Reportage over een stadshype

Brussel, het nieuwe Berlijn

Mei is de maand van het Kunstenfestivaldesarts in Brussel, dat behoort tot de meest innovatieve podiumfestivals ter wereld. Ondanks de politieke impasse die België gijzelt ontwikkelt de hoofdstad zich tot een onverwachte kunstmetropool.

KUNST IS als onkruid. Ze schiet omhoog op plekken waar de politieke structuur barsten begint te vertonen. Zo was het in Berlijn in de jaren negentig, waar de beeldende kunsten en het theater bloeiden na de val van de Muur. Nu de krakers in Prenzlau en Kreuzberg definitief zijn verdreven door kinderwagens, en men in de Tiergarten op zomerdagen niet langer de Navo-vlag maar de barbecue in de brand steekt, is de avant-garde opnieuw ontheemd. Terugkeren naar New York, de artistieke hoofdstad van de jaren tachtig, lijkt geen optie. De levenskosten zijn er simpelweg te hoog. Beginnende choreografen en regisseurs kunnen nu eenmaal geen 750 dollar huur per week betalen.
Een verhuizing naar Brussel, de vuile maar altijd levendige hoofdstad van België en Europa, behoort wél tot de mogelijkheden. De misdaadcijfers, voorzover bekend, kunnen tippen aan die van New York voor de komst van zero tolerance. Ook wat politieke instabiliteit betreft zit het in Brussel wel goed: Europa kent een constante aanwas van nieuwe lidstaten, wat voor de stad een constante instroom van nieuwe bewoners betekent. Immigranten vinden in de stad een tolerante, of beter een onverschillige woonomgeving. En ondertussen valt België van de ene constitutionele crisis in de andere. Als Brussel er niet was geweest, omringd door het grondgebied van Vlaams-Brabant, dan was België al lang gesplitst. Net zoals met Fortis Bank gebeurde nadat Wouter Bos een citytrip naar Brussel had geboekt. De bank is nog altijd een belangrijke werkgever en grond- en gebouwenbezitter in de stad.
Brussel staat in de belangstelling van kunstenaars. In Berlijn is er momenteel zelfs een heuse hype gaande omtrent de Belgische stad. Dat zegt Dagmar Pelger, een architect die eind 2008 uit Kreuzberg verhuisde naar Schaarbeek, een van de negentien gemeentes van Brussel. Volgens Pelger heeft Brussel nog het ruwe en oningevulde dat Berlijn eind jaren tachtig zo aantrekkelijk maakte. Pelger: ‘Neem Wiels, het nieuwe centrum voor hedendaagse kunst achter het Zuidstation, waar momenteel de solotentoonstelling van Luc Tuymans plaatsvindt. Het gebouw is een oude brouwerij, een modernistisch monument dat onlangs gerenoveerd werd. Het ligt compleet buiten het centrum, los van de galeries die zich nu nog wat braafjes concentreren op de as die van de Dansaertstraat in de benedenstad naar de chique Zavel en de Louizalaan loopt. Je moet echt je best doen om er te komen.’ Op de opening van de Tuymans-tentoonstelling ontmoette Pelger een koppel typische ‘Berlin-Mitte-mensen’. Ze hadden goede verhalen over de stad gehoord en waren maar meteen een weekendje poolshoogte komen nemen: ‘Ze leken niet goed te weten wat ze met al die schmutziggraue straten moesten aanvangen, vroegen of ik wist in welk café ze een goede latte macchiato konden drinken.’ Pelger merkt op dat Brussel in vergelijking met Berlijn minder gecontroleerd is en vaak zelfs schokkend inefficiënt. Lachend: ‘En juist deze stad slaagt erin, zonder daar schijnbaar beleid voor te ontwikkelen, dat te bereiken waar alle andere Europese steden van dromen: een broedplaats worden voor jong kunsttalent.’

