De broederschapsrevolutie, of: wie is wij: 6 Brussel

‘Brusselaars willen niet meer alleen zijn’

Wat bindt Europa? En wat kan Europa leren van Brussel, een van de meest diverse steden ter wereld? ‘De plek waar we zijn, is wat ons bindt, niet onze culturele achtergrond.’

Tram 51 rijdt van het uiterste zuiden van Brussel naar het noorden en laat zo een dwarsdoorsnede van de bevolking zien

De meeste rolluiken in de wijk zijn deze zaterdagochtend nog gesloten. De leegte op de Brusselse Rue de Ribaucourt staat in fel contrast met het leven dat ik hier een dag eerder rond het middaguur aantrof. Op drie plekken stroomden moskeeën leeg. Langs de etalages met groenten, fruit en lange gewaden voor vrouwen spoedden mannen zich naar de theehuizen aan de kop van het Sint-Jan-Baptistplein. Het choqueerde me, moet ik bekennen, hoezeer het straatbeeld in een wijk van de hoofdstad van Europa wordt gedomineerd door Noord-Afrikanen: winkels dragen er namen als Yahia Meuble, Snack Benadou, Alyazmalim Alimentation. Zoals het in zoveel oude stadswijken ging, zo ging het ook in Molenbeek, alleen hier dan toch een tandje heftiger. Donald Trump zette de wijk weg als een hellhole, omdat een aantal van de aanslagplegers in Parijs en Brussel hier vandaan kwam.

Om tien uur deze ochtend zou in het pand aan de overkant van de straat een bijzondere vergadering starten, zo was me verteld. In de gisteren nog door mannen gedomineerde straat zouden tien vrouwen de laatste stappen zetten in de aanloop naar een in Europa nergens eerder vertoond experiment: de creatie van een W100, een women’s one hundred. Een burgerraadpleging in navolging van de G1000 uit 2011, waarvoor de Brusselse cultuurhistoricus David Van Reybrouck, schrijver van het pamflet Tegen verkiezingen, de grote inspiratiebron was. De vrouwen willen honderd Brusselse vrouwen uit alle geledingen van de bevolking samenbrengen en verbinden.

Op het tijdstip dat de bijeenkomst moet beginnen, is het nog steeds stil in de straat. Net als ik twintig minuten later wil afdruipen stopt een wat oudere dame bij de deur van vrouwenhuis Dar al Amal. Loredana Marchi, een geboren Italiaanse, is de winnares van de Opvoedingsprijs van de Koning Boudewijnstichting. Ze is directrice van integratieplatform Foyer en oprichtster van Dar al Amal, waarvan ze de voordeur probeert te openen. Ze antwoordt resoluut: ‘U kunt er niet bij zijn, maar mag over twee uur terugkomen, als de slotvergadering van de W10 achter de rug is.’

Toen ik de trein uit Nederland nam om tien dagen in Brussel te verblijven als zesde stop in mijn zoektocht naar wat ons bindt in Europa, zag ik Brussel als de metafoor voor Europa. Een complexe stad met enorm veel instituties, besturen, regeringen. Een stad met vele talen die worstelt met migratie en groeiende ongelijkheid. Ik was benieuwd naar het antwoord van de Brusselaars op de uitdagingen waarvoor de Europese Unie en Europa zich gesteld zien. Wat kan Europa leren van haar hoofdstad als het gaat om de vraag: ‘Wie is wij?’ Welke antwoorden zouden de Brusselse politici en bureaucraten kunnen vinden, vlakbij, in de straten rondom hun glazen paleizen?

Als ik mijn schoenen heb uitgedaan, begeleidt Feyzullah me naar de eerste etage van het negentiende-eeuwse pand in de Tivolistraat in weer zo’n arme wijk: Laken, niet ver van het koninklijk paleis. Boven kom ik in een lange, smalle ruimte met schrootjes tegen de muren. Vijftig zingende mannen gekleed in djellaba’s kijken niet op. Ze zijn jong, ze zijn oud, afkomstig uit verschillende landen: van Ethiopië tot Pakistan, van Tunesië tot Vlaanderen. Ze zijn al drie uur aan het mediteren als ik binnenkom. Eerst ruim anderhalf uur in stilte, vervolgens de koran reciterend, en uiteindelijk gedichten van soefi’s opzeggend. Het woord Allah valt in bijna elke zin. De cadans is bedwelmend, enkele van de mannen staan op en beginnen op het ritme van de melodie zwaar te zuchten. Anderen slaken uitroepen, weer anderen beleven de trance in stilte, maar ze zijn verbonden, hier in de soefitempel van de Tarîqa Qâdiriyya Bûdchîchiyya.

Pas na middernacht is er ruimte voor een gesprek rondom een pan met erwten, bonen, rijst en lamsvlees. Met stukken brood nemen we allemaal ons deel uit het geheel. De Vlaming, de Pakistaan, de Turk, de Marokkaan. We zijn allemaal Brusselaars zeggen zij in het Frans, het Vlaams, het Engels. ‘Niet omdat we hier geboren zijn, maar omdat we hier zijn.’

