Profiel: Oskar Lafontaine

Brutus Oskar

Oskar Lafontaine wordt gedreven door wraakgevoelens jegens de SPD. De rancune is paradoxaal, want zijn succes vergroot de kans op een rechtse coalitie.

Het lastigste en krachtigste machts dier is weer terug in de Duitse politiek. De conservatief linkse Oskar Lafontaine werpt zich als leider van de nieuwe partij Die Linke-PDS op als de enige echte redder van de verworpenen der neoliberale aarde. Daarmee scoort hij volgens de peilingen goed: nu zo’n acht procent, waarmee zijn partij, nog vóór de Grünen en de FDP, de derde partij van Duitsland zou worden.

De politieke comeback begon in het voorjaar. Lafontaine leverde onder grote media-aandacht zijn partijboekje van de SPD in. Aan zijn lange carrière binnen de oudste partij van Duitsland kwam formeel een einde. Een maand later kondigde hij de oprichting aan van Die Linke-PDS, een gelegenheidsverbond van de opvolger van de oude Oost-Duitse SED met de Wahlalternatieve Arbeit und Soziale Gerechtigkeit (WASG). Met Gregor Gysi verzamelt hij vooral proteststemmen van werklozen, verbitterde SPD’ers, boze vakbonds leden, gefrus treerde Ossies, antiglobalisten, eurosceptici en nationalisten, kortom slachtoffers van Schröders hervormingen en liberale koers. Als de rattenvanger van Hamelen trekt Lafontaine door het land om in volle zalen het beleid van zijn oude kameraden neer te sabelen.

Duidelijk is dat hij niet alleen wordt gedreven door een – oprechte – ideologische verbondenheid met sociaal zwakkeren. Zijn strijd is ook een grote wraakoefening tegen Schröder, met wie hij ooit een Männerfreundschaft had. Daaraan kwam een einde toen de SPD in 1998 de macht in de Bondsdag kreeg. De kanselier heeft in al die jaren geweigerd zijn naam in het openbaar uit te spreken. Lafontaine nam on dertussen vanuit de coulissen iedere gelegenheid te baat om hem publiekelijk te sarren en te beschimpen. In talkshows, in zijn boeken en in zijn column in het rechtse boulevardblad Bild toonde hij zijn onversneden rancune.

Deze wrok heeft hem nu teruggebracht naar de formele machtspolitiek in Berlijn. Maar de verkiezingsuitslag kan paradoxaal uitpakken. Uit peilingen blijkt dat Die Linke veel stemmen wegtrekt van de SPD en dat maakt de kans klein op een brede CDU/CSU-SPD-coalitie. Als er vervolgens een rechtse regering met de FDP komt, zal het onpopulaire hervormingsbeleid sneller en meedogenlozer doorzetten dan onder de SPD het geval was of zal zijn als de socialisten meeregeren. Aan de andere kant beleeft Lafontaine misschien juist zijn politieke finest hour als zijn oude kameraad na de verkiezingen met pensioen gaat en hijzelf vanuit de oppositiebanken nog harder tekeer kan gaan tegen de «gruwelijke uitverkoop van de Duitse verzorgingsstaat».

Lafontaine is taai, autonoom en politiek intelligent. In zijn carrière trotseerde hij de nodige schandalen (een belastingkwestie van het type «ik geef toe dat ik slordig en vergeetachtig ben geweest» en een verdenking van belangenverstrengeling met een hoerenkast). Hij trouwde drie keer, stootte de nodige gedoodverfde kandidaten voor hoge politieke functies van de troon om er zelf op te klimmen (zoals Rudolf Sharping als partijvoorzitter van de SPD in 1994) en haalde enkele keren fors bakzeil. In 1990 leed hij een zware nederlaag als kanselierskandidaat tegen de zittende kanselier Helmut Kohl, in 1994 opnieuw en in 1998 moest hij binnen de SPD zijn plek inleveren aan Gerard Schröder, die wél de verkiezingen won. In 1990 overleefde hij tijdens een campagnebijeenkomst een moordaanslag van een doorgedraaide vrouw, die hem met een broodmes vlak naast zijn halsslagader stak. Hij herstelde wonderbaarlijk snel en leek er geestelijk niet onder te lijden.

