Ik begon iets te zien wat ik later niet meer uit mijn hoofd kreeg. Van al Giotto’s taferelen in de Arena-kapel heeft de beeldruimte van Kindermoord in Bethlehem de meest strakke vierkante vorm. Het is ook het meest eigenaardige verhaal in het ensemble. Gewoonlijk arrangeerde hij in scènes meer ruimtelijke beweeglijkheid. Wat namelijk in beeld moest worden gebracht is telkens een episode in een lopend verhaal. Dat krijgen we te zien terwijl de vertelling verteld wordt. Het was van belang dat de kijker in de kapel ook besef kreeg van het verloop van het verhaal. In scène na scène maakte Giotto daarom een ruimtelijke enscenering die los en beweeglijk was – open aan de zijkanten zodat een indruk van geruisloze passage van beelden ontstond. De taferelen gaan soepel in elkaar over. Daardoor kreeg het ensemble in de kapel die wonderbaarlijk wijde ruimte. Ook in de Divina Commedia, ook een ruimte, verlopen zo ademloos de gezangen na elkaar.

Bijvoorbeeld: in het Inferno, twaalfde canto, komen Dante en Vergilius bij een stroom van kokend bloed. Daarin spartelen zondige schimmen die natuurlijk willen ontsnappen maar door centauren hardhandig worden teruggejaagd. Aan het eind van het canto moesten de twee dichters, om hun weg te vervolgen, naar de overkant van de rivier. De centaur Nessus zette hen over, en moest toen weer terug. De laatste regel dan is schitterend snel: Hij keerde om en waadde toen weer terug. Onmiddellijk daarna begint het dertiende canto: Nog niet was Nessus aan de overzijde/ of wij begaven ons al in een bos/ dat met geen enkel voetpad was betekend// Geen groen van blad, alleen maar grauwe kleur/ geen gladde tak, alleen maar knoest en kronkel/ geen vrucht te zien, alleen maar doorn en gif.

Het gebeurde op een plein van steen

Tussen die twee gezangen, van einde naar begin, gaat zo de vertelling vloeiend door. Daarom is Dante misschien de grootste meesterverteller van allen. Ook Giotto laat, als het verhaal dat toelaat, zijn beeldvertellingen via diffuse begrenzingen in elkaar glijden. De uitzondering, zag ik, was eigenlijk Kindermoord in Bethlehem. De rand van de voorstelling is een harde samenvatting. Het is een bruut verhaal. De koning van Judea had te horen gekregen dat er een jongetje geboren was dat ze de Koning der Joden noemden (Matteüs 2). Dat zinde hem geenszins: hij en zijn geslacht waren immers al koning. Toen hij de kleine niet kon vinden gaf hij opdracht, in en rond Bethlehem, alle jongetjes tot twee jaar te doden. Giotto heeft zich zeker afgevraagd hoe je dat bloedbad kon uitbeelden. Zo kwam hij tot deze meedogenloos harde vorm. Geen druppel bloed maar een genadeloos harde beeldvorm. Het fresco is de hardvochtigheid zelve. Het gebeurde op een plein van steen in de stad. De rechthoekige beeldruimte is horizontaal in tweeën gedeeld. Beneden zien we gedrang van opgewonden figuren. Er is paniek. Mannen met zwarte mutsen trekken kinderen uit de armen van vertwijfelde moeders. De kinderen worden doodgestoken en komen terecht op een bleke hoop andere lijken. Links draait een man zich vol afgrijzen terzijde. Rechts trekt een soldaat een mes uit een foedraal op zijn rug en zet kalm zijn werk voort. Op het balkon van zijn paleis zien we Herodes zijn soldaten aanwijzingen geven. Aan de overkant van het plein staat een stevig zeskantig bouwwerk dat een baptisterium is. De lucht is schuldeloos blauw. Ondanks het rumoer is het vreemd stil. Ik denk niet dat de zon scheen. Niemand van de heilige familie was bij deze gebeurtenis aanwezig. In een droom was aan Jozef een engel verschenen die hem zei een goed heenkomen te zoeken. In het tafereel vóór Kindermoord zien we de familie op De vlucht naar Egypte. Dat is een wonderschoon, kleurrijk landschap en een heerlijke ruimte. Vergeleken met hoe hard en donker de kindermoord was, is de tocht naar Egypte eigenlijk een idylle.

Bij beeldvertellen hoort ook het uitdrukken van zulke stemmingen. Ik stel me Giotto voor en denk aan Jannis Kounellis. Die was gedrongen en klein van gestalte en verbeten zoals Giotto ook was. Hij had nooit gelegenheid een kindermoord te verbeelden. Wel maakte hij een constructie van roestig metaal, in een ijzeren houder, een stug boeket van ijzer, dat spijkerhard en onaanraakbaar is. Hierboven citeerde ik Dante. Ze waren in een bos waar alles grauw was, de kronkelige takken knoestig en doornig, geen vruchten, alles vol gif. Zo onwrikbaar grillig zag dat boeket van Kounellis er ook uit. Ooit heb ik in een museum geholpen het ding op te stellen. De losse stukken staafijzer werden in de houder gezet. Er zat ijzerdraad in gevlochten zodat de staven en stangen recht en strak overeind bleven staan. Het waren circa 230 van zulke stukken ijzer. De bundeling van dat ijzer werd harder naarmate er meer stukken bij werden geschoven. Er was een vernauwing aan de bovenkant van de houder. De laatste staven moesten er letterlijk in gewrongen worden. Zo werd de compacte bundeling van ijzer onbeweeglijk strak. Een onbuigzaam harde gestalte, net zo meedogenloos als Giotto’s verbeelding was van brute moord op een plein van steen. Beide kunstenaars waren iets nieuws aan het maken.


PS. Dante heb ik geciteerd in de vertaling van Rob Brouwer (Primavera Pers, Leiden, 2016)