Bruce’s donkere schimmenrijk

Bruce Springsteen is een van de beste verhalenvertellers die de popmuziek ooit heeft voortgebracht. En nog steeds is de man die vorige week 67 werd de beste live-artiest ter wereld.

Medium fk1 born 20to 20run hr 6

Deze zomer speelde hij op het Malieveld, voor 67.000 mensen, drie uur en 26 minuten lang. Het algehele ontzag voor de show was enorm (alle landelijke kranten bespraken het concert, en allemaal gaven ze vijf sterren), maar vooral klonk er een vraag in al die recensies door waarvan het fundament leek te berusten op ongeloof: in vredesnaam hóe? Hoe doe je dat, als zestigplusser een veld zo groot zo lang aan je lippen laten hangen, opzwepen en daarna weer in stilte smoren, met wat zoveel speelvreugde lijkt te zijn, zelfs na al die jaren? Waar zijn al die kwaliteiten op gestoeld?

Springsteen heeft er geregeld over verteld in zijn steeds sporadischer interviews, en er zijn talloze ongeautoriseerde biografieën óver Springsteen verschenen, maar het wachten was toch op het moment dat hij zijn eigen verhaal op papier zou zetten.

Hij begon met schrijven na een van de belangrijkste optredens van zijn leven: in 2009 mochten Springsteen en zijn E Street Band spelen in de pauze van de Super Bowl, het grootste sportevenement van het jaar in de Verenigde Staten. Bijna letterlijk het hele land kijkt. ‘35 jaar in twaalf minuten’, schrijft Springsteen. Hij kende het belang ervan: ‘Sinds het ontstaan van onze band is het onze ambitie geweest om voor iedereen te spelen. We hebben veel bereikt, maar dat laatste nog niet. Ons publiek was altijd van dezelfde stam… dat wil zeggen: grotendeels blank. Af en toe, bijvoorbeeld bij de inauguratie van president Obama, tijdens de tour door Afrika in 1988, tijdens een politieke campagne, vooral die in Cleveland met president Obama, keek ik en zong ik Promised Land waarvoor ik het had bedoeld, voor jonge mensen, oude mensen, zwarte, blanke, bruine mensen, dwars door alle lijnen van religie en klasse heen. Zij zijn het voor wie ik nu zing. Nu zingen we voor iedereen.’

De stroefheid van deze zinnen ligt niet aan Springsteen, maar aan de vertaling. Als Springsteen zijn publiek toespreekt met ‘Is daar nog een levende ziel?’, houdt de vervreemding op wanneer je bedenkt hoe Springsteen zijn massa’s opzweept: ‘Is there anybody alive out there?’ Voor een deel is Springsteen, door en door Amerikaans ook in zijn taal, waarschijnlijk gewoon ronduit onvertaalbaar. Ook omdat je zijn taal al ként door zijn nummers, en hem dus hoort praten of zingen, en daar nu opeens een nasynchronisatie overheen hoort. Steve van Zandt is zijn ‘makker’. Je zou ‘buddy’ kunnen laten staan, maar dan was een groot deel van dit boek cursief gedrukt geweest. Nu niet. Nu is een groot deel van dit boek krukkige taal. Het is een keuze.

Want schrijven kan hij, verdomd goed zelfs, in een taal die soms lijkt op de Springsteen van zijn eerste twee albums: lappen van zinnen, met over elkaar heen buitelende bijvoeglijke naamwoorden. En dan weer als de Springsteen van later werk: met samengebalde zinnen, bondig en bol van de wereld die erachter schuilt. Zijn jarenlange ervaring in barbands (Springsteen gaat er prat op dat zijn E Street Band in de basis nog steeds een barband is) vat hij kernachtig samen in een amusante formule: ‘Vrouw + drank + man + drank + tweede man + drank = knokpartij’.

Medium fk1 born 20to 20run hr 8

Springsteen voldoet eigenlijk aan alle kenmerken van een rockster uit het boekje: een verstoorde vader-relatie, al op jonge leeftijd het gevoel nergens bij te horen met de bijhorende rebellie tegen elke norm, een neurotische aard, een bijna explosieve behoefte aan expressie. Wat Springsteen onderscheidt van al die anderen, naast zijn talent, is zijn overtuiging van zijn eigen kwaliteiten, al op verbijsterend jonge leeftijd, zijn bewustzijn van zijn zwakke plekken (hij is zeer kritisch over zijn eigen stem), en zijn vastbeslotenheid een invloedrijke loopbaan (‘Ik wilde in botsing komen met mijn tijd en een stem creëren die muzikale, sociale en culturele impact had’) te baseren op niets dan zijn eigen keuzes: ‘Democratie in een rockband is, een enkele uitzondering daargelaten, een tikkende tijdbom.’ Een langdúrige loopbaan moest het ook worden: met kracht verzet hij zich tegen de doodscultus van de rock-’n-roll, tegen de verraderlijke aantrekkingskracht van het oercliché ‘live fast, die young and leave a good-looking corpse’: ‘In de praktijk zit er voor een zanger en zijn songs weinig in, behalve dan een mooi maar niet geleefd leven, achtergelaten minnaars of minnaressen en kinderen, en een zes spaden diep gat in de grond.’