Van gepsychologiseer houdt Lafontaine niet, zei hij ooit in een interview over «de mens achter de politicus». Maar zonder enige moeite valt zijn politieke overlevingsinstinct te verklaren vanuit zijn jeugdjaren. Als zoon van een bakker, geboren in 1943, verloor hij net als veel generatiegenoten zijn vader tijdens de oorlog. In de schrale jaren vijftig groeide hij op ver van huis op een jezuïeteninternaat. In dit harde, intellectuele, manipulerende klimaat leerde hij vaardigheden die hem later van pas kwamen. Een sympathiek of een makkelijk mens is hij niet – maar dat geldt voor de meeste politici – en flexibel evenmin. Hij is trouw aan zijn principes, en dat valt weer niet van alle politici te zeggen. Het maakt hem tot een drammerige, autoritaire betweter, die makkelijk vijanden maakt.

Hoe Lafontaine opereert, werd glashelder tijdens zijn kortstondige ministerschap in de regering-Schröder. Zijn huidige positie in de Duitse verkiezingen is volledig terug te voeren op het jaar 1999. Daarin forceerde hij zijn eigen carrièrebreuk. Toen hij zes en een half jaar geleden van de ene op de andere dag opstapte als minister van Financiën en tevens zijn functie als voorzitter van de SPD inleverde, overheerste binnen de regering opluchting. Zijn obstruerende Alleingang over het te voeren economische beleid leidde vanaf het begin tot grote ruzies, zo groot dat kanselier Schröder en Lafontaine al na enkele maanden bijna letterlijk niet meer samen in één kamer konden zijn. Ook in de finan ciële wereld en het bedrijfsleven ging na zijn vertrek de kurk van de champagnefles. Het ondernemersklimaat lag door de keynesiaanse plannen van «rode Oskar» onder vuur. Ruim twintig topondernemers stonden zelfs op het punt hun hoofdkantoor uit Duitsland terug te trekken vanwege Lafontaines aangekondigde winstbelasting.

In de slechts vijf maanden van zijn ministerschap maakte Lafontaine vooral vijanden, zo wel binnen zijn eigen politieke kring als bij de grootindustriëlen, hetgeen volgens hem precies illustreerde hoe de verhoudingen lagen: de socialisten lieten zich paaien door de ge vestigde orde. Hij had ook buiten Duitsland een negatieve reputatie. Wim Duisenberg bijvoorbeeld was als president van de Europese Centrale Bank openlijk verheugd dat hij opstapte: «Iemand op zo’n sleutelpositie in een land dat snakt naar nieuw elan was een ramp voor Duitsland.»

De opluchting was echter betrekkelijk en van korte duur. Lafontaine gold niet meer als excuus voor de onmacht van de regering om een eenduidige koers te varen. Nu de angel eruit was, leek de weg vrij voor economische hervormingen. En dat bleek het echte probleem: het nemen van sociaal pijnlijke maatregelen lag binnen de hele rood-groene coalitie gevoelig. Wat Helmut Kohl had nagelaten vanwege de hereniging kreeg uitgerekend de generatie van ’68 als een rood-knipperend noodsignaal in de Bondsdag gepresenteerd. De bijl zetten in de verzorgingsstaat – en daarmee snijden in de eigen sociaal-democratische traditie – zou pas na jaren zwalken in de tweede helft van de tweede ambtstermijn van de regering-Schröder concreet gestalte krijgen. Onder meer met Hartz IV en Agenda 2010, gelanceerd in 2003. De klap kwam electoraal hard aan. De SPD leed bij deelstaatverkiezingen de ene nederlaag na de andere.

De opluchting over Lafontaines vertrek was ook relatief omdat de SPD niet verlost raakte van het linkse geweten uit Saarbrücken. Even had het erop geleken dat hij zich definitief uit de politiek terugtrok om zich met zijn echtgenote en zoon op zijn wijnboerderij aan de Franse grens te wijden aan de druivenpluk. Maar na een half jaar sloeg hij terug met een boek dat insloeg als een bom. In Das Herz schlägt links zette Lafontaine uiteen wat er mis was met de SPD, waarvan hij in 1966 als 22-jarige student natuurkunde lid was geworden en waar hij sedertdien in gestaag tempo vanuit het Saargebied was doorgestoten tot de kern van de landelijke partijmacht. In tv-debatten pleitte hij voor sociaal-democratische stokpaardjes, zoals die hem met de paplepel waren ingegoten door zijn leermeesters Willy Brandt en Helmut Schmidt.

