Bulldozers op het Engelse platteland

Londen - De overwinning van de Tories tijdens de parlementsverkiezingen vorig jaar mei zorgde voor opluchting op het platteland. Toryland was gered. Er zou een einde komen aan het landjepik van de socialisten. Geen bulldozers en hijskranen op de heuvels en in de dalen van het green and pleasant land. Echter, alle hoop bleek tevergeefs. De Conservatief-Liberale coalitie gaat ruim baan geven aan landeigenaren en projectontwikkelaars.

Ongegrond was de hoop niet. Zes jaar geleden ging Caroline Spelman, de Conservatieve woordvoerder voor plaatselijke overheden, tekeer tegen de aanval van New Labours ‘leger van bulldozers en cementmixers’ die optrokken naar de groengebieden. In de Tory-pers verschenen cartoons van Luftwaffe-toestellen die het platteland bombardeerden met woningen.

Eenmaal op het pluche slaan de Conservatieven een heel andere taal uit. De onderminister van gemeenschappen Greg Clark zei dat iedereen die ageert tegen bulldozers zich schuldig maakt aan ‘zelfzuchtig nihilisme’. De minister van Financiën George Osborne zei dat ‘ja’ het automatische antwoord is op aanvragen om groengebieden te ontginnen voor woningen; volgens hem is dit nodig om economische groei te bewerkstelligen. Projectontwikkelaars hebben geld genoeg om te bouwen op brownfields, braakliggende terreinen in de stad, maar kiezen liever voor het lucratieve platteland.

De Conservatieven gaan met deze politiek terug in de tijd. In de jaren dertig en vijftig raakte Engeland verminkt door de aanleg van tuinsteden en eindeloze buitenwijken, met name rond Londen. In de jaren negentig begonnen de Conservatieven de nadruk te leggen op het volbouwen van brownfields, een politiek die door New Labour werd overgenomen. In The Guardian schreef Jenni Russell dat vooral de kustlijn het slachtoffer zal worden van deze knieval voor projectontwikkelaars. Als positief voorbeeld geeft ze Nederland ‘waar de traditionele schoonheid van de kustlijn met haar door duinen gescheiden dorpjes is gegarandeerd door controle op planning’.

Een van de eerste slachtoffers zal East Coker zijn, het dorpje in graafschap Somerset waar T.S. Eliot de tweede van zijn Four Quartets schreef. De gemeente wil 3700 huizen bouwen op het akkerland dat de dichter zoveel inspiratie had gegeven tijdens zijn bezoek in 1939. Eliot leek een voorgevoel te koesteren dat deze idylle niet kon blijven bestaan: ‘And we know that the hills and the trees, the distant panorama, and the bold imposing façade are all being rolled away’.