Omar Van den Broeck, een tot moslim bekeerde Vlaming, vertelt dat hij drie keer per week naar de meditatiekring komt. Hij omschrijft de soefigemeenschap als een broederschap. Een heel oude broederschap, ontstaan in de tijd dat de ordes van Franciscus en Dominicus in Italië ontstonden, in een periode dat steden opkwamen, de verwarring groot was, en mensen nieuwe verbindingen aangingen, net als nu.

De Waals-Turkse Feyzullah, ambtenaar bij een ministerie, geboren in Luik, kind van ouders uit het Turkse Sivas, academicus die na zijn studie naar Brussel kwam, vertelt dat hij bij de broederschap Bûdchîchiyya menselijke warmte en concentratie vindt. ‘Het leven wordt hier heel’, zegt hij. ‘In het dagelijks leven werk je, ben je bij de familie, maar met het bidden en de meditatie verzamel je energie. Je komt in een bijzondere staat door de meditatie. Via het zingen en zuchten kan die spirituele energie eruit. Je bent dan aanwezig in het moment. Het is een warmte die in je opstijgt. Het is iets wat je hele leven parfumeert. Je voelt het vervolgens ook thuis en in de bus: het is een parfum voor de geest.’

‘Olala, wat een woorden’, lachen zijn mededisgenoten. Feyzullah vertelt verder als ik hem vraag naar de spanningen in de stad. ‘De mensen hier zien de groeiende polarisatie in de samenleving, maar we willen het met enige distantie en relativering benaderen. Wij hebben geen identitaire relatie met de islam. Het is geen vlag om opstandig mee te zwaaien. Hier binnen reageren we met afschuw op aanvallen als in Utrecht of Brussel of Parijs. Ook ik zie mij genoodzaakt op te letten in de tram. Als mijn dochter met de metro gaat, denk ik ook na.’

‘Brussel is een verdomd religieuze stad’, zegt cultureel antropoloog Johan Leman in zijn kantoor in Molenbeek. ‘Overal in Brussel proberen mensen in een soft trance te komen’, door te verbinden, door samen te zijn. ‘Mensen in Brussel’, zo zag hij de afgelopen decennia, ‘willen niet meer alleen zijn.’ Het probleem van dat hernieuwde samenkomen is dat ze dat vooral gefragmenteerd doen. Er is een gesegregeerd zoeken naar gezamenlijkheid.

‘Er is vooralsnog meer bonding dan bridging, om met de Amerikaanse socioloog Robert Putnam te spreken’, stelt filosoof Philippe Van Parijs twee dagen later in een ecologisch eetcafé onder de torens van de Europese instituties aan het Schumanplein. Het is een broederschapsrevolutie, maar de vraag is of die verbindt of verdeelt.

Johan Leman is voorzitter van Foyer, een sociaal cultureel centrum dat al vijftig jaar bezig is met diversiteit, interculturaliteit en sociale cohesie. Een soort deurmat van migrerend Brussel waar de Vlaams-nationalistische n-va een gruwelijke hekel aan heeft en publiekelijk niets mee te maken wil hebben. In mijn gesprek met Leman wordt mijn aanname dat de hoofdstad van Europa zelf een perfecte metafoor is voor de Europese Unie voor het eerst onderbouwd. Later, in gesprek met andere denkers wordt me duidelijk waarom: de stad kampt met drie vormen van fragmentatie waarmee ook de EU en Europa worden geconfronteerd.

Allereerst is er de unieke institutionele fragmentatie, waar Belgen het patent op hebben. Brussel is een stad met negentien gemeenten met negentien burgemeesters, zevenhonderd raadsleden en zes politiekorpsen. De Waalse en de Vlaamse gemeenschap oefenen vanuit Wallonië en Vlaanderen invloed uit op onderwijs-, zorg-, cultuur-, en welzijnsbeleid in de hoofdstad. Dan is er nog het Brusselse gewest dat gaat over lokale stedenbouw, mobiliteit, vuilnis en veiligheid. De federale Belgische overheid richt zich op nationale staatsveiligheid, buitenlands beleid, justitie, mobiliteit, economie en ruimtelijke ordening, waar dan de gemeenten in Brussel ook weer van alles over te zeggen hebben. Daarboven zweeft het koningshuis en de hofhouding. Plus de EU-instanties, die als de Europese Raad vergadert het verkeer in de stad lam leggen. Eigenlijk was het Byzantijnse Rijk een toonbeeld van overzichtelijkheid en transparantie in vergelijking met de ‘institutionele lasagne’ in Brussel, zoals stadsbouwmeester Kristiaan Borret de situatie in Brussel omschrijft.

