Buch is niet zielig

Zo'n Buch die op de televisie met een vrolijk gezicht zit te kwetteren dat hij zo heel erg depressief is en zo zielig en zo op zoek naar zijn vader - ik geloof het allemaal niet, daar niet van, maar ik denk: jongen, als het allemaal waar is, waarom wil je dan in hemelsnaam met je poffert op de buis en sta je te heupwiegen in het theater? ‘Alles is therapie’, zei Boudewijn bij Sonja Barend. Dat is het onderhand inderdaad; kunstenaartje kijken wordt patientje kijken. Maar de verschillen tussen Boudewijn Buch en iemand die bij Paul Witteman als patient zit, zijn te groot om niet even te noemen.

Een echte patient is arm - hij kan niets en wil niets. Een echte patient heeft misschien wel het talent van Buch, maar hij kan er niets mee. Hij ligt in bed of strijdt tegen demonen. Een echte patient wil een verandering en nimmer een bevestiging. Een echte patient houdt zich schuil.
Buch is een aardige jongen, maar iemand die een ziekte speelt. Hij doet een aandoening na. Reve zei ooit: ‘Ik speel de rol die ik ben’ - een mooie paradox waarin een waarheid schuilt die Reve nauw omsluit. Buch heeft die regel goed in zijn oren geknoopt, maar niet zo goed begrepen. Bij hem is het meer: 'Ik ben de acteur van de rol die ik wil spelen.’ Tussen die twee uitgangspunten zit een groot verschil.
Ik vind de boeken van Buch redelijker dan de kritiek ze vindt, maar het is net of hij doelbewust niet boven een bepaald niveau wil uitstijgen. Hij is een ouderwetse variete-artiest, iemand die een kunstje kent en dat elke avond op toneel uitvoert, maar het heeft zo weinig met artisticiteit te maken, of - in Buchs geval - met literatuur.
Ik meen dat een kunstenaar echt moet lijden. Niet aan een interessante aandoening, maar aan het feit dat hij iets wil en dat niet op papier krijgt, en als hij het wel op papier krijgt dan lijdt hij omdat niemand het begrijpt of omdat hij verkeerd begrepen wordt.
Boudewijn zegt: 'Het is zo raar, de mensen moeten altijd lachen als ik zeg dat ik zielig ben.’ Dat klopt - het publiek voelt haarfijn aan dat hij niet echt zielig is. Hij verdient immers goed, hij is bekend, hij is al tien keer bij Sonja geweest, hij verschijnt elke week in televisieprogramma’s waarin we zien dat hij de hele wereld mag rondreizen, zijn boeken lopen als warme broodjes, hij treedt op in het hele land, hij heeft Mick Jagger mogen interviewen, noem maar op. Zo iemand kun je moeilijk zielig noemen.
Als Buch echt zielig is, moet hij zich verhangen, of anders niet zeuren.
Buch doet nu aan een vorm van commercieel gedrag: hij doet zielige verschijnselen na waarmee hij zelf goed in de markt komt te liggen; zoals wijlen Rien Poortvliet de treurige blik van een spitsmuisje uitvergrootte om het publiek te behagen. Daar is niets op tegen. Poortvliet was een kundig tekenaar waar menig ware artiest nog iets van kan leren. En menig schrijver kan ook nog wat leren van Buch. Maar met kunst heeft het niets te maken.
Het is behaagzucht om juist niet te schokken; het is het spelen van je eigen tegenstander zodat die bij voorbaat is uitgeschakeld. Het is zonder risico. Het gaat ten koste van niets of niemand. Het is met gif strooien dat - o gelukkig maar - bij nader inzien poedersuiker is.
Ik vind dat in het geval Buch bijzonder jammer; ik vond hem destijds het grootste talent na Gerard Reve en ik neem het mezelf kwalijk dat ik me daarin vergist heb en dat ik daarvan afscheid moet nemen.