Buitenstaandersfatsoen

Zijn boeken heten provocerend en controversieel te zijn. Politiek incorrect zelfs. Maar eigenlijk getuigen ze alle van burgermansfatsoen. Het veilige perspectief van Joost Zwagerman.
IN DE AFLEVERING van Lingo van 10 december nemen Esther en Jos, die al voor de derde keer optreden, het op tegen de nieuwelingen Anita en Janneke. Het belooft een spannende strijd te worden. Nadat Esther zichzelf en haar vader Jos heeft voorgesteld (‘Mijn hobby’s zijn puzzelen. En squashen, maar dat heb ik al jaren niet meer gedaan.’), is het aan Janneke en haar dochter Anita om de kijkers het een en ander duidelijk te maken over hun beider levens en hobby’s.

Anita is lid van een wandelclub, en ze heeft een vriendje. Ze bloost. Anita lijkt verlegen, en durft niet in de camera te kijken. Dan zegt de gastheer: ‘Anita, jij kunt niet echt goed zien, hè?’
'Nee, ik zie maar voor vijf procent. Eigenlijk ben ik blind.’
'Zie je dan helemaal niks?’
'Alleen licht en donker’, legt Anita uit.
'Hoe speel je dan Lingo?’ Een logische vraag, die op de lippen van elke kijker ligt.
'Op de piepjes’, is het even logische antwoord.
Tot vreugde en bewondering van publiek en presentator weet ze een paar keer achter elkaar met speels gemak het woord te raden. Hoewel, 'raden’: ze deduceert aan de hand van de 'piepjes’ - die iets zeggen over het al dan niet vóórkomen en de al dan niet juiste plaats van een genoemde letter in het te raden woord - razendsnel de oplossing. Blind, dus.
Het was een bijzonder moment. Natuurlijk hadden er wel eens twee homo’s meegedaan aan de Honeymoonquiz, of twee vrouwen van de damesliefde aan Twee voor Twaalf, maar een echte gehandicapte op televisie, die er ook 'anders’ uitzag, dat was nieuw. Het eerste wat ik dacht toen ik Anita zag, was: Ha, de token nigger! Om de critici het gras voor de voeten weg te maaien ('Waarom zit er nooit een kleurling/ gehandicapte/ lelijkerd bij?’), voegt de Lingo-redactie enkele medelanders toe die 'anders’ zijn, dat wil dus zeggen: niet blank, gezond, recht van lijf en leden, camerageniek en gezellig. Omwille van de 'getrouwe afspiegeling van de Nederlandse maatschappij’.
Dat ik dat dacht, is het bewijs van mijn eigen verdorvenheid. In Nederland zijn we zeer bedreven in politiek correct zijn. We zijn goed in het (snel) be- en veroordelen van zaken die niet stroken met ons idee van tolerantie en gelijkheid. Vingertjes worden naar hartelust geheven, 'goed’ en 'fout’ zijn over het algemeen duidelijk te onderscheiden, we weten precies hoe het hoort.
DAT GELDT OOK voor de kunst, en met name de literatuur. De Nederlandse literatuur heeft er een handje van het incorrecte te mijden. Werd vroeger nog beroering gewekt door 'spraakmakende’ boeken van Anna Blaman (open en bloot over vrouwelijke homoseksualiteit), Jan Wolkers (open en bloot over seks met kippen), Gerard Reve (open en bloot over seks met God) en Jan Cremer (open en bloot over Jan Cremer), de laatste jaren lijkt het een stuk kalmer geworden. Er zijn mensen die zich afvragen of er überhaupt nog wel te choqueren en te provoceren valt. Ja, dat valt er: zie de nationale knuffel-incorrecto Theo van Gogh. Maar als er eindelijk weer eens een relletje ontstaat rond een boek, gaat het zelden over de inhoud ervan, maar ofwel over het leven van de auteur, ofwel over een afgeleide kwestie.
De Nederlandse literatuur van vandaag blinkt niet uit in brutaliteit. Literatuur moet natuurlijk niks, maar het is mooi meegenomen wanneer ze 'gevaarlijk’ is, dat wil zeggen: meer dan alleen een in zichzelf besloten, geserreerd artefact, blind en doof voor de maatschappelijke werkelijkheid. Grote kunstenaars provoceren de (burgerlijke) samenleving, zou je, ietwat chargerend, kunnen zeggen. Of: grote schrijvers dienen omstreden te zijn, vervloekt te worden, gestenigd, met pek en veren overdekt buiten de stadspoorten te worden gezet.
