De inkeer van Franz Liszt

Buigen om te dienen

Legio redenen om het tweehonderdste geboortejaar te herdenken van Franz Liszt (1811-1886). Zijn revolutionaire late werken. Zijn miskende symfonische gedichten. Zijn spectaculaire levensloop.

VAN ALLE ANEKDOTES over het onwaarschijnlijke leven van Franz Liszt is de nu volgende de mooiste. Ze markeert met het gewicht van een ontwikkelingsroman het punt waar al zijn levenslijnen samenkomen. Dat gaat zo. Op 11 juli 1863 wordt de moegestreden meester in zijn kloostercel vlak bij Rome, waar hij poogt te herstellen van een slopend bestaan en het verlies van twee kinderen, bezocht door niemand minder dan paus Pius IX, vergezeld door de monseigneurs Gustav von Hohenlohe en Frédéric de Mérode. En hoewel de zoete inval niets meer behelst dan een vriendschappelijk bezoek van drie hoogwaardigheidsbekleders aan een katholiek van wereldfaam, moet het een beladen ontmoeting zijn geweest. De latere kardinaal Hohenlohe en de paus zijn prominente spelers geweest in een complexe affaire die Liszt en zijn maîtresse, prinses Carolyne von Sayn-Wittgenstein, dertien jaar van hun levens heeft gekost - en met beslissende gevolgen hun voorgenomen huwelijk in de wielen reed.
Om met Liszt te kunnen trouwen heeft de streng katholieke Sayn-Wittgenstein bij het Vaticaan een taaie strijd geleverd voor de rechtsgeldige ontbinding van haar eerste huwelijk met prins Nicolaas von Sayn-Wittgenstein. Als belangrijkste argument voert ze aan dat het onvrijwillig tot stand is gekomen. Met die troef trekt ze het Vaticaan uiteindelijk over de streep, maar kort nadat de kerk haar fiat heeft verstrekt doet zich een onverkwikkelijke complicatie voor. In de maand van hun geplande huwelijkssluiting, oktober 1861, informeert een delegatie Russische familieleden van de prinses het Vaticaan dat van onvrijwilligheid in Carolyne’s eerste huwelijk geen sprake is geweest.
Hoewel de verwanten mogelijk vooral worden gedreven door bezorgdheid over een familiekapitaal dat ze ongaarne in vreemde zakken zien verdwijnen, wordt hun bezwaar in Rome serieus genomen. Voordat de paus zijn toestemming intrekt, is het uitgerekend Gustav von Hohenlohe die de zaak aanhangig maakt bij kardinaal Caterini, toch al tegenstander van de trouwerij. Het lot wil bovendien dat Hohenlohe een broer is van een Konstantin die is getrouwd met Carolyne’s enige dochter Marie, waarmee een botsing van tegenstrijdige familiebelangen onontkoombaar wordt. Als moeders eerste huwelijk ongeldig wordt verklaard, is Marie formeel immers een bastaardkind. Zo'n smet op de familie-eer is voor een huis van stand onaanvaardbaar.
Dat doet de deur dicht, ook voor Carolyne, die ook uit angst haar dochter schade te berokkenen de handdoek in de ring werpt. Voortaan zullen Liszt en zij in vriendschap maar gescheiden leven. In Rome, waar ze tot haar dood in 1887 zal blijven wonen, voltooit de prinses haar 24-delige levenswerk Des causes intérieures de la faiblesse extérieure de l'Église. Liszt vervolgt tot vlak voor zijn ontluisterende dood in Bayreuth als dirigent en pedagoog de door hemzelf vie trifurquée gedoopte cirkelgang langs de pleisterplaatsen Rome, Weimar en Boedapest. Hij wordt een grand old man zoals ze niet meer voorkomen, bij al zijn kruisweghaltes als een vorst begroet, met eerbewijzen overladen.
Overal waar hij komt leidt hij onbezoldigd jonge pianisten op, wier muzikale invloed reikt tot ver in de twintigste eeuw. Zelf speelt hij alleen nog voor het goede doel of in privé-kring. Als oprichter van de Koninklijke Muziekacademie in Boedapest wordt hij medegrondlegger van een Hongaarse muziekcultuur die grootheden als Bartók en Ligeti zal voortbrengen, mannen die zijn nagedachtenis zullen eren door hem te huldigen als groot muziekvernieuwer. Ligeti’s onmogelijke Etudes steken in moeilijkheidsgraad Liszts beruchte Études d'exécution transcendante naar de kroon, en al beroept de componist zich liever op zijn ‘ideaal’ Chopin, in zijn opera Le grand macabre zal Liszts Grand galop chromatique niet geheel bij toeval opduiken. Direct of indirect hebben in de late negentiende en de twintigste eeuw veel meer componisten baat bij hem gehad. Debussy en Ravel krijgen een tik mee van zijn kleurrijke klaviertexturen, Strauss en de vroege Schönberg van zijn vormentaal, Skrjabin van zijn harmonische palet; voor Ferrucio Busoni, als componist-avonturier annex pianovirtuoos zijn natuurlijke erfgenaam, wordt de gehele man een ideëel kompas.

