in de jazzliteratuur; daarin kom je - naast de gebruikelijke hatelijkheden - hoofdzakelijk opmerkingen tegen over Brubecks vreemde maatsoorten en zijn gewoonte om in logge blokakkoorden te soleren.
Die afwijkende maatsoorten zijn echter niet zo essentieel, hoewel vooral Desmond weet te imponeren met het bedrieglijke gemak waarmee hij hierover zijn solo’s blaast. De gewraakte blokakkoorden zijn al evenmin prominent aanwezig, zeker in het vroege werk. Echt storend is het akkoordengebonk alleen op Live at The Berlin Philharmonie, een dubbel-cd met werk uit 1970. Brubeck heeft overigens die grove aanpak laten varen, zo blijkt uit Young Lions & Old Tigers, de cd waarmee de bejaarde, broze pianist zijn vijfenzeventigste verjaardag vierde.
Maar dat is allemaal van secundair belang. Op hun beste momenten zijn Brubeck en Desmond volstrekt individuele improvisatoren met een afkeer van gemeenplaatsen. Ze streven ernaar iedere solo op een nulpunt te beginnen. Beiden houden zich min of meer aan de voorschriften van de conventionele jazz maar spelen soms lange, kronkelige frasen die alle maatstrepen en akkoordovergangen lijken te negeren.
PAUL DESMOND, die bijna twintig jaar terug aan longkanker overleed, was een van de weinige altsaxofonisten van zijn generatie die niet Charlie Parkers felle geluid en razende bebop-loopjes naspeelde. Hij had een licht, bijna laconiek toontje - 'I try to sound like a dry Martini’, zei hij ooit - en improviseerde in elegante melodietjes zonder hemeltergende emotieuitingen. Als hij op dreef was, kon hij bijzonder lang doorsoleren zonder een inzinking, getuige 'Balcony Rock’, het openingsnummer van Jazz Goes to College en 'Tangerine’, dat te vinden is op de dubbel-cd Jazz Collection, een compilatie met werk uit de jaren 1954-1970.
Brubeck voorzag hem van een ideale begeleiding. De pianist luisterde aandachtig, speelde matenlang niets en drukte dan opeens een paar behulpzame akkoorden in als Desmond dreigde te ontsporen. Wanneer de altist een beetje aan de oppervlakte bleef hangen, speelde hij pesterige losse nootjes om Desmond te dwingen ter zake te komen.
De pianist zelf soleerde zonder virtuoos vertoon: in simpele motiefjes en kleine samenklankjes. Soms begon hij opeens in een andere maatsoort te spelen dan de ritmesectie. Dan klonk hij, volgens het maandblad Jazz Nu, 'als een stoomschip dat onverwacht de route verlegt en dwars tegen de stroom in gaat varen’.
De critici hebben Brubeck verweten dat hij niet kon swingen in de reguliere vierkwartsmaat. Dat is niet helemaal terecht. De hoekige akkoorden uit de jaren zeventig en tachtig hadden een weinig fijnzinnig karakter, maar in zijn beste jaren kostte het swingen hem geen enkele moeite. Een zekere stijfheid - het gevolg van een gewrichtsaandoening - kenmerkt wel zijn tegenwoordige spel.
Volgens de jazzpers had Brubeck maar een goede eigenschap: hij was een vriendelijke, toegankelijke man die zijn liefde voor de 'serieuze’ jazzmusici niet onder stoelen of banken stak. De jarenlange boycot van de jazzelite heeft hem niet verbitterd gemaakt, hoogstens een beetje moedeloos.
Tegen een verslaggever van Jazz Nu zei hij in 1994: 'Er is eens een recensent bij me geweest om zijn excuses aan te bieden. Hij zei: “Ik verloor mijn objectiviteit (…).” Maar zijn recensie was al gepubliceerd en in Europa werd zijn verhaal overal gekopieerd. Recensenten zijn net schapen. (…) Als je een tijdje aan de top staat, ben je een gemakkelijke prooi. Of ik me dat aantrek? Natuurlijk. Wie vindt zoiets nou leuk?’
7 Aanbevolen cd’s op CBS/Sony: Jazz Collection, Jazz Goes to College, Jazz Impressions of New York, Gone with The Wind en Time Out. Op Telarc: Young Lions & Old Tigers.