Maar zijn er nog wel 'foute’ boeken? Is er nog 'gevaarlijke’ literatuur? Zijn er nog schrijvers die 'omstreden’ zijn? Die zich de woede op de hals halen van degenen die weten hoe het hoort? Er wordt wel geflirt met het incorrecte. Bijvoorbeeld door Joost Zwagerman. Hij wordt gezien als een 'gedurfd’, 'brutaal’ en 'tegendraads’ schrijver, die maatschappelijk gevoelige thema’s niet uit de weg gaat, ze zelfs opzoekt, die, kortom, lef heeft.
Die gedachte wordt treffend geïllustreerd door de reactie van J.P. Guépin op Zwagermans boek De buitenvrouw, een roman over, volgens de uitgever, 'moedwil en misverstand in de multiculturele samenleving’. De jonge schrijver wordt door de oudere eminentie beschuldigd van 'links racisme’. Voor Guépin is De buitenvrouw, 'waarvan duizenden exemplaren zijn verkocht aan mensen die niets in de gaten hadden en dus ook onbewust racist zijn’, exemplarisch voor de dubbele moraal in Nederland. Hij beweert dat Zwagerman vindt dat negers in het algemeen promiscu zijn (zonder promiscuïteit af te wijzen): 'Dat blijkt ook uit de bewondering die hij de hoofdpersoon laat uiten voor het hanige karakter van Antilliaanse en Creoolse binken in disco’s. Trouwens, ook de witte mannen zijn massaal ontrouw.’ Ook koestert Zwagerman het vooroordeel van de dubbele moraal. 'De witte mannen doen het massaal met “een neukstertje op een woningwetflat in Alkmaar-Noord”, terwijl hun vrouwen braaf voor de kinderen zorgen in hun buitenwijk. (…) Mannen zijn promiscu en vrouwen zijn gedwee en trouw. Sylvia, de wettige vrouw van de hoofdpersoon, is de hele affaire door de onwetendheid en het begrip zelve.’
Die reactie is illustratief voor het overspannen politiek-correcte klimaat dat in Nederland heerst. Het is lachwekkend hoe Guépin tekeergaat tegen het 'links racisme’ van Joost Zwagerman.
Ik denk bovendien dat Joost Zwagerman juist het tegendeel van 'racisme’ en dergelijke te verwijten valt. Namelijk braafheid. Netheid. Politieke correctheid. Hoewel ik alle bewondering heb voor Zwagerman, is er één ding dat ik mis, en met elk nieuw boek méér mis: brutaliteit, lef, het controversiële, de provocatie. Natuurlijk kun je van een schrijver niet verlangen (laat staan verwachten) dat hij voortdurend heilige huisjes omverhaalt, maar je mag daarentegen wel teleurgesteld zijn als het controversiële helemaal achterwege blijft.
Door de onderwerpen die hij kiest, suggereert Joost Zwagerman echter wel gevaarlijk te zijn, wel uit te dagen. En daar zit het ’m in. Als je wel 'maatschappelijk gevoelige’ onderwerpen neemt, maar nalaat ze op de spits te drijven, gaat er iets wringen.
NEMEN WE ZIJN indrukwekkende proza-oeuvre even door. De verhalenbundel Kroondomein en de roman De houdgreep zijn typisch eerste-boeken, waarin de schrijver zich allereerst zijn talent realiseert en daar vervolgens de mogelijkheden van verkent. Toen kwam Gimmick!, de roman waarmee Zwagerman doorbrak, en waarmee hij het imago verwierf van schrijver die 'met verbluffende kennis van zaken over underground en subcultuur’ schrijft, die 'provocerend’ is, 'verontrustende’ en 'navrante’ beelden schetst. Veel mensen schrokken van Gimmick!
De wereld van de roman, die men een beetje meende te kennen (kunst en cultuur en hippe mensen) bleek veel meer verloederd dan men dacht. Er werd vreemdgegaan, cocaïne gesnoven en met geld gesmeten. Waar moest dat heen met de jeugd, als ze zo liederlijk was als in Gimmick!?