De tweede fragmentatie speelt zich af op het economische en ruimtelijke vlak. Brussel is een ‘multiple city’. Het is meervoudig, niet eendimensionaal, vertelt Borret. Wie een tram dwars door de stad neemt wordt geconfronteerd met alle schakeringen tussen extreem rijk en straatarm en dakloos: de verschillen zijn pregnant als in de Europese Unie zelf. Brussel is de op twee na rijkste regio van Europa, de arbeidsmarkt vraagt zeer hooggeschoolde professionals die meerdere talen spreken en meerdere diploma’s op zak hebben, maar er is ook grote armoede, vooral in de centrumwijken. De stad slaagt er niet in de laaggeschoolden aan het werk te krijgen. Borret: ‘De kunst is die veelzijdigheid te aanvaarden en te voorkomen dat de stad uit elkaar valt, precies zoals dat de uitdaging voor de EU is.’

En naast de institutionele en economische versplintering kampt de stad met een uiterst diverse bevolkingssamenstelling met zeer uiteenlopende sociaal-ethische gezichtspunten: de derde fragmentatie. Brussel is de afgelopen twintig jaar met 240.000 inwoners gegroeid naar 1,2 miljoen. Maar de meeste mensen die er kwamen wonen zijn er ook weer vertrokken. De doorstroom is enorm. In de afgelopen twintig jaar zijn 1,2 miljoen mensen binnengekomen en zijn er 1,1 miljoen vertrokken. 65 procent van de Brusselaars is niet geboren in de stad. 71 procent heeft minstens een ouder die niet Belgisch is. Brussel is op Dubai na de meest diverse stad ter wereld geworden. Zo is de minderheid er inmiddels meerderheid geworden. Er leven bijna 180 nationaliteiten. De grootste minderheid wordt gevormd door de Marokkanen: 20 procent. Frans is de eerste taal (87 procent spreekt het), Engels de tweede (34 procent), Nederlands de derde (16 procent). De kennis van het Nederlands is in twee decennia gehalveerd. Arabisch is de vierde taal en in sommige wijken de tweede of derde. Wat het voor de inwoners nog complexer maakt is dat de meertaligheid op het werk snel toeneemt.

De aloude Vlaams-Waalse institutionele taalstrijd in Brussel is feitelijk een irrelevant achterhoedegevecht geworden, stelt onderzoeksjournalist Hans Vandecandelaere die de boeken In Brussel en In Molenbeek schreef. ‘De huidige generaties groeien veeltalig op. Onder invloed van migratie en globalisering is de overheersende ideologie van Walen tegen Vlamingen passé. Maar de instituties zijn wel nog langs die lijnen georganiseerd.’

Hoewel Brussel daarmee een ideale metafoor voor Europa zou kunnen zijn, doet de stad er volgens Vandecandelaere weinig mee. De stad waar de Europese instituties huizen zou zich als hét experiment van Europa kunnen profileren, als verbindende hoofdstad in een globaliserende wereld waar op lokaal niveau al handelend de nieuwe werkelijkheid wordt uitgevonden. Maar het stadsbeleid is niet zodanig. De vele instituties verstikken er het vernieuwende debat.

Op het Saincteletteplein in Brussel demonstreren gezinnen voor schonere lucht. 27 juni 2018
‘De moderniteit is al eerder uitgevonden in de middeleeuwse stad. De nieuwe moderniteit moet ook in de steden worden gevonden’

En toch borrelt het er. De burgers houden zich er steeds minder stil. Onder de ramen van de Brusselse instituties blijkt zich wel degelijk iets van een broederschapsrevolutie te openbaren, die de instituties maar nauwelijks weten bij te houden.

Met name de middenklasse is het zat, zegt journaliste Ine Renson van de krant De Standaard. Waar Brusselaars tien, twintig jaar geleden een houding hadden van ‘het zal mijn tijd wel duren’ en men in anonimiteit zijn eigen belang nastreefde, de verkeersregels overtrad, dubbel parkeerde, is dat anonieme vrijheidsgevoel volgens Renson nu op zijn grenzen gestuit. ‘Jonge gezinnen die van ellende de stad uit vluchtten, vanwege de vervuiling, zeggen nu: “We blijven en er moet iets veranderen.”’ Burgers, zo stelt ook stadsbouwmeester Borret, verenigen zich op een andere manier dan vroeger. Steeds minder in vaste, van bovenaf geleide verbanden die decennia bleven bestaan en die vaak tegen andere deelbelangen waren en voor de eigen zuil. ‘Nu zetten burgers zich bottom-up steeds meer in voor algemeen belang: het klimaat, de leefbaarheid in de stad, inspraak.’

