Brussels wandelen

Weer twee sterke Belgen. Ditmaal Koen Peeters en Kamiel Vanhole, die samen een boek schreven, ‘een vertelling’ onder de titel Bellevue/Schoonzicht. Peeters (1959) heeft onder meer de romans De postbode, Conversaties met K. en Het is niet ernstig, mon amour gepubliceerd, en Vanhole (1954), een der beste Vlaamse auteurs, schreef de reisverhalenbundel Een demon in Brussel en de romans De beet van de schildpad en Overstekend wild. Beiden hebben in hun werk een voorliefde voor hun vaderland, wat misschien wel de reden was van hun samenwerking in Bellevue.

Bellevue/Schoonzicht is namelijk een wandeling, een tweedaagse voetreis door het oude industriële Brussel door twee jongemannen, Philippe en Robert. Philippe is de zoon van een haaropkoper (zijn vader reed het land af om haar op te kopen. ‘Vlechten, tressen, krullen, pony’s… hij sloeg het allemaal in om het met een vriendelijke winstmarge weer van de hand te doen aan de paar pruikenmakers die de hoofdstad telde’) met een voorliefde voor de architectuur. Roberts eerste job is de aanleiding voor het verhaal: hij moet twee dagen langs de Brusselse kanalen wandelen. Van het Sint-Denijsplein in Vorst tot aan de Budabrug in Vilvoorde, en dan terug naar Schaarbeek. Zijn taak is om van alle ondernemingen die hij ziet te noteren of de bedrijfsnaam Nederlands dan wel Frans is. Ondertussen krijgt Philippe een al even vage, politieke, opdracht, waarvoor hij eveneens de hoofdstad van België dient te doorkruisen.
Brussel: 'Molens moeten zowat de eerste machines zijn geweest, vermoedde Philippe. Molens en persen en takels: daaromheen zaaide de stad zich uit. Ze voerde weefgetouwen en pompen in, ze bouwde zandzuigers en drukpersen, chocoladegieterijen en vruchtvleesmolens. Er kwam neon, er kwamen slankmakers en siliconen, de stad maalde maar en maalde, tot ze zelf een grote steenkleurige robot was geworden die zich aan haar haren uit het moeras had getrokken. En vergeten was de tijd toen je nog met je gezicht aan het ijs van de rivier kon vastvriezen en aangevreten worden door wolven. De stad, mompelde Philippe. Bruxelles, Broeksele, BXL voor de vrienden.’ De stad wordt in al haar schoonheid en raadselachtigheid ontgonnen door de twee jongemannen. Als waren zij verliefd, zo turen ze naar twinkelende lichtjes, zo luisteren ze naar het kabbelen van het verkeer. Ze dringen oude loodsen binnen, stampen door postindustriële landschappen en banen zich een weg door fabrieksruïnes. Ondertussen schrijven ze namen op van bedrijven: Fanta, taal van dorstige kinderen, Coca-Cola, taal van dorstige mensen, Ice-Tea, taal van de dorstige sportlui.
Belangrijker dan de bestemming is de reis zelf, is een oud postmodern credo. En in die zin is Bellevue een postmoderne vertelling bij uitstek: voor Philippe en Robert maakt het in wezen niets uit of ze nu wel of niet aan hun opdracht voldoen. De weg die ze afleggen is uiteindelijk het doel van hun omzwervingen, de weg door hun stad, die stad met die tientallen gezichten.
'De twee rapporteurs zetten hun capuchon op en sloegen de rue des Fabriques in, het begin van een wirwar van groezelige straten waar Philippe al na een paar minuten het noorden kwijt was.’
Dat hij 'het noorden kwijt’ raakt, is maar goed ook. Daardoor ontstaat ten slotte de vertelling Bellevue, zo humoristisch, vaardig en stijlvol geschreven door Peeters en Vanhole. Het gaat goed met de Belgen.