Bruinsnuits zwijgen

Op mijn vijftigste wist ik het zeker: er is iets met mijn leven misgegaan, ondanks alle uiterlijke successen. Onlustgevoelens, matheid… nooit werd ik meer wakker met het gevoel: Heerlijk, een nieuwe dag!

Wanneer ging het fout? vroeg ik mij af. Van mijn Rotary-vrienden, die in een vergelijkbare situatie de psychiater hadden geraadpleegd, wist ik dat ik in mijn prille jeugd moest graven. ‘Ben ik wel of niet uit liefde geboren?’ vroeg ik dringend, terwijl ik de oudjes bij hun nekvel hield. 'Hebben jullie me genoeg warmte gegeven?’ Zij zwoeren van ja, maar binnen vierentwintig uur waren zij dood. Dat zei mij genoeg.
Nu zat ik met de gebakken peren. Ik was enig kind geweest en had niemand meer die mij kon helpen mijn herinneringen op te frissen. Gelukkig was mijn kinderkamer in het herenhuis, dat ik erfde, nog intact. Daar, op mijn bedje, zat beer Bruinsnuit, de makker uit mijn kleutertijd. 'Wat heb je me aangedaan!’ snauwde ik hem toe. Ik trok hem zo hard aan zijn oor dat het stiksel losliet. 'Doe niet of je doofstom bent! Hebben we vroeger niet uren en uren met elkaar gekletst? Wat ben je veranderd! Wat is er met je? Schiet op, stort je hart uit! Ben ik je beste vriend, of niet? Kijk niet zo chagrijnig! En verwijt me niet dat ik je al die jaren heb verwaarloosd… Kan ik er wat aan doen dat ik nu groot ben en zestig mensen onder me heb? Zeg eindelijk iets! Je maakt me aan het huilen! Ach, je hebt gelijk, het is mijn schuld dat je niet kan praten. Dat komt omdat ik het spelen ben verleerd.’