Buikwind

Ik begrijp het niet. Hoe ik het wend of keer, wiek of weeg, pas of meet, ik snap het gewoon niet. Ik kan in deze affaire geen systeem of achterliggende reden ontdekken die de overweldigende belichting die ze tot nu toe heeft gekregen, kan verklaren. Ik zie geen ingang en vanzelfsprekend geen uitweg.

Ik zou het op mijn buitenlandse afkomst kunnen gooien, maar die hoort juist mijn kracht te zijn. Ik word betaald om op ieder windje dat in Nederland wordt gelaten, zorgvuldig een etiketje te plakken en er een bijpassende verklaring aan te hangen. Geen walm mag verwaarloosd worden, want ieder op het eerste gezicht onschuldige scheetje kan toch snel een belangrijk bestanddeel vormen van een groter geheel dat de nationale identiteit heet. En op dit ongrijpbare maar niettemin geurende wolkje jaag ik al jaren als de bezeten vreemdeling die ik ben.
De vraag is: wat te doen als er over een tot monsterlijke omvang uitgegroeide buikwind niets te schrijven valt? Maar gezien de formidabele aandacht die de affaire sinds eind april in de media heeft gekregen, voel ik me verplicht om de handschoen op te pakken. Er moet hier iets van wezenlijk belang aan de gang zijn en het zou zwak zijn mijn vingers er niet aan te willen branden.
Van Jan Willem Brinkman weet ik, zoals de meeste Nederlanders vrij weinig. Sinds hij de inzet van een soort titanenstrijd is geworden, heeft de hoofdcommissaris van Rotterdam voornamelijk gezwegen. Hooguit weten wij dat bij aanvang van zijn functie de voormalige beroepsmilitair, zich wendend tot zijn baas de burgemeester, de historische woorden heeft uitgesproken: ‘Gezellig is het hier niet, Bram.’ Voor de rest is de black-out volledig.
Achternagezeten door een leger onderzoeksjournalisten dat het koningsdrama probeert te reconstrueren, geeft de betrokkene geen opening van zaken en legt hij geen verklaring af, wat het mysterie nog pregnanter maakt. Op de vierde etage van het hoofdbureau 'leidt hij een eenzaam bestaan’. Opmerkelijk vaak is hij tussen zijn manschappen te vinden. Wat zich tussen hem en zijn dienders op straat precies afspeelt, hebben zelfs de beste speurders niet kunnen achterhalen. Men gokt op 'een praatje over het werk en een grap’. Er lijkt niets aan de hand te zijn maar, let op, af en toe schrikt Brinkman op 'als onbekende ogen in zijn rug prikken’.
Die pernicieuze pupillen zijn die van de OR. De OR is geen geheime loge of verboden politieke partij maar de ondernemingsraad. Voor de komst van Jan Willem Brinkman had de OR de macht. Haar leden waren permanent aan het vergaderen en dronken veel democratische koffie. Brinkman houdt niet van koffie en van democratie. Hij vindt vergaderen van het ochtendgloren tot zonsondergang 'niet gezellig’. Hij is een militaristische solist die gewapend met een geheime opdracht van de burgemeester, de minister van Binnenlandse Zaken en die van Justitie de macht van de OR moet afpakken.
Die twee ministers zijn overigens kwaad en gefrustreerd omdat in het verleden de Haarlemse politie in drugs heeft gehandeld. De bewindspersonen durfden uit angst voor represailles de hooggeplaatste politiehandelaren niet te straffen, maar nu steunen ze wel de pogingen om de Rotterdamse OR onderuit te halen, wat veel minder gevaarlijk is voor de veiligheid van hun gezin.
Jan Willem Brinkman heeft niet als opdracht de eventuele corruptie en normloosheid binnen zijn corps aan te pakken. Zijn taak is vele malen zwaarder: hij moet de commandolijnen met twintig centimeters verkorten en het koffieapparaat uitzetten, zodat de overlegstructuur minder aantrekkelijk wordt. De OR heeft een coup tegen hem geprobeerd, maar die is mislukt doordat Brinkman niets terugzei en grapjes met zijn dienders bleef maken. Dit is ongeveer de affaire waarover al miljoenen woorden zijn geschreven.
Tussen de laatste analyses en berichten las ik dat deze gigantische machtsstrijd langs de gewone agenten heen gaat. 'Die draaien hun diensten alsof er niets aan de hand is.’ Als het de agenten niets kan schelen, waarom zou dan het publiek in de stille overpeinzingen van een grappenmakende korpschef of de koffieleuterij van een factieuze OR geïnteresseerd moeten zijn? Moeten wij soms ook bij de Albert-Heijnsupermarkt om de hoek de geëscaleerde ruzie tussen de rayonchef en zijn filiaalhouder nauwlettend in de gaten gaan houden? Ik begrijp hier nog steeds niets van, maar constateer wel dat de monsterlijke Nederlandse consensusmatrijs in een morbide kijklust heeft geresulteerd voor alles wat naar conflictueuze buikwind ruikt.