Bulgarije

Bulgarije: koning Simeon II (1937)

De eclatante stembusoverwinning van ex-koning Simeon II bij de Bulgaarse verkiezingen van 2001 was een opsteker voor de monarchale gedachte in Oost-Europa. Immers wat in Bulgarije kon, moest in al die andere voormalige Oostbloklanden met een koninklijk verleden ook mogelijk zijn, zo hoopten de pretendenten aldaar. Maar of Simeon Sakse-Coburgotski er als premier in zal slagen de Bulgaren te bewegen tot de herinvoering van de monarchie, is nog maar zeer de vraag. Voorlopig is tachtig procent van de Bulgaren tegen dat idee gekant.

Bij het aantreden van zijn kabinet (behalve door zijn eigen politieke vernieuwingsbeweging NDSV, gevormd door socialisten en de partij van de Turkse minderheid), beloofde Simeon dat hij binnen achthonderd dagen orde op zaken zou stellen in de door corruptie overwoekerde economie. In augustus loopt die deadline af en de resultaten zijn niet bepaald bemoedigend te noemen. Bulgarije is weliswaar goedgekeurd door Brussel om deel uit te maken van de EU, maar worstelt met tal van megaproblemen, waarvan het welig tierende banditisme niet het geringste is.

De populairste politicus van het land is niet de heetgebakerde Simeon, die als minister-president functioneert, maar de socialistische president Georgi Parvanov. De animo voor herstel van de monarchie, hetgeen de Bulgaarse grondwet trouwens verbiedt, is dunnetjes. Het lijkt erop dat de Bulgaren de ex-koning en zijn «yuppiepartij» eerder als politieke joker hebben ingezet om resoluut met het communistische verleden te breken, maar dat zijn houdbaarheidsdatum nadert.

Toch is Simeon — een afstammeling van de Duitse prins Ferdinand van Saxe-Coburg-Gotha, die in 1887 de vacante Bulgaarse troon aangeboden kreeg — al verder gekomen dan hij had kunnen dromen. In 1946 werd hij op last van Stalin van de Bulgaarse tsarentroon verwijderd en samen met zijn moeder uit de nieuwe volksrepubliek verbannen. «Kind-koning» Simeon was toen nog maar negen jaar oud. Zijn vader, tsaar Boris III, was in 1943 onder mysterieuze omstandigheden in Sofia overleden, kort na een bezoek aan Hitler in Berlijn. Velen namen aan dat het ging om een moordaanslag. Boris III, die zich in 1941 met het verdrag van Wenen aan de zijde van Duitsland en Italië schaarde en zo de oorlog verklaarde aan Griekenland en Joegoslavië, had zich de woede van de Führer op de hals gehaald door steun te weigeren aan de oorlog tegen de Sovjet-Unie. Ook het feit dat hij de vijftigduizend Bulgaarse joden niet aan de nazi’s wenste uit te leveren, had de toorn van Berlijn gewekt. Na de dood van Boris werd zijn zoon Simeon onder begeleiding van een driekoppige regentenraad op de Bulgaarse troon geïnstalleerd, maar tegen die tijd had de monarchie het bij de bevolking al geheel verbruid.

Na zijn vlucht bouwde Simeon in Spanje een nieuw leven op. Hij vergaarde een fors kapitaal met allerlei ondoorzichtige transacties en na de val van de Muur begon hij steeds heftigere avances te maken richting zijn geboorteland. In 1996 kwam hij onder massale belangstelling voor het eerst terug in Sofia. Hij wist diverse nog altijd anoniem gebleven investeerders te interesseren voor zijn spectaculaire verkiezingscampagne met de Nationale Beweging Simeon II, een nieuwe partij die stond voor een ethisch appèl aan de acht miljoen Bulgaren. «Het politieke systeem en zijn moraal hebben een onmiddellijke verandering nodig», zo luidde de verkiezingsboodschap van Simeon. «Er moet integriteit zijn, integriteit in alles.» Toen de ex-koning vervolgens 120 van de 240 zetels in het Bulgaarse parlement in de wacht sleepte, kwam dat ook voor hemzelf als een verrassing. Het leverde nog een moeizaam dilemma op: als Simeon toetrad tot het parlement moest hij een eed zweren op de grondwet en die verbiedt expliciet de terugkeer van de monarchie. Na een week weifelen besloot Simeon toch maar voor het premierschap te gaan. «Jullie kunnen me geen koning maken, ik ben al koning», zei hij tegen vertegenwoordigers van andere partijen.

Toch heeft Simeon II evidente monarchale eigenschappen. Zo spreekt de premier iedereen resoluut met de achternaam aan, typisch een koninklijk trekje. Ook heeft hij er geen bezwaar tegen om aangesproken te worden als «zijne majesteit».