Buiten

Van de week reed ik van Doetinchem naar Ulft met een treintaxi. Voor zes gulden maakte ik een schitterend ritje. Het had er net geregend en alles zag er heel fris uit, de blaadjes blonken, het land had een lekkere natte kleur, de bloempjes vlogen uit hun knoppen en het rook naar lente.

De volgende dag las ik in de krant dat er lokaal noodweer geweest was achter Doetinchem. Zeg maar tussen Doetinchem en Oberhausen, precies waar ik geweest was. De rest van Nederland is dus nog net zo droog als daarvoor en toch roken mensen rustig een sigaret in een bos.
Ik spoedde mij de dag na mijn lentetrip en de dag van de krant met het noodweer naar het ziekenhuis om weer een aantal zakken zwaar vergif in me te laten spuiten. Als ze mij in de grond stoppen, moeten ze wel met een behoorlijke vervuiling van de lijken om me heen rekening houden, maar wellicht komen er een paar taxusboompjes spontaan de grond uit, die dan in de volgende lente fris erbij staan na een regenbui.
Vandaag kijk ik uit mijn stadsraam en ik constateer dat de bomen aan de gracht in een enkele week dat prachtige nog dunne groen hebben laten uitlopen dat zo elegant staat en ik geniet ervan, zoals elk jaar in de lente.
Jammer dat die afschuwelijke auto’s met die lelijke kleuren eronder staan. Maar toch, het is onomstotelijk lente en dus wordt het ooit op een dag weer zomer. Ik verlang ernaar. Volgens mij moet ik hoognodig naar buiten, zwemmen, aan een warm strand liggen, in de zon zitten, mijn oude lijf door en door warm voelen worden en pas dan is de winter voorbij.