Brug-der-Zuchten op wielen

Op verschillende stations heb ik ze al gezien, vleugelpiano’s waar het publiek vrijuit op mag tingelen.

’s Ochtends verschijnen er de munttheemeisjes die met gesloten ogen wegzwijmelen als ze de soundtrack van Amélie of Intouchables uitstrooien. ’s Nachts zijn er de akkoorden-raggende, niet-meer-zo-broodnuchtere-singer-songwriters-in-de-dop, die ineens opspringen om de laatste trein te halen.

Laatst stond er in Den Haag een halve cirkel van swingende Antillianen die er een waanzinnig feest van maakten. Reggae, hiphop, jazz… Ik ging er spontaan bij vingerknippen, wat toch echt wel de maximale fysieke respons is die muziek bij mij kan loskrijgen.

Ik moest denken aan de violist Joshua Bell die tien jaar terug een experiment uithaalde. Met z’n baseballcap en z’n spijkerbroek stond hij in een metrostation van Washington DC op z’n Stradivarius te krassen. Drie kwartier. Geen hond die luisterde. Alleen de kinderen bleven staan, weggesleurd door getergde ouders. Het filmpje ging viral, zoals dat heet. En de verzamelde cultuurpessimistische pers ging er fel op los. Zie je wel! De wereld was totaal ongevoelig voor klassieke muziek geworden. Kunst is parels naar de zwijnen werpen. Alleen de onbedorven kinderen zijn er nog ontvankelijk voor.

Dat laatste is het gemakkelijkst te weerleggen. Ik weet uit ervaring dat kinderen even graag stilstaan bij een topviolist als bij iemand die zonder tanden op een kleedje panfluit speelt met een McDonald’s-bekertje naast zich.

Maar dan het cultuurbarbarisme der forenzen. Stel je voor hoe het zou zijn als iemand er de sonnetten van Shakespeare zou staan declameren, of een roman van Murakami. Of stel je voor dat iemand er een doek van Vincent van Gogh omhoog zou houden. Natuurlijk reageert daar geen hond op. Kunst kan alleen z’n werk doen in een specifieke context die concentratie en aandacht afdwingt.

En toch. Ik heb meermaals bij een uitvoering van de Matthäus Passion gezeten en al een aria of drie vooraf gedacht: straks krijgen we het hoor. Ha, het Erbarme dich! Maak je traankliertjes maar nat. En als het er was, stelde het teleur. Je weet te veel wat je wilt voelen, wat je geacht wordt te voelen, en daarmee heb je de aria beroofd van de sluiptenen en de klauwen om je onverwacht te grazen te nemen.

Wil kunst werken, dan moet er iets in zitten wat je juist niet wil

Wil kunst werken, dan moet er iets onverhoeds in zitten. Wil kunst werken, dan moet er iets in zitten wat je juist niet wil. Maar ja, als je helemaal nergens op voorbereid bent, werkt het ook niet, in elk geval niet in de ochtendspits van een miljoenenstad zoals Joshua Bell bewees.

Laatst fietste ik langs het Scheveningse strand waar de zon met een uitbundig, lichtelijk vulgair vertoon van kleuren aan het ondergaan was. Naast me verscheen ineens een politiebusje, stapvoets rijdend, en ik kreeg dat schokje schuldgevoel, zwak maar onmiskenbaar, als een kruid in een saus. Bij de rotonde, waar het busje linksaf de stad tegemoet moest rijden bleef hij stilstaan.

En door dat simpele gebaar werd ik meer geraakt dan die zonsondergang zelf. De chauffeur had, zo stelde ik me voor, besloten dat de gevangenen die hij naar hun cellen bracht nog één keer dit onsterfelijke uitzicht over zee mochten indrinken met hun ogen. Het busje was een Brug-der-Zuchten op wielen, en mijn ontroering kwam voort uit de juiste houding. De zee had mij ontvankelijk gemaakt voor de onverwachte samenkomst van een busje vol boeven en een zonsondergangsgloed.

Er is een delicate balans nodig tussen niet-verwachten en voorbereid zijn. De houding van de kunstbelever moet, kortom, een echo zijn van die van de maker: niet hebberig op jacht naar mooie invallen, maar alert genoeg om ze op te merken als die zich aandienen. Eigenlijk precies zoals mij dat vroeger bij het versieren van meisjes werd aangeraden: niet te happig zijn, doen alsof je helemaal niet op jacht was; never go out with a loaded gun – dat werk. Daar was die balanceeract al hoegenaamd onuitvoerbaar.

De swingende Antillianen verzamelden al gauw een kringetje toehoorders, waaronder een echtpaar van, ik gok, zeventig. De vrouw maakte zich tijdens het applaus ineens los van haar man, stapte op de pianist-zanger af. Of ze ook even mocht. En omringd door een cirkel Antillianen die voor haar de maat klapten, en een halve stationshal vol publiek speelde ze, wat onbeholpen, de Rondo alla Turca van Mozart. Ik heb dit als kind veel gespeeld, en zij ook, begreep ik nu.

Het trotse, triomfantelijk blije gezicht waarmee ze, na een high five met de leadzanger van het gezelschap, terugliep, raakte mij meer dan de beste uitvoeringen van Joshua Bell.