JE ZOU KUNNEN stellen dat het voor Brussel allemaal begonnen is in New York. Daar ging de 21-jarige Anne Teresa De Keersmaeker in 1981 studeren aan de befaamde Tish School of the Arts. Terug in België richtte ze de dansgroep Rosas op, die furore maakte op de internationale podia. De Keersmaeker werd de aanvoerster van de zogenaamde ‘Vlaamse golf’, waar verder onder anderen kunstenaar-theatermaker Jan Fabre en choreograaf Alain Platel deel van uitmaakten. Een decennium later, in 1995, vestigde De Keersmaeker in Brussel de Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.), een nieuw type dansschool met een sterk intermediale inslag. Studenten moesten er niet alleen hun dansen verbeteren, maar ook hun denken. Audities vinden inmiddels plaats over de hele wereld en er worden beurzen verstrekt aan studenten die het lesgeld niet kunnen betalen. Door P.A.R.T.S. en de toestroom van buitenlands talent bloeiden de podiumkunsten in de stad op. De jaren negentig lieten de doorbraak zien van Wim Vandekeybus met zijn danscompagnie Ultima Vez, van Jan Lauwers met Needcompany en van Meg Stuart met Damaged Goods. De laatste jaren dienden zich hun opvolgers aan, met groepen als Deep Blue en Peeping Tom, of dansers als Sidi Larbi Cherkaoui, die in 2008 door het Berlijnse tijdschrift ballettanz nog werd uitgeroepen tot choreograaf van het jaar. Hij is oud-student van P.A.R.T.S. en vaste bespeler van de Brusselse Muntschouwburg.
In opdracht van Sarma – een website die zich sinds 2000 richt op online danskritiek – deed Delphine Hesters onderzoek naar Brussel als internationale hoofdstad van de dans. Behalve de aanwezigheid van P.A.R.T.S. en een groot aantal professionele dansgezelschappen noemt zij nog andere factoren die hebben bijgedragen aan de status (‘If you make it in Brussels, you are a dancer’) van de stad. Ten eerste het ruime budget dat de Vlaamse gemeenschap sinds de jaren negentig beschikbaar stelt aan de podiumkunsten. Hiervoor komen ook buitenlandse dansers en theatermakers in aanmerking. In 2003 waren zelfs elf van de dertien subsidieontvangers in de categorie ‘dans’ afkomstig uit het buitenland. Het klimaat voor de podiumkunsten is daarmee gunstig en goed georganiseerd. De kunstencentra, zoals het Kaaitheater of de Beursschouwburg in Brussel, of, buiten de stad, de Vooruit in Gent en de Singel in Antwerpen, proberen mee te denken met de gezelschappen die ze programmeren. Kunstenaars waarderen bovendien de anonimiteit van de stad en het uitblijven van nationalistische claims of dominante culturen. Hesters tekende op: ‘Brussel is een stad waar je kunt verblijven zonder dat je hoeft te stoppen met onderweg te zijn.’
Daar komt dan nog bij dat Brussel een ongekende rijkdom aan theaters en concertzalen bezit. Het is het gevolg van de befaamde Belgische ‘wafelijzerpolitiek’, die ervoor zorgt dat federale investeringen in het Nederlandstalige deel gecompenseerd worden in het Franstalige deel. Zo werd in 1979 door Vlaamse Brusselaars het poppodium de Ancienne Belgique (AB) opgericht in het centrum van de stad, waarna de Franstaligen een paar jaar later eenzelfde podium stichtten in de Botanique, de monumentale serre die in 1823 werd aangelegd door de verfoeide Hollandse koning Willem I. Tegenwoordig zijn de kunsten een zaak van de gemeenschappen – respectievelijk de Franstalige en de Vlaamse gemeenschap – maar nog altijd lijkt er een culturele competitie te bestaan die wordt uitgevochten in het Brusselse stadshart. In 2004 openden twee volledig herbouwde Vlaamse theaters hun deuren, de Beursschouwburg en de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (KVS). Niet veel later ging op een steenworp afstand het Théâtre National van start op een nieuwe locatie aan de Jacqmainlaan. Onlangs bouwden de Vlaamse Brusselaars op de Varkensmarkt het jeugdtheater Bronks, de Franstaligen droegen hun steentje bij door een nieuwbouw toe te voegen aan de Brigitinnenkapel, een podium voor moderne dans. Naar verluidt zou de Franstalige gemeenschap ook nog graag een dansschool oprichten, de École Superieure de l’Art de la Danse.