‘De gitaar! Het grootste instrument der verleiding dat de tienerwereld ooit had gekend’

Mooi is zijn beschrijving van de iconische momenten die hem de muziek in drijven: de eerste plaat van de Beatles, Elvis Presley voor het eerst op nationale televisie bij Ed Sullivan: ‘Toen het die avond voorbij was, na die paar minuten, toen de man met de gitaar verdween in een sluier van geschreeuw, zat ik als gehypnotiseerd voor de tv, verbijsterd. Ik had dezelfde twee handen, twee benen, twee ogen, ik was vreselijk lelijk, maar daar verzon ik wel wat op… dus wat ontbrak eraan? De gitaar! De sleutel tot alles, het zwaard in de steen, de heilige talisman, de staf der gerechtigheid, het grootste instrument der verleiding dat de tienerwereld ooit had gekend.’

Zijn katholicisme, dat talloze malen terugkomt in zowel de thema’s van zijn nummers (Springsteen omschrijft ze zelf als blues in de coupletten en gospel in de refreinen) als in zijn woordkeuze, ligt vanaf zijn jeugd diep in hem besloten: ‘Ik ontdekte een land van grote, ruwe schoonheid, van fantastische verhalen, van ondenkbare straf en oneindige beloning. Het was een glorieuze en pathetische plaats waarvoor ik gemaakt leek te zijn, of waarin ik precies paste. Het heeft me mijn hele leven vergezeld als een dagdroom.’

Vaak heeft Springsteen over zijn vader verteld, en gezongen. In zijn autobiografie schrijft hij: ‘In mijn nummers ben ik niet helemaal eerlijk geweest over mijn vader en heb ik hem neergezet als het archetype van een verwaarlozende, dominante ouder. Het was een _East of Eden-_achtige manier om mijn jeugdervaringen te “universaliseren”.’

Maar toch. De invloed van zijn vader en vooral van diens paranoia werkt lang door. Een van de meest aangrijpende scènes uit het boek is die waarin Springsteens vader hem boksles geeft, en hem opeens veel te hard slaat. ‘Ik wist dat hier iets gezegd werd. We waren in het donkere schimmenrijk terechtgekomen dat achter de vader-zoonrelatie ligt.’ Uiteindelijk oordeelt Springsteen vol mededogen over zijn vader, zoals eigenlijk over iedereen, zelfs over manager Mike Appel die hem het slechtste contract denkbaar liet tekenen. Maar de schaduw van de man ligt over zijn hele leven. Voordat Springsteen uiteindelijk trouwt met Patti Scialfa twijfelt hij lang: ‘Mijn vader had subtiel de boodschap doorgegeven dat het hebben van een vrouw, een gezin, je verzwakt, ervoor zorgt dat je je naakt en kwetsbaar voelt.’

Springsteen neemt meer van zijn vader over dan hij zou willen: zelf kampt hij ook met terugkerende, zware depressies. Het lukt hem erg goed daar woorden aan te geven, zoals ook aan zijn eigen vaderschap, zijn vriendschappen, zijn liefdesleven, de albums die hij zelf het belangrijkst vindt en die dat ook zíjn, namelijk zijn albums met een samenhangend verhaal.

Het is de beschrijving van de levenslange schaduw van zijn vader die duidelijk maakt wat de meest cruciale verklaring is voor Springsteens even manische als magische, door niemand ter wereld geëvenaarde live-energie. Alleen daar, op dat podium, ervaart hij iedere avond ‘een levensvullend, geestverruimend, uitputtend, geestversterkend, cathartisch genoegen en voorrecht’. Alleen daar komt de zon werkelijk binnen, verheft hij en wordt hij verheven ‘op een manier die niet kan worden verklaard, alleen ervaren’. Alleen op het podium stapt Bruce Springsteen werkelijk uit zijn duistere schimmenrijk.


Beeld: Bruce Springsteen rebelleerde tegen elke norm (Privé-collectie Bruce Springsteen)


Beeld: 1973 (Art Maillet)