OVER DE ENORME HOPEN DIE WIJ DAGELIJKS PRODUCEREN

Bullshit

Harry G. Frankfurt

On Bullshit

Princeton University Press, 67 blz.

«Dat is absolute bullshit!» floepte er bij Jozias van Aartsen uit toen twee interviewers van NRC Handelsblad hem een vraag stelden, zo viel te lezen op de voorpagina en in het Zaterdags Bijvoegsel van die krant, en daarmee sprak de fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer over een opdringerige aanwezigheid in ons bestaan. In toenemende mate wordt onze cultuur gekenmerkt door bullshit. Zeker, bullshit bestaat er al zolang de mens bestaat, maar de totale hoeveelheid bullshit, in al zijn verschillende vormen, wordt almaar groter en groter. Niemand die niet bijna dagelijks een eigen bijdrage bullshit doneert en wellicht is het juist omdat productie en verspreiding van bullshit voor ons allen zulke alledaagse fenomenen zijn dat niemand het onderwerp bullshit eerder tot onderwerp van uitputtende analyse maakte.

Jazeker, van verwante processen tussen mensen en omgeving hebben moderne wetenschappers eerder lucht gekregen, men kan denken aan de grote boodschap van taalfilosofen als Wittgenstein, Austin en Searle, maar emeritus hoogleraar filosofie Harry G. Frankfurt was de eerste die aan het onderwerp een exclusieve studie wijdde en die twintig jaar geleden presenteerde in een lezing aan Yale. «Wij hebben geen helder begrip van wat bull shit is», zo sprak hij zijn gehoor toe, «waarom er zo veel van is en welke functies het dient. En we missen een bewust ontwikkelde waardering van wat het voor ons betekent.» De tekst werd nu heruitgegeven in de Verenigde Staten van Amerika en de tiende druk is al bereikt. In Engeland gaan momenteel per dag zo’n vijftig exemplaren over de toonbank. Het onderwerp is blijkbaar populair.

Laten we alvorens te roeren in de boodschap van Frankfurt eerst onze neus nogmaals steken in de bullshit van Jozias van Aartsen. Want wat zou Van Aartsen bedoeld hebben toen hij een vraag van twee journalisten als dusdanig bestempelde? Volgens Van Dale betekent bullshit «onzin, kletskoek, rotzooi». Dat zijn dan meteen drie verschillende manieren om het extract van Van Aartsen mee af te tasten. Spraken de journalisten onzin, dan was hun vraag volgens Van Aartsen een nutteloze denkexercitie geweest. Ging het om kletskoek, dan denken we al snel aan onware kletspraat en had Van Aartsen minder goede bedoelingen gedetecteerd. En zou het zijn gegaan om rotzooi, dan was de journalisten verweten dat ze hun vak niet goed verstonden.

Voorlopige conclusie: ook voor het Nederlands kan nader onderzoek naar bullshit reinigend werken.

Frankfurt begint zijn essay met enkele opmerkingen over verwante fenomenen zoals bijvoorbeeld humbug en liegen, waarbij sprake is van opzettelijk misrepresenteren. Hij merkt op dat bij liegen altijd sprake is van dubbele misrepresentatie. Een leugen heeft een bepaalde relatie met de leugenaar: een leugen is een leugen omdat de spreker de intentie heeft ermee te liegen. Daarmee, schrijft Frankfurt, is tegelijk ook sprake van dubbele misrepresentatie en hij illustreert dit met een voorbeeld. Wanneer hij liegt over het geldbedrag in zijn broekzak uit hij twee onwaar heden: het publiek krijgt een ander bedrag dan het ware bedrag te horen, en omdat hij een onwaarheid debiteert wordt het ook nog voorgelogen over Frankfurts oprechtheid. Het heeft namelijk geen aanwijzing dat Frankfurt niet de waarheid vertelt.

Zou dit ons al dichter brengen bij Van Aartsens detectie van bullshit? Dan zou het betekenen dat Van Aartsen de dubbele misrepresentatie heeft herkend en bedoelde hij te zeggen dat hij zich ervan bewust is dat 1) de in de vraag verpakte assumptie niet juist was, en dat bovendien 2) de journalisten toch die vraag hebben gesteld, wetende dat de vooronderstelling niet klopt.

Het is een veronderstelling, die we met behulp van Frankfurts essay hebben kunnen trekken, maar, om eerlijk te zijn, het is nou niet bepaald een conclusie waar we zelf op zondagmorgen bij het nog eens doorbladeren van de zaterdagkrant niet op uit hadden kunnen komen. Maar voort, we waren slechts bij de inleidende opmerkingen van Frankfurt, die nu pas echt aan het peuren gaat. Daarbij komt hij onder meer met een prachtige uitweiding waarin hij laat zien dat de tegenstelling tussen vakmanschap en bullshit slechts paradoxaal is. Uiteindelijk komt hij te spreken over het bluf-gehalte van bullshit, waarbij hij citeert uit de roman Dirty Story van Eric Ambler: «Never tell a lie when you can bullshit your way through.»

De overeenkomst tussen de leugenaar en de bullshitter is niet dat beiden onwaarheden debiteren. De bullshitter hoeft niet per se over feitelijkheden te liegen om bullshit te verkopen, hij kan er wel, bewust of onbewust, over liegen, maar de feitelijke onwaarheid van zijn bewering maakt nog niet dat hij bullshit spreekt. Wat maakt dat hij bullshit spreekt, is dat hij misrepresenteert wat zijn eigenlijke bedoeling is: hij laat niet de waarheid blijken over waar hij nou eigenlijk mee bezig is.

Kijk, en daarmee kunnen we nog eens naar de opmerking van Van Aartsen kijken. Wat blijkt nu dat hij tegen zijn interviewers zei? Hij herkende hun intentie als anders dan simpel geïnteresseerd of de in de vraag opgeworpen stelling juist dan wel onjuist was. Met zijn «bullshit!» gaf hij aan te weten dat de twee de werkelijke bedoeling van hun vraag maskeerden, en naar die werkelijke bedoeling kunnen wij nu slechts gissen: wilden ze hem even stangen en op de kast krijgen? Een open sfeer creëren? Slechts het ijs breken? Maar verstond Van Aartsen zijn «bullshit!» op de wijze waarop Frankfurt haar analyseerde, dan bedoelde Van Aartsen er niet per se mee te zeggen dat zijn interviewers onwaarheid spraken (de vraag, overigens, was of het uit de fractie stappen van VVD’ers betekent dat zijn leiderschap faalt).

Rest nog de vraag waarom bullshit zo’n populair onderwerp is. Volgens de uitgever is het dat in Engeland omdat het relevant is voor het debat over spin. Duidelijk is ook dat hoe meer communicatie via radio, tv, internet en telefoon er bij komt, des te meer bullshit er wordt verspreid. Volgens Frankfurt bestaat er weinig alternatief dan toch maar te zeggen wat er in je opkomt in een poging zinnig over te komen. Opvallend genoeg noemt hij niet apart de journalistiek maar stelt hij wel dat elke aansprekelijke politicus een «24-hour bullshitter» is.

Maar voor de journalistiek hebben we hier bullshit-detector Van Aartsen.