MAAR KWANTITEIT is natuurlijk niet alles. In de stad schort het vaak aan kwalitatieve samenwerking tussen de twee taalgemeenschappen. Dat is geen kwestie van kwade wil. Sinds de Belgische staatshervorming in de jaren tachtig is het gewoon niet meer mogelijk een federale kunstinstelling op te richten, wat in de praktijk inhoudt dat institutionele samenwerking tussen Vlamingen en Franstaligen niet direct mogelijk is. In de loop der jaren is er tussen de Franstalige en de Vlaamse gemeenschap in België nog geen cultureel samenwerkingsakkoord gesloten, terwijl Vlaanderen wel akkoorden heeft afgesloten met bijvoorbeeld Nederland, Marokko en Zuid-Afrika. Vlaams minister van Cultuur Bert Anciaux, die warme banden met Brussel onderhoudt, heeft beloofd aan zo’n akkoord te zullen werken.
Om de oprukkende scheiding tussen de gemeenschappen tegen te gaan werd in de jaren negentig het Kunstenfestivaldesarts in Brussel opgericht, dat zich met name richt op theater, dans en film. De locatie werd bewust ingezet als politiek bindmiddel; oprichters Frie Leysen en Guido Minne kozen podia uit zowel het Nederlandstalige als het Franstalige circuit, waardoor toeschouwers aangezet werden zalen te bezoeken die ze normaa zouden mijden. Dat creëerde een ongekende mobiliteit onder zowel kunstliefhebbers als kunstenaars, vertelt Barbara Van Lindt, programmeur bij het festival. Ze benadrukt dat het festival een pioniersfunctie vervulde door consequent te zorgen voor boventiteling van de theaterstukken in het Nederlands en het Frans, en dat theatermakers en choreografen uit verschillende taalgemeenschappen werden gestimuleerd samen te werken.
Het festival is een artistiek succesverhaal, met een bezettingsgraad van meer dan negentig procent. Ook politiek gezien sorteerde het festival voorzichtig effect. Het bleek bijvoorbeeld wel degelijk mogelijk om een project op te zetten dat subsidies ontving van beide taalgemeenschappen – al protesteerden de Vlamingen dat ze te veel betaalden en zeurden de Franstaligen dat het een Vlaams feestje werd. Het festival kreeg navolging. Met name Nederlandstalige theaters besloten hun programma’s vaker van boventiteling te voorzien; de Koninklijke Vlaamse Schouwburg ging banden aan met zijn buurman, het Théâtre National. In 2002 werd het Brussels Kunstenoverleg opgericht, een samenwerkingsverband van alle kunstorganisaties in de stad die vanuit de Vlaamse gemeenschap worden ondersteund. Samen met de Franstalige evenknie (Réseau des Arts à Bruxelles) werd het tweejaarlijkse festival BRXLBRAVO gestart, dat dit jaar plaatsvindt in het eerste weekend van oktober. Een kunstenweekend waar 150 Brusselse kunstinstellingen zich presenteren, niet met drempelverlagend vertier, maar met avondvullende voorstellingen.
Barbara Van Lindt is trots op de navolging die het Kunstenfestivaldesarts heeft gekregen, maar ziet ook in dat de echte toenadering in de politieke wereld moet plaatsvinden. En daar is, zeker sinds de communautaire strubbelingen die het land kent sinds de federale verkiezingen van 2007, eerder plaats voor loopgraafspecialisten dan voor bruggenbouwers. Van Lindt: ‘Er zijn de laatste twee jaar kloven gecreëerd die nog nauwelijks te overbruggen zijn.’ In die zin blijft het Kunstenfestivaldesarts relevant, en wordt ook duidelijk waarom als thema dit jaar de term ‘kritisch optimisme’ wordt gehanteerd. Er valt echter veel voor te zeggen om die thematiek te concretiseren tot één prangende vraag, zeker in tijden van opkomend populisme, namelijk: ‘Wie is het volk?’ Dat is een vraag die de Vlaamse Brusselaars zich kunnen stellen, een minderheid die kan rekenen op een goed georganiseerde en relatief rijke cultuuroverheid. Maar evengoed is het een vraag die de Franstalige Brusselaars zich moeten stellen. Ook zij zullen rekenschap gaan afleggen van het feit dat zij in een stad van immigranten geen absolute meerderheid meer vormen, en dat het gevecht in de stad er niet een tegen Vlamingen is, maar tegen werkloosheid en schooluitval.