VOLGENS BARTÓK is Liszt door zijn avontuurlijke verkenningen op het gebied van samenklank en ritme voor componisten zelfs vruchtbaarder terrein dan Wagner. Helaas komt de bredere erkenning van de grote innovator veel te laat, gebrandmerkt als hij is door zijn stigma van salonvirtuoos en de wisselvalligheid die maakt dat in zijn grensverleggende ideeën meer geluk dan wijsheid wordt gezien. Als hij wordt gehuldigd is het in de omineuze rol van voorloper. Bitter is dat Bartók en Schönberg bij de herdenking van Liszts honderdste geboortejaar in 1911 die klok weliswaar hebben horen luiden, maar niet half beseffen hoe nauwkeurig Liszt hun toekomst heeft voorzien. Revolutionaire late werken als de radicaal uitgeklede, post-tonale pianostukken en het koorwerk Via Crucis verschijnen pas in de loop van de twintigste eeuw in druk, vol met onthutsende bewijzen van de sleutelrol die hij als ontleder van de tonaliteit ten minste twintig jaar vóór Schönberg had kunnen spelen als hij en anderen ze publicatiewaard hadden geacht. Zijn laatste pianowerken laten zich niet als vrijblijvende experimenten of oudemannenkwalen van tafel vegen; Liszt verbrandt bewust en systematisch schepen. In zijn laatste jaren betitelt hij de opheffing van de tonaliteit als een Endziel. Zijn leerling en secretaris Arthur Friedheim vangt op Liszts bureau in Weimar een glimp op van de nooit verschenen Schetsen voor een harmonie van de toekomst.
Zo ver is hij in 1863 nog niet. In Rome is hij overgeleverd aan een spirituele crisis met onduidelijke afloop. Liszts gedachten zijn bij zijn eigen leed, bij God en het verdriet van Diens zoon, aan wie hij eer bewijst in wat drie jaar later zal zijn uitgegroeid tot het even ellenlange als schitterende oratorium Christus - dat bijna anderhalve eeuw verder een schandelijk obscuur bestaan leidt.
Aan dat stuk werkt hij als Hohenlohe in de schaduw van de paus zijn kloosternis betreedt. Hij moet van diens machinaties op de hoogte zijn. De Italiaanse krant La Nazione heeft hem in december 1861 publiekelijk aangewezen als man achter het huwelijksveto. Toch laat Liszt zich niet kennen. Wraak is voor anderen: ik ben blij, hoort een Liszt-bestrijder hem zeggen, dat mijn bestaan u in staat stelde te worden opgemerkt. No hard feelings jegens Wagner, die eerst zijn werk plundert en hem vervolgens schaamteloos misbruikt als uithangbord voor zijn Bayreuth-project. 'Jou geef ik altijd gelijk, zelfs als je me onrecht doet.’ Denk niet dat Liszt daar buigt voor Wagners zonden. Hij maakt hem duidelijk dat hij de mens vergeeft uit eerbied voor de kunstenaar.
Nee, Hohenlohe zal niets merken. In een brief aan zijn vriend dr. Franz Brendel spreekt Liszt van een geanimeerd bezoek. Dat zal het zijn, maar het wordt meer als Pius Liszt vraagt iets te spelen. Liszt honoreert de wens met de voordracht van een nieuw, religieus gestemd pianowerk, de Legende St François d'Assise: La prédication aux oiseaux. Het is lieflijke, pre-impressionistische sfeermuziek waarin de vogels dankbaar kwinkelerend hun instemming betuigen met de vroom hummende koraalzang van de prekende Franciscus.
De aanblik van de 52-jarige virtuoos zal het pauselijk gezelschap in gedachten blijven. Met zijn hooggeheven kop en vingers die buiten zijn gezichtsveld blind hun weg vinden, een wonder op zichzelf, wordt hij de personificatie van het scheppen als mystieke daad, een heiligenbeeld. Mocht het bezoek daarnaast zijn ingewijd in de hoekstenen van Liszts oeuvre, dan zou het de conclusie kunnen trekken dat de demon van de Études, de geweldige Sonate in b-klein, de Eerste Mefistowals, de Faust- en Dante-symfonieën en de ruigste nummers van de Années de Pèlerinage-cycli voor piano Liszt heeft losgelaten.
In zijn beide Franciscus-legenden - hij schrijft er in die periode nog een, over zijn beschermheilige Franciscus van Paola - schijnt heilig licht door middeleeuws naïef gebrandschilderde ramen. St François de Paule marchant sur les flots beschrijft wat er gebeurt als Franciscus per boot de straat van Messina wil oversteken en de veerman hem de overtocht weigert, omdat hij niet kan betalen. Franciscus laat zijn mantel bollen als een zeil en vaart als een christelijke Alladin surfend op de slippen van zijn jas het zeegat uit. Liszt verslaat het wonder met het oog van een kind en de hand van de meester. In de westerse muziekgeschiedenis moet je naar Messiaen doorspoelen om een blijde boodschap zo vertederend ongegeneerd te horen ronken.