Wat dat bijvoorbeeld concreet betekent in Brussel zie je op vrijdagochtend. Als basisscholieren bellen blazen om de lucht te wassen, of moeders de straat stofzuigen. In de Vlaamsesteenweg in de Kaaienwijk is het tijdens mijn verblijf plotseling raak. Ineens, rond acht uur in de ochtend, bezetten moeders en hun kinderen de weg naar hun school. Een vader trekt een spandoek over de straat: ‘Zonder auto naar school’. De eerste auto’s lopen vast. Kinderen spelen op straat, bloempjes worden geplant in een meegenomen bak en een vader achter een bar-kar serveert koffie.

Middelpunt van al de activiteiten is architecte Annekatrien Verdickt. Wat bij haar uit pure verontwaardiging begon, is onbedoeld een zeer effectieve burgerbeweging geworden: Café Filtré. In heel België sluiten ouders nu op vrijdagochtend de straten af van scholen om te demonstreren tegen de luchtvervuiling. Aanleiding was een tv-uitzending over de school van de kinderen van Verdickt. Een meisje van die school was naar het platteland verhuisd. Daar deden ze een urineonderzoek en bleek dat het net binnengekomen stadskind twee keer zoveel roetdeeltjes in de urine had als de plattelandskinderen. De luchtkwaliteit rond zestig procent van de Belgische onderwijsinstellingen overschrijdt de normen van de World Health Organisation als het gaat om stikstofdioxide.

Verdickt overlegde de ochtend na de tv-uitzending met andere ouders. ‘In nog geen uur besloten we de volgende morgen de weg af te sluiten.’ Driehonderd ouders en kinderen hielpen mee. ‘Let’s stik together’ werd een populaire slogan van de groep. De boodschap: ‘Stop met investeren in de doorstroom van auto’s, in belastingkorting op leaseauto’s. Investeer in mensen.’ De radio, de kinderjournaals kwamen. De actie duurde slechts een half uur, maar het sloeg aan. Ouders van vijf andere scholen sloten zich een week later aan. Weer een week later deden ouders van 43 scholen mee in heel België. ‘We konden niet meer overgaan tot de orde van de dag’, vertelt Verdickt. Ineens waren ze burgeractivisten. Ze organiseerden voetbalwedstrijden op straat, dansvoorstellingen. De kinderen maakten tekeningen van de acties die via sociale media werden verspreid. Greenpeace sloot zich aan.

Naast haar werk en haar gezin werd het actievoeren een derde dagtaak. Verdickt werd de woordvoerster van een beweging die op 137 scholen elke vrijdagochtend de weg blokkeerde tot aan de gemeenteraadsverkiezingen in oktober vorig jaar, en nu tot de Europese en Belgische parlementsverkiezingen eind mei. ‘Meedoen in zo’n burgerbeweging is een heel rijke ervaring’, zegt ze. ‘Ineens kom je in contact met veel andere mensen, met andere beroepen en andere achtergronden. Je leert je omgeving kennen.’

Hemelsbreed een paar honderd meter van de straat die Verdickt bezette en ook van de Rue de Ribaucourt staat een nieuw bedrijvengebouw. Bij de ingang wapperen vaandels van Samsung en Google. De witte muren binnen zijn gedecoreerd met cartoons en streetart. Overal staan pc’s en laptops. ‘Dit is de snelst groeiende school van Molenbeek en misschien wel van Brussel’, vertelt creative director Ricardo Martinez van co-creatie-werkplaats MolenGeek. Een school waar drop-outs, maar ook afgestudeerde bachelor- en masterstudenten samen les krijgen. Studenten worden er opgeleid tot ondernemers die websites en allerlei andere digitale toepassingen kunnen leveren. Ze leren er computertalen, WordPress, Photoshop, video’s maken en geavanceerde digi-technieken. Ze ontwikkelen allerlei apps, zoals bijvoorbeeld een waarmee je makkelijk de dichtstbijzijnde defibrillator kunt vinden.

De school is in 2015 opgericht door Ibrahim Ouassari, die na drie jaar middelbare school uitviel. Hij leefde op straat, begon als ober, werd uiteindelijk buschauffeur en besteedde zijn vrije tijd thuis aan zijn passie: computers en internet. Hij bedacht dat hij via internet een soort uitzendbedrijf kon beginnen en het lukte. Zijn oude Marokkaanse vrienden zagen dat hij mooie kleren begon te dragen, dat hij mooie auto’s had en vroegen hem hoe hem dat lukte. En hij antwoordde: internet, computers. Vier jaar geleden, op zijn 37ste, besloot hij dat hij de jongeren uit zijn wijk, die na de aanslagen zo’n slechte naam had gekregen, wilde inspireren. Samen met vier anderen startte hij met technologische hackatons en al snel werd het een heuse school voor drop-outs en werkloze tieners en twintigers. Die school begon in één kamer, maar bezet nu het gehele gebouw. De koning en de Franse president Emmanuel Macron kwamen een kijkje nemen. De leerlingen zijn laaiend enthousiast over de opleiding die een half jaar duurt en helemaal gratis is, dankzij sponsors en steun van de federale overheid. Het is een soort coöperatie. De school is 24 uur per dag open, zeven dagen in de week. Martinez: ‘Het geheim van de school? We geloven in mensen en hun wil om te leren. Je hoeft hier als je binnenkomt niks te kunnen. Het enige wat we vragen is motivatie.’