Het in de ogen der braven zo controversiële boek is bij nadere beschouwing echter een uiterst brave roman. Bepaald niet provocerend. Dat heeft te maken met het standpunt van waaruit Zwagerman zijn verhaal vertelt. Net als in zijn latere boeken kiest hij ook in Gimmick! voor de afstand, het buitenstaan. Hoofdpersoon en ik-verteller Walter Raam neemt niet echt deel aan het leven dat hij beschrijft. Het zijn vooral de anderen (Eckhardt en Groen) die af en toe wilde dingen doen; hijzelf haakt telkens af wanneer het spannend wordt. Gaat hij met Groen naar de peepshow in New York, dan deinst hij terug: ’“Okay”, zei ze weer, “for one buck y'can touch m'here” - ze aaide zichzelf over haar tepels -, “for two it’s my pussy and for three I tunnaround. Right?” Het was allesbehalve right. Ik had niks te zeggen.
“Well?” zei ze bits.
“What’s your name?” vroeg ik stompzinnig. Gedroeg me nu al minutenlang als het volmaakt zachtgekookte ei.’
Wanneer Raam naar de Gimmick gaat, de disco, kent hij er niemand. Nadat hij met een meisje mee naar huis is gegaan, kijkt hij videoclips, rookt zich suf aan de Gauloises Blondes en drinkt maar liefst een half pak 'Yogi-Drink’ leeg, ('perziksmaak’), maar laat zijn verovering lekker liggen. Later hoort hij de dj muziek draaien waarvan hij de naam alleen kent van horen zeggen ('Bomb the Base’ in plaats van Bomb the Bass, en 'Stetastonic’ voor Stetsasonic). Hij wordt warm van Madonna en Prince, toch behoorlijk middle of the road.
Hij beleeft zijn eerste heftige moment als hij besluit: 'Morgen koop ik twee gram Columbiaanse cocaïne.’ Hoe zachtgekookt hij in wezen is, blijkt weer wanneer Walter de volgende dag zijn anderhalve gram marching powder in de Damstraat wil gaan verkopen, aan Duitse toeristen. (Ik moet de eerste coke-gebruiker nog tegenkomen die zijn kwaliteitsspul zonder het uitgebreid te versnijden doorverhandelt.) Maar hij deinst opnieuw terug, zodat hij door de twee geïnteresseerde jongens die hij aansprak half in elkaar wordt getrapt. Raam rent.
Steeds weer heeft hij het over geld, maar dat is niet omdat hij er zoveel van heeft dat hij het kan laten rollen, maar telkens uit benepenheid en schraperigheid.
'Nergens gevaar, overal thuis.’ Dat is Raam. Zijn vriend Groen typeert hem als volgt: 'geen guts, geen spirit en geen ballen’, 'wereldberoemd in Amsterdam, dat is jouw ideaal’, 'een hopeloze provinciaal.’ Wat hem pas echt goed bevalt is 'kamerplant zijn’, dat wil zeggen verzorgd worden door iemand die niets van hem wil. Ten slotte gaat Raam, wanneer hij een keertje serieus de stimulerende middelen in duikt, volkomen out. Nee, niks voor hem, dat wilde leven.
DOOR HET perspectief te kiezen van de provinciale buitenstaander haalt Joost Zwagerman meteen de angel uit zijn verhaal. Gimmick! wordt door die keuze het verslag van een verwonderde buitenstaander over een wereld die voor hem net zo wezensvreemd is als voor de gemiddelde burger. Een wereld op afstand, en goed beschouwd ongevaarlijk. Oké, er lopen wat opgefokte snuifyuppen rond, maar is dat nou zo spannend? Is dat zo 'bizar’? Het is 'bizar’ voor provincialen, hardcore-christenen, bejaarden en moraalridders.
Gimmick! is een meesterlijke roman, zeker, en Joost Zwagerman heeft buitengewoon virtuoos een personage neergezet dat niet durft, dat niet meegaat in het wereldje vol 'excessen’, die trouwens geen excessen zijn. Hij zet overtuigend een verteller neer die deep down strikte normen en waarden heeft, die heel goed weet wat het goede is en juist daarom - uit opstandigheid? om mee te doen? - nu en dan tracht het foute te doen. En net als een atheïst die door zijn revolte het bestaan van God bevestigt, benadrukt Raam door een keer een bankpasje te jatten dat stelen niet hoort, dat misdaad gewoon verkeerd is.
Dat de keuze voor dat veilige perspectief typisch is voor Joost Zwagerman, bewijzen ook zijn andere boeken. Na Gimmick! kwam Vals licht, een kloeke roman over de fascinatie van een student voor de wereld van de prostitutie, het 'schaduwbestaan’. Simon Prins leert de schimmige rosse wereld beter kennen als hij verliefd wordt op het meisje van plezier Lizzie Rosenfeld.
