Brutale borelingen

Marlene Dumas schilderde haar baby’s niet volgens de traditionele roze/blauwe esthetica. Het lijkt alsof ze naar kikkers keek.

MET HUN HOOGTE van 180 centimeter vormen de doeken van The First People samen een werkelijk kolossaal vierluik, gemeten naar het onderwerp tenminste, want op deze wijze zijn de vier baby’s zo groot als volwassenen. Op elk doek ligt een pasgeboren baby vrij hulpeloos spartelend op de rug, vreemd ingeklemd door de lijst van het schilderij - alsof ze in een plat doosje liggen. Je zou kunnen denken aan een rechthoekig wiegje natuurlijk, maar daarvoor is de uitbeelding te kaal. Baby’s in hun wieg liggen gewoonlijk (in traditionele, lieftallige schilderkunst) beschut in een fluwelige schaduw. Door die zachte belichting wordt zo'n lichaampje aaibaar. Ter vergelijking met dit kloeke werk van Marlene Dumas citeer ik nog eens een zachtaardige Madonna van Sandro Botticelli die staan kan voor de typische manier waarop in de vroege realistisch-sentimentele schilderkunst (1490, circa) een baby werd weergegeven. Het kind is de kleine Jezus en de moeder is Maria. Hun relatie is zichtbaar liefdevol en, zoals te verwachten, van moederskant ook ingetogen devoot.
Die dubbelzinnigheid zit in de meeste Madonna-schilderijen - ook in de beroemdste, die van Rafaël. In feite immers schildert de schilder een moeder met haar kind die in het atelier als model voor hem zitten. In die verhouding zit, laten we zeggen, een speciale tederheid. Omdat het kindje is wie hij is, moet in de toeneiging van de moeder ook een verering merkbaar worden. Zij is namelijk de allereerste die haar zoon aanbidt. In het schilderij van Botticelli wordt dat intieme gebeuren neergevlijd en omgeven door een ware symfonie aan zachtheden: gedempte kleuren, sierlijke plooien, tere stoffen en dat zachte, gelige licht.
Het is ook geen groot schilderij. Anders dan bij Dumas is de baby bij Botticelli van ongeveer de juiste maat en daarbij ook nog aanminnig en schoon als een ornament - en vertederend als een jong poesje dat ineengekruld op de bank ligt te slapen. In The First People is het licht nogal schril, alsof de baby’s onder de schelle lampen liggen van een operatietafel. Dat komt door de balans van de kleuren. Elk van de lijfjes (ook zo waargenomen in hun schrale lichamelijkheid) is iets anders van kleur: tussen rozig naar zelfs wat blauwig, maar allemaal zijn ze glazig bleek - een bleekheid die verder geaccentueerd wordt door de magere kleuren van de achtergrond.
Binnen de traditionele roze en lichtblauwe esthetica van afbeeldingen van baby’s zijn deze figuurtjes niet mooi, zonder zogezegd de zachte glans van kaarslicht op hun huid. Deels zien ze er wat gezwollen uit en een paar hebben schriele ledematen. Het is, vreemd genoeg, alsof ze door het koele oog van de schilder worden gedetermineerd in plaats van beschouwd - zoals een onderzoeker naar kikkers kijkt. Zoals ze daar liggen, in nog die grillige houdingen en in die waterig dunne kleuren, lijken ze ook op kikkers. We zien schamele mensjes die als het ware net geboren zijn, bijna nog diertjes zijn, voordat in hun lichaam zogezegd de geest is neergedaald.
In een notitie over moederschap heeft Marlene Dumas eens geschreven: nu hoor ik niet bij de jongens. Haar eigen en enige dochter kwam enige tijd voor deze schilderijen ter wereld. De ervaring van het baren heeft bij het ontwerpen van The First People zeker een rol gespeeld - het zou kunnen dat daar de theatraliteit van het schilderij vandaan komt. Want dit is wat de meeste indruk maakt. De borelingen liggen niet (zacht in de wieg gekoesterd) maar ze lijken overeind gehesen, als banieren, in de monumentale ruimte van de menshoge doeken - of ook als energieke krijgers. Zo is The First People in zijn bijna navrante toonzetting (in kleur en kaalheid) ook een manifest waarin we het ontstaan van nieuwe mensen nu eens anders zien, overtuigend en heroïsch. Wat mij betreft is het een meesterwerk van de scherpe en eigenzinnige onverzettelijkheid, om niet te zeggen brutaliteit, die haar werk van begin af aan kenmerkt - en die ook daarom zo bijzonder is omdat ze een plek gevonden heeft voor realisme zonder dat dat banaal wordt. Integendeel. Het is diep ontroerend.

PS Zie verder Dominic van den Boogerd en anderen, Marlene Dumas, 1999 en herdrukken, Phaidon Press