Veel introverte en schijnbaar mislukte jongeren slagen erin om zich via MolenGeek te herverbinden met leeftijdsgenoten en de omgeving. ‘Programmeren is wat ons bindt en boeit’, zegt Martinez, ‘maar tegelijkertijd verandert hier onze gemoedstoestand en instelling als mens. Er wordt gebouwd aan vertrouwen in jezelf en in elkaar.’

Kinaan Al Hatem (24) was drie keer blijven zitten voordat hij op zijn twintigste zijn school verliet. Hij was een nini zoals Fransen dat noemen. ‘Ik voelde me alleen, ik verspeelde mijn tijd. Ik was niet tevreden met het leven.’ De eerste maand sprak hij met niemand op school, maar toen opende hij zich. ‘Je kunt blijven hoe je bent, maar als je geeft, leer je meer, word je meer. Dat heb ik hier ontdekt. Als je samenwerkt met mensen kun je heel grote dingen doen en krijg je inspiratie.’

Een van de centrale figuren achter de school is de directeur van de programmeeropleiding Yassine Kharchaf. ‘Mijn missie is de samenleving redden door onderwijs’, zegt hij. ‘Ik wil kunnen rondlopen op straat en een wafel eten zonder dat ik bedelaars zie.’ Hij studeerde zelf communicatie en marketing, maar werd als hij solliciteerde nooit op gesprek uitgenodigd. Veel mensen uit Molenbeek worden niet uitgenodigd op gesprek.

Kharchaf ontwikkelde een eigen methodologie van lesgeven: leren door te doen. ‘Niet zoals op de universiteit: you succeed or you fail. Maar: you succeed or you get feedback.’ Examens zijn er niet op MolenGeek. Er zijn geen deadlines. ‘Langzaam leren de studenten dat ze het kunnen en dat ze met de ander samen kunnen groeien. Ze leren inzien dat iedereen mens is.’ Over het bezoek van de koning en Macron zegt hij: ‘Ik wist niet dat we hier iets bijzonders deden. Voor ons was het gewoon normaal. Maar hun komst maakte me duidelijk dat wij hier dingen veranderen, doordat we mensen veranderen en daarmee de samenleving.’ Binnenkort openen ze een filiaal in het Italiaanse Padua en mogelijk ook in Marokko en in Amsterdam. En ook daar zullen de scholen er niet als scholen mogen uitzien. ‘Ze moeten voelen als een tweede huis.’

Project MolenGeek in de Brusselse wijk Molenbeek leidt tech-ondernemers op. 9 maart 2017

Of je nu luistert naar deze docenten en leerlingen, naar Annekatrien Verdickt van Café Filtré of naar de soefi’s, allemaal hebben ze eenzelfde boodschap. De bestaande structuren (scholen, lokale en nationale overheden, de EU, orthodoxe religies) zijn niet meer goed toegerust op het heden. Het uniforme, technocratische denken van instituties biedt niet afdoende antwoord op de nieuwe roep om gezamenlijkheid, gedeelde solidariteit en erkenning. Allemaal komen ze in actie op hun eigen manier. Ze lijken een nieuwe ‘broederlijke’ structuur te genereren. Deze stedelijke ontwikkelingen bieden kansen ook voor Europa, maar het risico is dat het om tijdelijke gezamenlijkheid gaat.

Filosoof Philippe Van Parijs, schrijver van het boek Belgium: Une utopie pour notre temps, theoretiseerde over burgeractie en hij praktiseerde het zelf. In 2012 lanceerde hij Picnic The Streets: samen met duizenden Brusselaars bezette hij de vervuilende verkeersader Anspachlaan die dwars door de stad loopt. Ze eisten dat het een voetgangersgebied werd. En tot hun grote verbazing kregen ze na een aantal van die acties in 2015 hun zin. In het gesprek dat ik met hem voer stelt hij: ‘We gaan van een maatschappelijk middenveld naar een middencloud, een “middenwolk” die steeds aan verandering onderhevig is.’

Burgerbewegingen en acties van het middenveld zijn als gevolg van technologische ontwikkelingen van aard veranderd. Via internet kun je zomaar een nieuwe beweging starten: gele hesjes, Picnic The Streets, Youth For Climate. Maar deze bewegingen zijn niet stabiel en ontberen vaak hiërarchie. Het zijn manifestaties van de behoefte tot verbroedering, maar men loopt steeds weer voor iets anders te hoop. Het is uiterst fluïde. ‘Je hebt nu permanent te maken met grotere fluïditeit van de samenleving en met superdiversiteit’, zegt Van Parijs. Dat hoeft geen probleem te zijn als de veranderingen die teweeg worden gebracht samen optellen naar een groter geheel. Maar het leidt wel tot meer gevoelens van onveiligheid en onzekerheid.

