Brutaal

The Unexpected Death of Blinky Palermo van Julian Schnabel is net zo'n spectaculair experiment als De nachtwacht van Rembrandt - levendig en rommelig.

Toen ik studeerde konden de meesten van ons maar met grote reserve aandacht opbrengen voor een meester als Rafaël. Misschien was het in Nijmegen anders, maar voor ons in Leiden was hij te rooms. Daarbij ging het nog niet eens over de religieuze inhoud van zijn schilderijen maar om de vrijheid waarmee Rafaël als kunstenaar te werk kon gaan. Aan de voorzichtig formele opzet van met name de beroemde madonna’s kon je zien, dacht ik, dat er bij de formulering van dat eerbiedwaardige onderwerp in het hoofd van de schilder zoiets als een normatief schema een rol speelde waar hij (in het kader van kerkelijke regels) rekening mee moest houden. Natuurlijk was dat onzin: naarmate ik verder in de kunst doordrong en met name de moderne kunst een heel andere souplesse in vormgeving liet zien, begreep ik beter met welke listigheid Rafaël met zulke problemen van decorum kon omgaan en hoe bijzonder zijn kunst is. Maar zo gaat het. Wij werden opgevoed met onze Rembrandt. Die was eigenzinnig en dwars en zijn eigen baas - meer, vonden we, een echte kunstenaar. Maar ook die waardering klopt zeker niet helemaal. Ik heb al eens eerder verteld hoe ik begin jaren zestig met een jonge Engelse collega naar Rembrandts De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp stond te kijken, in zijn oeuvre het eerste grote werk met dat eigenzinnige, navrante realisme dat wij als zijn typische echtheid beschouwen. Aandachtig keek de collega naar het koude, bleke lijk. Wat lelijk, zei ze toen. Want waar zij in Londen studeerde, gold de nobele, verfijnde Franse classicist Nicholas Poussin als de maatgevende kunstenaar. Alles is dus relatief. Dat is in kunst juist het mooie - en soms moet je vooral ook van mening veranderen.
Altijd, bijvoorbeeld, vond ik De staalmeesters van Rembrandt (net als Mondriaan nooit ver weg in mijn hoofd) een veel beter schilderij dan De nachtwacht. Het is vooral de soberheid van de vijf heren in het zwart aan de donkerrode tafel, denk ik, die het schilderij zo onweerstaanbaar maakt. Zo, met de compositie beschouwelijk en uitgewogen, ziet een laat meesterwerk eruit. In de voorname beheersing der middelen voel je de ervaring van een lang schilderleven. Daarbij vergeleken was De nachtwacht wel met branie geschilderd maar eigenlijk ook rommelig. In Rembrandts oeuvre is het een belangrijk schilderij, vinden we, omdat hij met de actieve manier waarop de figuren in de ruimte zijn gegroepeerd (om te gaan marcheren, gebaart de kapitein) een levendig alternatief heeft gevonden voor de gewone stijfheid van zulke groepsportretten.
Die interventie in een star onderwerp is echt de brutale Rembrandt van 1642. Het doek is levendig én rommelig. De staalmeesters, kun je ook zeggen, is een rustig bezadigd werk terwijl De nachtwacht experimenteel is en dus ook opgewonden. Laatst zat ik in een boek nog eens te kijken naar The Unexpected Death of Blinky Palermo van Julian Schnabel. Wat ook de ambitie daarvan is, ik denk dat de jonge, brutale Schnabel in 1981, na minimal art, een heel bont schilderij wilde maken: slierten oplichtende kleuren als een jungle van kleur op een ondergrond van zwart fluweel. Dat was in essentie de esthetische premisse van zijn experiment. Toen had ik dat niet direct door. Ik verzette mij tegen de wilde Schnabel uit naam van de noblesse van minimal art zoals ik me uit naam van De staalmeesters verzet tegen De nachtwacht. Maar toen Rembrandt eenmaal de losse, vrije groepering van de schutters had gevonden, heeft hij die losheid (met zijn tussenruimtes) maximaal benut om het werk ook bont en rumoerig te laten zijn - in de hectische afwisseling van gebaren en in de zwierigheid van kleur en clair-obscur. Dat was wat hij droomde en met die opdracht zag hij zijn kans schoon, denk ik, om net als Rubens ook eens een lekker kleurrijk, bont en groot schilderij te maken. Een spectaculair experiment.