FILM: Carnage

Brutaliteit en bevrijding

De intensiteit van emoties en ervaringen in de gesloten ruimte staat centraal in twee nieuwe films: Roman Polanski’s Carnage, over een clash tussen twee echtparen op Manhattan over een ogenschijnlijk banaal onderwerp, en The King of Devil’s Island van de Noor Marius Holst, over brutaliteit en bevrijding in een jongensgevangenis begin vorige eeuw op het eiland Bastøy. Beide werken leggen bloot hoe broos de grenzen van de beschaving kunnen zijn.

De films van zowel Polanski als van Holst zijn prison movies waarin opvattingen over gevangenschap en fysieke en emotionele uitersten de rode draad vormen. Carnage speelt zich volledig af in het New Yorkse appartement van Michael (John C. Reilly) en Penelope (Jodie Foster). Het begint met een scène waarin zij samen met het andere echtpaar, Alan (Christoph Waltz) en Nancy (Kate Winslet), tot een vergelijk proberen te komen over hoe het incident te hanteren waarin hun zoontjes elkaar tijdens het spelen te lijf gingen. Alles lijkt in goed overleg te gaan; de echtparen stellen zich beleefd en charmant op. Toch is de onderhuidse spanning meteen voelbaar. En als het tijd is te vertrekken lijken Alan en Nancy maar geen afscheid te kunnen nemen. Iets blijft hangen, maar wat? Het appartement blijkt een gevangenis waarin de personages tot elkaar veroordeeld zijn. Zo worden ze gedwongen de grenzen van hun eigen opvattingen over ‘beschaving’ én die van hun eigen menselijkheid op te zoeken.
Het motief van gevangen zijn komt vooral in de vormgeving tot uiting. Twee stijlfiguren in het bijzonder maken het werk tot een typische Polanski: een camera zwevend als een geest door claustrofobische gangen, en het incidentele en daardoor effectieve, want ironische gebruik van een groothoeklens om niet alleen menselijke monstruositeit, maar vooral ook het 'vastzitten’ uit te beelden. Zo is Carnage een schitterende film over moraliteit en de politiek van menselijke relaties - Polanski’s beste in jaren. Hij legt zijn vinger op de zere plek door een moderne crisis te schetsen waarin de 'beschaving’ van alle kanten onder druk staat.

Anders dan Carnage speelt The King of Devil’s Island zich af in weidse landschappen. Dat maakt de film er niet minder benauwend om. De tegenstelling tussen binnen en buiten, gevangen en vrij, komt sterk naar voren doordat uitgestrekte, besneeuwde landschappen de belangrijkste metafoor vormen. De beste gevangenisfilms zijn vaak epische avonturenverhalen, zoals Papillon (1973) van Franklin J. Schaffner waarin de hoofdpersoon Papi, die echt bestond en in deze film gespeeld wordt door Steve McQueen, in de jaren dertig en veertig onterecht wegens moord vastzat op de notoire Franse strafkolonie Duivelseiland voor de kust van Frans Guyana.
De invloed van Papillon is onmiskenbaar aanwezig in de visie van regisseur Holst, door het gebruik van de naam Duivelseiland in de internationale titel van de film, maar vooral ook door het halsstarrige hoofdpersonage, de zeventienjarige Erling die net als Papillon vanaf het moment dat hij op het eiland in de Oslofjord belandt maar één ding voor ogen heeft en dat is wegwezen.

Tegenover deze vrije geest staat een strenge gevangenisdirecteur, gespeeld door Stellan Skarsgard. Een man die in de chaos alle controle verliest, die misschien wel met lede ogen aanziet hoe een van de bewakers in het geheim seks met de jongens heeft. Het kan niet anders: opstand volgt op Bastøy, geleid door de aartsrebel Erling en een vriend, vergelijkbaar met het Dustin Hoffman-personage Louis Dega uit Papillon. Net als Papi en Louis slagen Erling en zijn vriend in Devil’s Island erin door de grenzen van de strafkolonie heen te breken. De beschaving is binnen handbereik, vrijheid lijkt voor het oprapen. Niets is minder waar.


Carnage en The King of Devil’s Island zijn beide te zien vanaf 8 december