Die onzekerheid en fluïditeit leiden steeds vaker tot extreme nationalistische reacties. De idee van de natiestaat komt weer op en dreigt de Europese politiek steeds meer te bepalen. Maar volgens de filosoof, emeritus hoogleraar en oprichter van Cosmopolis Centre for Urban Research, Eric Corijn, is dat nationalisme gebaseerd op een misvatting. De idee van de natiestaat is dat het volk binnen het territorium relatief homogeen is en dat grote verschillen pas beginnen als je de grens bent overgestoken. Dat past niet meer in een stedelijke context die multicultureel en superdivers is. De stad biedt volgens hem de uitweg voor Europa. Hij pleit zelfs voor een Europese raad van steden, naast de Europese Raad van landen die wordt geleid door de minister-presidenten.

De grote stad en Europa kampen met dezelfde problemen: superdiversiteit, ongelijkheid, instituties die de praktijk niet kunnen volgen. ‘In de stad worden taal, cultuur en levensstijl langzaam van elkaar losgetrokken en ontstaan nieuwe combinaties en oplossingen’, aldus Corijn: ‘Stadslandbouw, de Brusselse rapper Stromae, maar ook MolenGeek. Of de sociaal-culturele experimenten die Cultureghem in het slachthuis van Brussel, Abattoir, opzet, waar jongeren uit arme wijken, ondernemers en buurtbewoners elkaar rond speel- en eetprojecten vinden. Het zijn allemaal fusions van verschillende elementen die de stad biedt. De nabijheid van verschil is zeer inspirerend.’

‘We hebben allemaal mixed identities. We scheppen samen onze toekomst. Wij zijn nieuw Brussel’

Corijn vatte zijn ideeën samen in het vorig jaar verschenen boek Een stad is geen land: Pleidooi voor de stedelijke revolutie. Thuis aan zijn grote leestafel in de volkswijk Matonge, ook wel Klein Zaïre genoemd, vertelt hij over zijn visioen en refereert hij aan ‘de grote blauwe banaan’ die op de eerste satellietfoto’s van Europa te zien was: de blauwe lichtbundel die van Zuid-Engeland, Londen, via de Randstad en Vlaanderen, Parijs, het Ruhrgebied, Zuid-Duitsland naar Noord-Italië loopt. Volgens hem hebben de steden in dat gebied veel meer met elkaar gemeen dan de verschillende landen in de EU. In dat gebied woont zestig procent van de Europeanen, stedelijke Europeanen in snel divers wordende samenlevingen zoals Brussel. 75 procent van de economie is daar geconcentreerd. Vanuit de lucht zie je geen landsgrenzen, alleen een groot metropolitaan gebied.

De mensen in metropolitane gebieden accepteren de superdiversiteit geleidelijk, meent stadsbouwmeester Borret. ‘Wat ons in Brussel bindt is dat we hier terechtgekomen zijn. Je bent Brusselaar niet omdat je van Brussel bent, maar omdat je in Brussel bent.’ Het antwoord op de vraag ‘wie is wij?’ luidt daarom volgens Corijn steeds meer: ‘We zijn niet van hier en daarom zijn we Brusselaar.’

Landen en naties zijn langzamerhand een anachronistisch project, stelt Corijn. De naties, en zeker de populistische partijen, willen een democratie gebaseerd op afkomst, op etnos, een volk dat zich oriënteert op bloedbanden en een gezamenlijk verleden. Steden zijn steeds meer voorbeschikt om een democratie gebaseerd op de demos te omarmen. Op een bevolking die er hier en nu is. Een stedelijke samenleving biedt daarmee, zo vat Corijn samen, een ander socialisatiemodel dan een nationale samenleving. ‘Wat maakt Europa helemaal zo bijzonder? Het is de enige plek in de wereld waar de stedelijke burgerij het gehaald heeft tegen de adel en de geestelijkheid. De moderniteit is al eens eerder uitgevonden in de middeleeuwse stad. De nieuwe moderniteit moet ook in de steden worden gevonden.’

En die steden moeten nu aan een nieuwe stedelijke cultuur werken, de gezamenlijke cultuur van de toekomst. Naties grijpen steeds meer terug op een canon gebaseerd op overwinningen door veroveraars en koningen. Ruiterstandbeelden van heersers uit het verleden zijn hun personificatie. In de steden, waar die standbeelden vaak staan, verliezen deze symbolen echter hun zeggings- en bindende kracht. Het worden zelfs splijtzwammen. De nieuwe stedelijke bevolking heeft behoefte aan nieuwe symbolen en plekken, vertelt Kristiaan Borret, de stadsbouwmeester, me in zijn kantoor vol maquettes van de nieuwe stad. Brussel ontwerpt inmiddels nieuwe publieke plekken als musea en parken langs het kanaal dat de stad nu nog splijt en scheidt.