Maar, zo reageerden zijn opponenten, was hij soms vergeten dat de Koude Oorlog ten einde was, het herenigde Duitsland deel uitmaakte van de Europese Unie, ja zelfs van de geglobaliseerde digitale wereld, dat er een neoliberale wind woei door heel Europa en dat de nieuwe economie heel andere eisen stelde aan de arbeidsmarkt? Zijn antwoord luidde steevast: ja, dat weet ik, en dat is wat er mis is aan deze tijd: het kille marktdenken maakt ons land kapot – inclusief Europa –, de open markt ondermijnt de positie van onze arbeiders en de linkse politiek raakt vervreemd van de natuurlijke achterban. Woedend toonde hij zich over Schröders Neue Mitte, dat, zich spiegelend aan Tony Blairs en Bill Clintons nuchtere pragmatisme, een breuk betekende met de oude linkse ideologie. En wat betreft het herenigde Duitsland, daar is Lafontaine vanaf het begin fel tegen geweest. Hij sprak ook wel over een «Ko(h)lonisatie van de DDR», waarmee hij de bewoners van de Neue Länder rechtstreeks in het hart wist te raken. Maar ook veel West-Duitsers, zij het om een heel andere reden. Zij hadden kritiek op de te snelle hereniging van Helmut Kohl omdat ze de kosten ervan via de Ost-tax in hun eigen portemonnee voelden.

En nu is Lafontaine weer terug op het hoofdpodium met een eigen politiek programma. In de praktijk komt dat neer op het terugdraaien van de klok naar het jaar dat hij opstapte als minister. Voor de rijke klasse stelt hij forse belastingverhogingen voor en de Duitse werknemers moeten worden be schermd tegen concurrentie uit lagelonenlanden. In de zomer riskeerde hij een schandaal door het woord Fremdarbeiter, een term uit de nazi-tijd, te gebruiken om zijn afkeer te uiten van goedkope buitenlandse werknemers die de arbeidsplaatsen van Duitsers bezetten. Hij doelde daarmee niet alleen op de Polen en de Tsjechen uit de Europese Unie, maar ook op de Turkse arbeiders uit de periode dat Duitsland nog een gedeelde natie was. In het arbeidersparadijs van de buren hadden ze daar tenminste geen last van, leek hij te willen zeggen.

Zo heeft hij nog meer punten waarmee hij de structurele werkloosheid van zo’n veertien procent (en in het oosten soms meer dan dertig procent) en de uitdijende staatsschuld denkt te kunnen oplossen. Lafontaines programma is een soort mengelmoes van populistisch links en rechts. In zijn anti-vrijemarktdenken en het protectionisme van de eigen arbeiders lijkt hij op de Nederlandse SP. Zijn eisen van een scherper asielbeleid en zijn diepe weerzin tegen de gevestigde orde in Berlijn én in Brussel doen denken aan Pim Fortuyn. Zijn provocerende stijl overigens ook. Maar zijn sociaal-politieke ideeën zijn gebaseerd op klassiek sociaal-democratische principes over de rol van een sterke, sturende overheid.

Niemand onderschat zijn kracht. Een journalist van de Süddeutsche Zeitung schreef: «Hij komt met zijn flamboyante levensstijl misschien over als een provinciaalse dandy, maar hij heeft talent zoals we nauwelijks tegenkomen in de politiek. Daarin is hij gevaarlijk.»

Of zijn programma getuigt van economisch realisme maakt niet eens zo veel uit. Wat Lafontaine vooral zal doen is tegenwicht bieden aan de gedepolitiseerde neoliberale wind in Duitsland. Die kwam veel later dan in de rest van Europa. Maar als in Duitsland de bakens van bovenaf eenmaal zijn verzet en die Mannschaft marschiert, kan een veranderingsproces razendsnel gaan. Duitsers kunnen bergen verzetten, zo heeft de geschiedenis aangetoond. De sanering van de verzorgingsstaat is onvermijdelijk. Door een sterke oppositie on der leiding van de rancuneuze redder Lafontaine zullen het marktdenken en de privatisering hopelijk minder doorslaan dan bij de Nederlandse buren. Daarin ligt een prachtige rol voor hem weggelegd.