Bruine landweggetjes en een luchtballon

ELIZABETH NOBEL
ZONDER
De Geus, 283 blz., € 19,90

Waarom zou je een roman lezen? Om iets te weten te komen: hoe anderen leven, denken, dromen, hoe anderen in de wereld leven en ernaar kijken. Dit klinkt plausibel maar berust op een misverstand. Romans zijn geen vehikels van waarheid, goedheid of schoonheid, maar proberen illusies daarover bij lezers in stand te houden. Dit is geen zwaktebod, maar juist de kracht van romans. Illusies overeind houden, of vernietigen, dat doen ze, en dat is dus heel wat.
Welke illusie probeerde Elizabeth Nobel in haar nieuwste roman te creëren? Dat het mogelijk is via een melodramatisch verhaal opvattingen over mensenlevens in stand te houden. Bij mij sloeg het allemaal niet aan, ik raakte steeds verder weg van haar personages. Ze gingen me benauwen, misschien is dat het woord. Ik voelde me naarmate haar roman vorderde steeds meer in het nauw gedreven omdat Nobel ze steeds meer onderdompelde in een bad van melodrama. Oud worden, dementie, liefdesverdriet, incest. Uitgespeld, uitgemeten en ingevuld. Daar gaan we weer, dat gevoel. Ik hoop altijd bij een roman, al is het maar af en toe, op een bevrijdend detail, een verwilderde blik, een zin, iets waarbij je ineens denkt: ja, zo is het. Maar deze roman opende geen hoog licht op mijn eigen illusies, bevrijdde me niet, al was het maar tijdelijk, uit mijn vaste denkschema’s, maar dwong me er steeds verder binnen te gaan. Doffe ellende. Goede Tijden Slechte Tijden.
Op een dag verdwijnt Jack Westra uit het leven van drie vrouwen met wie hij een relatie heeft. Marjan, pottenbakster, met een groot verdriet, Natasja, toneelspeelster met een zieke man thuis en Dominique, ongelukkig meisje met incestverleden, scholiere nog. Ze zijn alle drie verslaafd aan Jack Westra, was hij er maar, dan waren ze gered. Maar waarom is die Westra zo interessant? ‘Hij keek haar indringend aan en begon haar uit te vragen. Zijn donkerblauwe ogen, die doorregen waren met bruine landweggetjes, fascineerden haar en ze antwoordde als vanzelf, vertrouwde hem van alles toe, zonder zich af te vragen waarom ze zo veel aan een vreemde vertelde.’ Afgezien van die merkwaardige ‘bruine landweggetjes’, ja, zou ik zeggen, ja, zo gaat dat in het melodramatische liefdesboek. De indringende vreemdeling, de fascinatie, het je-ne-sais-quoi, het vertrouwen, de liefde.
Dit snap ik allemaal, ik ken mijn klassieken, maar dan blijkt die Westra verderop in het boek niet veel meer dan iemand die ‘zichzelf’ wil zijn, weet je wel, die vrolijk door het leven huppelt en anderen uitnodigt ook zichzelf te zijn. Hij geeft Dominique bijvoorbeeld tekenles. Die maakt een keurige tekening waarop Westra haar verontwaardigd toevoegt: ‘Wat is dit? Je aapt Dalí na? Dat hebben er al zoveel gedaan.’ Vervolgens maakt ze een ander werkstuk: ‘Ze begon lukraak plakkaatverf op haar papier te smijten, mengde die tot de smerigste kleuren en bracht ze naast en over elkaar heen.’ En Westra vindt het ineens geweldig: ‘Hij hield haar werkstuk in zijn hand. Stralend boog hij zich over haar heen. “Ja, dat is het! Schitterend.”’ En hij meent het nog ook en een paar dagen later staat ze reeds naakt voor hem te poseren. Ik bedoel maar. Misschien moet ik in mijn recensies ook veel vaker schrijven dat een boek schitterend is, wie weet wat er dan allemaal gaat gebeuren.
Nobel heeft te veel gewild. Ze brengt drie vrouwenlevens op de planken waarbij eentje al meer dan genoeg zou zijn geweest voor een pakkende roman. Nu worden we om de oren geslagen met weinig uitgewerkte schema’s rondom incest, ziekenverpleging en een nare jeugd. Ook nog gelardeerd met nauwelijks uitgewerkte opvattingen over theater en kunst. Toneelspeelster Natasja blikt bijvoorbeeld in volle ernst als volgt terug: ‘Zoals ze erop terugkijkt, was het de mooiste tijd van haar leven. De nieuwe ontwikkelingen in de maatschappij, de verhitte discussies, het gevoel dat er geschiedenis werd geschreven. De vrijheid. Bij het opstaan niet weten hoe de dag zou eindigen.’ Te weinig details, lange-halen-gauw-thuis-proza is dit.
En dit alles dus in het dramatische jargon van verdriet, eenzaamheid, grote gevoelens, wanhoop. Waarbinnen erotische scènes sterk lijken op verre reizen met een luchtballon. ‘Ze zou hem willen omvatten en in zich opsluiten. De tijd had opgehouden te bestaan. Hier wilde ze blijven, hier in het luchtledige.’ Met stukjes proza als dit: ‘Zou het kunnen zijn dat hij leed onder de veronderstelling dat zij hem had afgewezen, dat zij degene was die niet meer wilde vrijen? Je persoonlijkheid verliezen. Je moet je alleen al door je eigen zelf in de steek gelaten voelen. Verwijt hij haar dat ze hem niet is gevolgd in zijn gekte? Trouweloos.’ Allemaal grote woorden die zeker grote gevoelens proberen te omvatten, Juist dat is een probleem van deze roman: er is te veel geëxpliciteerd, te weinig aan verbeelding en illusies van lezers overgelaten. Dit is een invuloefening.