Michael de Cock, artistiek directeur van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (kvs), vertelt me hoe elke voorstelling inmiddels drietalig is: Frans, Engels en Nederlands. Altijd lopen er twee ondertitelingen mee. Hij heeft een programmamaker uit Manchester aangenomen die enkel toneel in het Engels programmeert. Steeds meer stukken die kvs produceert worden in samenwerking met mensen uit de stad opgebouwd, gebaseerd op actuele problemen. ‘Natuurlijk zouden we nog jaren kunnen leunen op de gevestigde namen: Luk Perceval, Ivo van Hove, de witte mannen die het theater in de jaren tachtig hebben omgewoeld en sindsdien de macht hebben. Maar wij willen een nieuwe generatie klaarstomen en een nieuwe canon creëren die de nieuwe veeltalige en pluriculturele wereld waar we naartoe gaan een nieuwe stem en een gezicht geven.’

En dat betekent wat hem betreft niet alleen de afgestudeerden van de toneelscholen en conservatoria, maar ook de jongeren die zich op straat tot artiest en vertolker van stedelijke cultuur ontwikkelen een plek geven op de podia: rappers, slammers, streetdancers. Het is volgens hem ook niet zo verwonderlijk dat de dansers van Brussel wereldberoemd zijn. Brussel is een soort Babel waar niemand elkaar begrijpt. In een stad waar zoveel talen worden gesproken is dans een natuurlijk middel om je uit te drukken. ‘Het is daarom dat de beroemdste dansopleidingen van de wereld nu hier zijn.’

Artistieke kwaliteit is volgens De Cock dus niet opnieuw Tsjechov, Shakespeare en andere vaste klassiekers programmeren voor een publiek van Vlamingen die nog geen tien procent van de Brusselse bevolking uitmaken. ‘Voor ons is de beste artistieke kwaliteit theater dat de stedelijke urgentie weerspiegelt en de stedelijke complexiteit waarmee de wereld vandaag wordt geconfronteerd op de bühne brengt. In een zo onontkoombaar mogelijke vorm, zodat jij en ik als we het hebben gezien veranderd de zaal uitkomen. Kunst die verbindende verhalen creëert en een nieuw wij.’

Op de vraag: wat bindt Europa? is het antwoord volgens de Brusselse denkers: de steden binden Europa. En feitelijk hebben ze dat door de geschiedenis heen altijd gedaan. Alle grote uitdagingen waarvoor we worden gesteld spelen het pregnantst in de steden: klimaat, migratie, fragmentatie, ongelijkheid, bestuurlijke en representatieve dilemma’s. De toekomst van Europa ligt in de experimenten die nu in de steden worden gedaan. De nieuwe stadsparken en architectuur moeten culturen verbinden. En de kunst in de hoofdstad van Europa kan niet anders dan Europese kunst zijn.

Twee uur nadat ik de deur werd gewezen door Loredana Marchi, stuur ik haar een sms. ‘We hebben nog een uur nodig voor ons overleg’, luidt het antwoord. Als ik aanbel bij vrouwenhuis Dar al Amal blijft de deur dicht. Nog een belpoging. Dan opent de Italiaanse de zware voordeur: ‘We zijn nog niet klaar. Je mag in de voorkamer wachten.’ Na een kwartier word ik erbij geroepen. Of ik een foto van de groep wil maken. Natuurlijk.

Ik zie tien enthousiaste vrouwen aan een ronde tafel. Ze spreken Engels, want dat is de taal die iedereen verstaat. ‘Dit is de laatste van tientallen voorbereidende vergaderingen’, zegt Joanna Maycock, een Brits-Belgische die werkte in internationale organisaties voor armoedebestrijding, vrouwenrechten en ondersteuning van migranten. ‘We spraken vandaag over vreugde, spanning en angst die we voelen voor de bijeenkomst van de W100 die we volgende week organiseren.’ Ik vraag ze of ik hier getuige ben van een broederschapsrevolutie. ‘Oh, no, no, no, no’, is het antwoord. Hier is het zusterschap. ‘Opletten hè! Broederschap is heel masculien. Sisterhood is feminine. Noem het solidariteit. Dan is iedereen included. Bovendien, broederschap komt uit de Franse Revolutie: started by women, destroyed by men.’

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Bas Mesters over de broederschapsrevolutie in Brussel. Waarom wijzen de Europese steden ons de weg naar de toekomst? Welke nieuwe saamhorigheid ontstaat daar? Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en de bekende podcastkanalen

Ze hebben via een statistische analyse een vrouwelijke dwarsdoorsnede van de stad gemaakt: op leeftijd, op vertegenwoordigers uit alle negentien Brusselse gemeenten, hoogopgeleid, dakloos, van veler afkomst, nationaliteit, en religie. Die vrouwen hebben ze uitgenodigd en met hen willen ze in diverse werkvormen in gesprek over leven in de stad. Een burgerinitiatief, waarbij politici vooralsnog niet welkom zijn. Loredana: ‘Het oorspronkelijke idee is om vrouwen die elkaar niet konden ontmoeten de mogelijkheid te bieden om samen na te denken, te co-creëren en met nieuwe ideeën voor de stad te komen. En dan vooral met vrouwen die niet gewend zijn om onderling verbonden te zijn.’

