Buigzame kleuren

De (halfnaakte) vrouwen die Egon Schiele graag en veel tekende, verschijnen altijd in verdraaide, wulpse houdingen met ledematen als sieraden in elkaar vervlochten.

Het portret dat Egon Schiele in 1915 van zijn jonge vrouw Edith maakte (toen ze in die zomer net getrouwd waren) meet 180 x 110 centimeter. Met de tengere staande vrouw er zo frontaal en in het midden in geplaatst, alsof ze zichzelf voor een spiegel staat te bekijken, ziet het schilderij er hoog en smal uit. Haar schoenen raken tot onder aan het beeldvlak terwijl haar opgestoken rossige haar tot bovenaan reikt. Ze staat bijna ingeklemd tegen een witgrijze achtergrond. Wat we van haar huid zien (handen, gezicht, hals) is bijna net ze bleek van kleur – met alleen hier en daar een wat warmere blos. Haar gelaat is roerloos en vrijwel symmetrisch en met frêle lijnen getekend. Een rode mond – dan de opwaartse beweging van de neus en de zijwaartse buiging waarmee de wenkbrauwen de stille grote ogen omgeven die recht naar voren staren alsof ze niets zien. Ondanks de cascade van de kleuren van de bonte jurk is het toch bij dat wonderlijk stijve gezicht (als van porselein) waar onze blik tot rust komt. De kronkelende bundel van kleur, die de jurk is, begeleidt onze ogen daarheen. Edith staat daar, hoe schuchter ook, levensgroot. Als we voor het portret staan, bevindt haar gezicht (met daarbovenop nog het ornament van haar kapsel) dus zeker een halve meter boven onze ooghoogte. We kijken opwaarts naar het zwijgzame gelaat. Omdat het schilderij bovendien zo smal is, werkt de gestalte van de vrouw zelfs statig. Het is dus een portret waarvan al die visuele effecten buitengewoon uitgekiend zijn.

Zulke stille statigheid in expressie was voor Schiele niet gewoon. Als kunstenaar was hij gegroeid in de sporen van de veel oudere Gustav Klimt en verder omgeven, natuurlijk, door de nerveuze, ornamentele grilligheid van de Weense Jugendstil. De hand van de kunstenaar die tekent, wordt gestuurd door een individueel instinct voor vorm – of gewoon door wat hem, als op het papier uit het niets patronen van lijn en kleur aan het ontstaan zijn, het best bevalt of het mooiste lijkt. De (halfnaakte) vrouwen die Schiele graag en veel tekende, verschijnen altijd in verdraaide, wulpse houdingen met ledematen als sieraden in elkaar vervlochten. Naar gewoon een rechte lijn, een tijdje strak volgehouden, moet je in zijn oeuvre lang zoeken. Zelfs in zijn prachtig melancholieke landschappen vond hij steeds mogelijkheden om ze als grillige patronen op te bouwen – zoals ook, oogverblindend, het ritme van de gerekte, buigzame lijnen van kleur van de bonte jurk.

Die jurk laat zien hoe de precieze waar­neming van de schilder oplost in de visuele verbeelding die bij het feitelijke schilderen actief wordt. Stel je voor: Edith heeft die jurk aan met dat kleurrijke patroon van elkaar afwisselende kleuren. De smalle stroken groen, grijs, blauw, geel, wit, oranje, bruin volgen elkaar op en keren in andere combinaties terug. Er is ook verschil tussen de rok en het jakje. Door hoe in het gewaad de stof in plooien en vouwen valt (alsof de rok door wind bewogen wordt) ontstaan er in de kleurstroken kronkels en buigingen. Dat zag ook Schiele toen hij bezig was. De grillige beweeglijkheid van die banen begon hem zo bezig te houden dat hij minder naar zijn model ging kijken en steeds meer naar die strepen kleuren en daardoor werd meegesleept. De kleurenrijkdom die hij voor zich zag kon hij alleen weergeven door die, op de werkelijkheid van het linnen, te overdrijven en toe te spitsen – zoals ook Rembrandt in het Joodse bruidje het zware goudgeel en rood alleen zo luisterrijk kon maken door aan de koele waarneming voorbij te schilderen.

Met regelmaat gebruik ik woorden als ‘toverachtig’ voor het wonder van de schilderkunst. Schiele begon met een portret en kwam uit bij een betoverend juweel. Uiteindelijk vouwde hij om de hals van Edith nog een luchtig ornament van witte zijde. Zo begin je aan een schilderij met een soort van plan: dat is als een knop waaruit dan, na veel gedoe en kleur en penseel, een onvoorstelbare bloem opengaat. In Parrot with Outstretched Wings ontdekte Damien Hirst, om daar nog eens op terug te komen, hoe de fraaie kleurigheid van het spreiden van de vleugels ook de ruimte in het beeld ruimer maakt. Daardoor kunnen vlinders en bloemen losser fladderen. Dat zijn effecten die gebeuren, als bij Schiele, als je bezig bent – maar die je wel moet zien als ze zich voor je ogen voordoen, in het tastende verloop van de vormgeving.


PS Het portret van zijn vrouw door Egon Schiele bevindt zich in de collectie van het Haags Gemeentemuseum en is daar deze zomer in de vaste opstelling ook te zien