WIE IS HET VOLK? Het is een vraag waar kunstenaars raad mee weten. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het Frankenstein-project, een bijdrage van de Hongaarse regisseur en filmmaker Kornél Mundruczó, die vorig jaar in Cannes bijval oogstte met zijn film Delta. Mundruczó laat de toeschouwers plaatsnemen in een container, waar een cynische regisseur een aantal Hongaarse outcasts beoordeelt op hun acteerkwaliteiten. De acteurs die voor de camera’s verschijnen zijn figuranten die van de straten van Boedapest lijken te zijn geplukt. Er wordt hun niet meer gevraagd dan om te lachen of te huilen, wat ze vervolgens met aanstekelijke ernst volbrengen. Het leuke aan Brussel is dat er bij elke internationale voorstelling wel culturele autochtonen in de zaal zitten. In dit geval Hongaren dus, die herkenbaar zijn omdat ze de koptelefoontjes niet nodig hebben voor de simultaanvertaling. Zij lachen hartelijk als de regisseur uitroept dat Hongaren nooit eens normaal kunnen lachen, hoogstens grinniken of boeren, maar lijken later toch gegeneerd als een moeder zich in het toneelstuk bevredigt ten koste van haar dochter. Een andere voorstelling die in dit verband genoemd kan worden is The Shipment van Young Jean Lee, die in september te zien zal zijn in Rotterdam. Lee, die in New York woont en Koreaanse wortels heeft, maakte een voorstelling over de Afro-Amerikaanse identiteit. Ook zij stelt de vraag: ‘Wie is het volk?’ En daarmee ook: wie eigent zich het recht toe daar antwoord op te geven? Waarschijnlijk vroeg de Nederlander Renzo Martens zich dat ook af toen hij in de binnenlanden van Congo op zoek ging naar wat hij het ‘meest lucratieve Afrikaanse exportartikel’ noemde, namelijk honger. Het resultaat blijkt in de film Enjoy Poverty.
Op de eerste avond van het festival brengt Anna Rispoli een performance met behulp van de bewoners van een grauwe flat naast het festivalcentrum, elf verdiepingen sociale woningbouw in deprimerend beton, gelegen naast het spoor tussen Centraal Station en Zuidstation. De flat heet het Visitandinengebouw. Om 22.30 uur dooft de straatverlichting en staan de bewoners aan de knoppen van hun kamerverlichting, en voeren het lichtspel uit dat Rispoli bedacht. Buiten, in een plantsoen met meer asfalt dan gras, kijken de festivalbezoekers toe. Na vijf minuten verstoort een opgepimpte Seat de voorstelling. De toeschouwers draaien zich onrustig maar gelaten om. Het was misschien ook te veel gevraagd om ongestoord een performance op te voeren op deze plek, zie je ze denken. Niemand durft er iets van te zeggen. Uit de wagen klinkt harde vioolmuziek, en na een paar minuten dringt het tot iedereen door: de drie jongens die naast de opengeklapte deuren van hun paarse bolide staan horen niet alleen bij de buurt, maar ook bij de performance. Na een kwartier is het lichtspel afgelopen, en klinkt er een daverend applaus. Het kunstpubliek klapt voor de flatbewoners die, zo zou je cynisch kunnen opmerken, de komende drie weken vooral slechter zullen slapen als gevolg van alle festiviteiten naast hun deur. Wie is het volk? De moeilijkheid van die vraag maakte Rispoli met het gezamenlijke optreden beslist ook duidelijk.
Even verderop, in de nieuwe Brigitinnenkapel, opgetrokken uit glas en prachtig roestend staal, wordt daarna het festival officieel geopend, met een toespraak die verloren gaat in het veeltalige geroezemoes. Dit is Brussel: vanaf de houten stellage naast het festivalcentrum kijk je uit over het drukste stuk spoorweg van Europa. Daaronder, op de begane grond, in het voormalige station Kapellekerk, is er een feest gaande in Recyclart, opgericht in 2000, toen Brussel Culturele Hoofdstad van Europa werd. Links doemt het betonnen trappenhuis van het Visitandinengebouw op, dat volledig met graffiti is bedekt; werk van Bonom, de mysterieuze kunstenaar. Dit is een urbanistische nachtmerrie. Dit is het nieuwe Berlijn.

Kunstenfestivaldesarts, t/m 23 mei op verschillende locaties in Brussel.www.kfda.be