KORTOM: wat de paus en de zijnen in het Madonna del Rosario wordt voorgeschoteld is het zuiverste christendom, voorgedragen met de intensiteit waarover, op Schumann na, alle waarachtige verstaanders van de negentiende eeuw het eens zijn. Wagner is in tranen als hij dertien jaar later zijn gehaatliefde schoonvader Liszt in Bayreuth het adagio uit Beethovens Hammerklavier-sonate hoort voordragen. Die hoort hetzelfde als de paus. En de uitsmijter moet nog komen. Als Liszt op zijn wrakke pianino vervolgens Casta diva uit Bellini’s Norma parafraseert, kan de dag helemaal niet meer stuk. De paus is zo verrukt dat hij spontaan zelf de aria aanheft, begeleid door zijn gastheer. Hoe de bariton Pius IX Callas’ paradestuk uit de strot heeft gekregen vertelt de geschiedenis niet, maar het genoeglijke samenzijn brengt de Heilige Vader op een lumineus idee. Zou deze meesterverleider met zijn Europese prestige niet de best denkbare pr zijn voor het ware geloof?
Pius beloont Liszt voor zijn goede werken met een ring, welk geschenk een paar dagen later, als Liszt in Rome bij zijn nieuwe vriend op audiëntie mag verschijnen, wordt gevolgd door 'een prachtige camee van de Madonna’. Een van de onbaatzuchtigste mannen uit de westerse muziekgeschiedenis wordt voor zijn Geist beloond met klinkende materie. Is het generositeit of zit er meer achter? Zou het kunnen dat de kerk Liszt liever voor de eigen kar spant dan hem zijn prinses te gunnen? Voor een intrige is geen bewijs, maar als de vrome Liszt de inzet is van een doelbewuste inlijvingsstrategie, dan is het niet veel later bingo voor het Vaticaan. Twee jaar na het Casta diva-incident wordt de wereldberoemde klavierleeuw, dirigent, componist, Zukunftmusiker en klavierpedagoog Franz Liszt tot verbijstering van half Europa in Rome tot priester gewijd.
Alleen de paus weet dan dat de echte inwijding van abbé Liszt moet hebben plaatsgevonden in die Romeinse kloostercel, waar het hem niet ontging hoe hij tot inkeer is gekomen. De mondaine Liszt van de Consolations en de Liebesträume is niets veranderd, begrijpt Pius IX, die versierderscantilenes waren ook een soort gebeden en Bellini is gebleven - hij heeft alleen ontdekt voor wie hij zingt. Nu dat helder is, bespeelt hij zijn gehoor zoals Franciscus de vogels, troost en verlichting prekend in imitatio Christi. Hij buigt om te dienen, vertrouwend op de Here die hem één Legende verder met een vrije overtocht beloont. Pius weet genoeg. De salons verloren een held, de paus en zijn gevolg vinden, rijp voor de slacht, de zoeker die als achttienjarige hystericus al droomde van een leven als heilige en een martelaarsdood. Het pleit is beslecht, een transformatie voltooid - het is aan Liszt de laatste stap te zetten.
Die anekdote dus.