Perquin

Brug

Tijdens een groot diner kwam ik tegenover een schrijfster te zitten die ik niet kende, maar die me heel vrolijk aankeek en zei: ‘Zo, dus jij hebt een dooie vader?’ Ik vond dat een vreemde openingszin, aangezien we ons nog niet eens aan elkaar hadden voorgesteld. Ik stak dus mijn hand uit en schudde de hare. ‘Nou’, zei ze, ‘vertel!’ Toen viel ik stil. Over de dood van mijn vader kan ik luchtig zijn (iedere verjaardag roep ik: ‘En weer geen kaart van papa!’) maar die luchtigheid had zij zich dus al toegeëigend. Alsof we oude vriendinnen waren die de laatste roddels door gaan nemen. ‘Dus jij bent met F. naar bed geweest? Meid, vertel!’ Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik keek haar alleen maar aan. Dit komt, dacht ik, omdat ze mij dat ene gedicht heeft horen voordragen. Dat gedicht over de dood, die door mijn vader in zijn beste pak wordt opgewacht. Misschien denkt ze wel dat ik er graag over wil praten. Misschien probeert ze aardig te zijn, op een nogal voortvarende manier. Maar ze zag er niet aardig uit, vond ik. Ze zag er alleen gretig uit. Ik dacht aan Sjoerd, een jongetje dat vroeger bij mij in de klas zat. Ik weet dat hij elke zaterdag de Zeelandbrug op fietste, ook met regen en tegenwind. Halverwege zette hij dan zijn fiets tegen de reling om naar de Oosterschelde te kijken. Precies op de plaats waar zijn moeder gesprongen was. ‘Ik ga niks tegen haar zeggen’, vertelde hij mij, ‘want dat vind ik stom. Ze is daar niet meer. Ik wil alleen het water zien en verder niks.’ Sjoerd was de enige die ik iets over mijn vader vertelde. Over het begin en over het einde. En hij vertelde over zijn moeder. Het waren geen treurige gesprekken, geloof ik. We wisselden gewoon verhalen uit, zoals andere kinderen flippo’s ruilden. Ik weet niet hoe lang ik de schrijfster heb aangekeken. Behoorlijk lang, denk ik. Ze stond uiteindelijk op om een drankje te halen en kwam niet meer terug. Waarschijnlijk had ze ergens een verhaal ontdekt.