Een week later tref ik de vrouwen opnieuw in de Beurs, waar de volgende dag de bijeenkomst van de W100 zal plaatsvinden. Ik spreek Fatima Zibouh (37), moeder van een jongen van tien, moslima met een hoofddoek, geboren en getogen in Molenbeek. Haar oma en opa komen uit een klein dorp in het Rifgebergte. Haar moeder ging nooit naar school. Haar vader was elektricien. En Zibouh zelf is gepromoveerd in politieke en sociale wetenschappen op een proefschrift over participatie van minderheden. Ze werkt bij de gemeente Brussel en focust zich onder meer op discriminatie. Van de elf kinderen van haar grootouders en de vijftig kleinkinderen is zij de eerste die ging studeren.

Na de aanslagen in Brussel en Parijs leidde ze een solidariteitsdemonstratie in Brussel waar meer dan tienduizend Brusselaars aan deelnamen. De Marokkaanse gemeenschap moedigt haar aan. ‘Ze zijn trots, ze willen betrokken zijn. Zo was er een groot gala waar de Marokkaanse gemeenschap in België mensen steunt die goede dingen doen. Ik werd verkozen tot persoonlijkheid van het jaar in België onder Marokkanen.’

Als ik haar confronteer met mijn korte ervaring in Rue de Ribaucourt, waar mannen het straatbeeld domineren en de terrassen bezetten, zegt ze: ‘Het hangt van het tijdstip af.’ Ze praat niet graag als moslim of Marokkaanse over maatschappelijke en culturele problemen. ‘Voor mij is dat moeilijk. Ik wil niet worden gelabeld, vastgeklonken aan één identiteit. Ik heb natuurlijk een uitdaging in mijn eigen gemeenschap en ook in de hele samenleving als je ziet hoeveel stereotypen er zijn over moslimvrouwen. Ik ben niet de boom die het bos verstopt. Maar ik ben geboren en getogen in België. De plek waar we zijn, is wat ons bindt, niet onze culturele achtergrond. We hebben allemaal mixed identities. We scheppen samen onze toekomst. Wij zijn nieuw Brussel.’

En sprekend over broederschap? ‘Nee, het gaat hier niet over een revolutie van broederschap of van zusterschap. Het betreft een revolutie van burgerschap, waar we voor staan. Het gaat mij om de democratische innovatie.’

Ze blijkt bevriend met David Van Reybrouck en zat in 2011 in de ‘cockpit’ van de G1000. Toen was haar taak om de mensen die verder van de politiek af stonden – minderheden, daklozen, moslims – daarvoor ontvankelijk te maken. ‘Als ik blond was, met blauwe ogen, zou ik die groepen niet meetrekken in politieke participatie. Maar als je op ze lijkt gaat het makkelijker.’ Ze is deze dagen volop bezig met het overtuigen van de vrouwen die ze via de statistische analyse hebben geselecteerd om mee te doen aan de W100. ‘Gisteren sprak ik met een gravin, met een dakloze vrouw zonder verblijfstitel, met iemand van de kerk, maar ook met een boeddhiste. De droom is om de verschillende gemeenschappen te verbinden en na te denken over de publieke ruimte.’

Dat ze voor een vrouwenbijeenkomst kiezen, en niet voor een gemengde burgerbijeenkomst, heeft een specifieke reden, vertelt Zibouh. Vrouwen hebben specifieke ervaring en gevoeligheden als het gaat om ongelijkheid in de publieke ruimte. ‘We hebben speciale kwesties als vrouwen.’

Als ik Fatima vraag wie haar grote voorbeeld is, valt de snelle praatster lang stil. Ze slikt en pinkt een traan weg: ‘Mijn moeder is mijn voorbeeld, omdat zij niet heeft gestudeerd. Ze moedigde me altijd aan om dat wel te doen. Als ik zei dat ik haar in de keuken wilde helpen, zei ze: “Nee, ga studeren.” Ze leerde me om me niet opzij te laten zetten en om te vechten tegen mensen die hun macht misbruiken. Morgen is het twee jaar geleden dat ze is overleden. Morgen als we de W100 houden. Ik beloofde haar dat ze altijd trots op me zou zijn. Ik doe wat ik nu doe voor de vrouwen die onzichtbaar en stemloos zijn en onderdrukt worden.’


Dit verhaal kwam tot stand in samenwerking met debatpodium De Tussenruimte bij onderzoeksbureau Emma en de European Cultural Foundation