Vals licht hield kort na verschijnen de gemoederen van cultureel Nederland danig bezig. Helaas was de belangrijkste vraag steeds of Joost Zwagerman zelf naar een prostituee was geweest of niet. Het is de auteur niet aan te rekenen dat dat het niveau is waarop blijkbaar met literatuur wordt omgegaan, ook niet dat de grootste rel rond de roman het schrappen was van een belasterende pasage over een Bekende Nederlandse Hoerenloper. Wel is het tekenend dat het 'gevaar’ van Vals licht juist daarin school, en niet in zijn stellingname of maatschappijvisie.
Dat is te verklaren. In Vals licht kiest de auteur namelijk opnieuw een veilig perspectief. Wederom wordt het verhaal verteld van buitenaf, door een alwetende verteller, die boven de dingen staat. Er is weliswaar geen sprake van een opgeheven vingertje - hoerenbezoek wordt niet expliciet veroordeeld - maar net als voor de 'verloedering’ in Gimmick! geldt hier dat er wel degelijk een impliciete stellingname is, een morele voorkeur. Zo beleeft Simon een moment van intense opluchting wanneer de psycholoog, 'afkomstig uit de wereld van alledag, ver van de peeskamers en het nachtleven, er niet aan leek te twijfelen dat Lizzie en Simon al geruime tijd bij elkaar hoorden en zouden blijven horen. Hun liefde was niet langer clandestien! Alleen al de klank van Lizzies naam uit de mond van de psycholoog had op Simon het effect van een langgezochte bevestiging.’
Simons vreugde om deze 'erkenning’ is overweldigend. Zijn wereld is 'de wereld van alledag, ver van de peeskamers en het nachtleven’, de gewone burgerwereld, dus. Daar voelt hij zich het prettigst, daar hoort hij thuis.
TOEN KWAM De buitenvrouw. Ook na Guépins boutade kan ik met de beste wil van de wereld geen aanstootgevende zaken vinden in die kroniek van het multiculturele. Veel van de gesprekken tussen Theo, de blanke docent Nederlands en Iris, de zwarte gymnastieklerares, lijken rechtstreeks gediekstraad uit een Voorlichtingsfolder van Stadsdeel Oost ('Multicultureel wonen, spelen en werken. Ook voor u!’), en opnieuw kiest de schrijver hier een vertelperspectief dat nergens controversieel wordt, omdat het afstandelijk is. Ook in De buitenvrouw is het Zwagermans veilige distantie die de roman ten enen male ongevaarlijk maakt.
In zijn essaybundel In het wild levert Zwagerman in 'Redt de roman!’, kritiek op de literatuuropvatting van Bas Heijne, die neerkomt op l'art pour l'art. Gesoigneerde navelstaarderij, zou je ook kunnen zeggen. Het dédain van intellectuelen als Heijne voor de realistische tendens is niet terecht. Zwagerman houdt een warm pleidooi voor een literatuur waarin 'een standpunt wordt ingenomen’, 'maatschappijvisies en vragen naar een individuele moraal op scherp worden gesteld’. Met Hofland in de hand hoopt hij op 'zelfonderzoek en introspectie in combinatie met een alerte, dwingende en eigenzinnige blik op de wereld’.
In Nederland zijn maar weinig schrijvers die in hun werk buiten het eigen, persoonlijke domein treden, en het maatschappelijke en culturele leven in de roman opnemen. Ramen dicht, blik naar binnen, de wereld buiten, en schrijven maar - zo is het meestal. Joost Zwagerman houdt, besluit hij, 'graag de luiken open’, in navolging van de door hem bewonderde Saul Bellow en John Updike: 'In hun boeken klinkt continu het gegons door van de buitenliteraire werkelijkheid.’
Hiermee beschrijft Zwagerman impliciet zijn eigen werk en literatuuropvatting. In al zijn boeken klinkt ook dat buitenliteraire gegons. Dat maakt ze ook zo interessant voor een groot publiek. Daardoor zijn ze 'actueel’, daardoor krijgen ze een plaats (eisen die op) in het maatschappelijk debat, daardoor krijgen ze in zekere zin een meerwaarde, en een 'controversieel’ imago. Onbevooroordeelde, onbevangen lezing van de romans wijst echter uit dat er weinig tegendraads te ontdekken valt in Zwagermans oeuvre. Dat is niet erg. Dat is alleen jammer.