David Graeber, anarchist met een kleine ‘a’

‘Bureaucratie is het water waarin we zwemmen’

Hij is de belangrijkste radicale denker van dit moment. David Graeber schreef een briljant boek over schuld, maar was ook een van de initiatiefnemers van Occupy. Een gesprek over bureaucraten, anarchisten en de kunst om te ‘leven alsof we nu al vrij zijn’.

Medium david graeber definitief

Het was begin 2011 toen David Graeber een lang gesprek had met een Egyptische collega-activiste, Dina. Op het Tahrirplein in Caïro was niets minder dan een revolutie gaande tegen het oude regime van dictator Moebarak. ‘Dina vertelde hoe gek dat is’, herinnert Graeber zich. ‘Jarenlang zet je je in voor een betere wereld. Je regelt bijeenkomsten, organiseert demonstraties, telkens weer opnieuw. Vaak komen er niet meer dan vijftig mensen opdagen. Soms zijn het er honderd en ben je blij. En dan, op een dag, verzamelen zich plotseling een half miljoen mensen op jouw protest. Onvoorstelbaar! Maar zo kan het gaan. Je vergeet dat je kunt winnen, merkte Dina op. Dat gold ook voor mij, voor ons: we waren vergeten dat we konden winnen. En toen kwam Occupy.’

We bevinden ons in de kantine van de statige London School of Economics in het hart van de Britse hoofdstad, waar David Graeber sinds kort verbonden is aan de faculteit antropologie. Na lang te hebben gewikt en gewogen bij de kantinejuffrouw – frisdrank of sap – heeft hij toch maar voor dat laatste gekozen. Nu zit hij afwachtend aan een tafeltje, een goudgeel gilet boven een blauwe spijkerbroek, ‘de anti-leider van Occupy Wall Street’, zoals BusinessWeek hem in een artikel noemde.

In die omschrijving zit wel iets. Niet alleen omdat Graeber in elk interview moet benadrukken dat hij slechts één van de initiatiefnemers was van Occupy; dat de beweging, die eind 2011 haar tentenkampen opzette op pleinen overal in Amerika en de rest van de wereld, überhaupt niet aan leiders doet. Maar Graeber is ook daadwerkelijk geen leider. Noch van het charismatische Martin Luther King-soort, noch van het slag ‘baasjes’, zoals activistische groepen die in weerwil van hun egalitaire principes helaas maar al te vaak kennen.

David Graeber praat enigszins binnensmonds. Zo nu en dan giechelt hij ongemakkelijk. Maar gaandeweg het gesprek komt hij los, wint zijn stem aan kracht, en formuleert hij zonder aarzeling de ene na de andere spannende gedachte. Want dat is óók Graeber: niet alleen politiek geëngageerd, maar ook dol op het ondermijnen van gangbare aannames. Reik hem een idee aan en hij zet het op z’n kop. Het maakt hem zonder twijfel de meest originele, onvoorspelbare dwarsdenker van het moment.

Occupy heeft een enorme invloed gehad op het politieke debat. Maar voert het niet te ver om het te vergelijken met een revolutionaire situatie zoals rond de val van Moebarak in Egypte?

‘Wereldhistorische, revolutionaire momenten veranderen onze politieke common sense. Ze markeren een breuk in wat mensen denken dat politiek wel en niet mogelijk is. Als je twintig jaar voor de Franse Revolutie iemand verteld had dat verandering goed is, of dat de staat haar autoriteit ontleent aan het volk, dan had hij je voor gek verklaard. Weer een van die rare lui die te veel in koffiehuizen rondhangt. Maar enkele decennia later waren zulke ideeën plotseling heel normaal. Dát is wat een revolutie doet. Ik denk dat de gebeurtenissen in 2011 – van de bezetting van pleinen in Spanje en Griekenland tot de omwentelingen in Tunesië en Egypte, tot de Occupy-beweging, zo’n soort breuk markeren. In die zin wás het een mondiaal revolutionair moment à la 1789 of 1968. Overal op de wereld werd de ruimte van de politieke verbeelding met succes opengebroken. Dat maakt een gigantische hoeveelheid creativiteit los. Zodra mensen zich niet langer iets aantrekken van wat voor politiek realistisch doorgaat, opent zich een heel nieuwe wereld vol mogelijkheden.’

Welke politieke common sense is er deze keer dan precies veranderd?

‘Ik denk dat we dat pas over een paar jaar echt goed kunnen zien. Maar wat al deze gebeurtenissen in elk geval gemeen lijken te hebben, is een nieuwe consensus over hoe een democratische beweging behoort te functioneren. Het gaat om wat Gandhi bedoelde met dat je zelf de verandering moet belichamen die je wilt zien in de wereld.

Kijk naar het oproer op het Taksimplein in Istanbul vorig jaar, of naar de Braziliaanse acties in de aanloop naar het WK. Tot voor kort heerste het idee dat als je verandering wilt, je uiteindelijk een partij moet oprichten om zo de gevestigde politiek uit te dagen. Maar de nieuwe golf van democratische bewegingen probeert de staatsmacht helemaal niet over te nemen. Want de gevestigde politiek – je kunt ook spreken van de “diepe staat” – luistert toch niet naar de burgers. Uiteindelijk legt zij slechts verantwoording af aan het mondiale kapitaal. Echte verandering komt daarom niet tot stand door de bestaande machten te vervangen door nieuwe partijen. Het is veel effectiever om de machthebbers elke schijn van legitimiteit te ontnemen.’

Vandaar de onwil bij Occupy Wall Street – fel bekritiseerd door media en politieke partijen – om met concrete politieke eisen te komen?

‘Precies. Occupy keerde zich tegen de rol van het grote geld in de politiek. Dat verander je niet door zelf deel te nemen aan het politieke proces. In feite zeg je dan tegen een beweging die vindt dat de Amerikaanse politiek neerkomt op omkoping: ga ook steekpenningen innen. Alsof dat zou werken.

‘We hebben ons hele leven lang te horen gekregen, op duizend verschillende manieren, dat échte democratie onmogelijk is’

Ik sta een andere strategie voor. Iemand noemde het de Argentijnse optie. Daar werd aan het begin van deze eeuw de ene na de andere regering weggejaagd. Burgers organiseerden politieke bijeenkomsten. Arbeiders bezetten fabrieken. De bevolking nam zelf het heft in handen, tot op het punt waar geen enkele politicus zich meer op straat kon vertonen. Uiteindelijk waren het heel gematigde sociaal-democraten die aan de macht kwamen. Mensen die normaliter alles bij het oude hadden gelaten. Maar ze móesten wel radicale stappen nemen omdat het politieke systeem volledig gedelegitimeerd was. Dus schortten ze de afbetaling van de Argentijnse schuld op. Die actie was het begin van het einde van de schuldencrisis in de Derde Wereld, en bijna ook van het imf. Heel radicaal, kortom. Maar deze regering had dat nooit gedaan als de ontevreden Argentijnen zich als vanouds braaf kandidaat hadden gesteld voor een politiek ambt.’

In zijn vorig jaar verschenen boek The Democracy Project blikt Graeber terug op het onverwachte succes van Occupy, dat op het eerste gezicht even snel opkwam als verdween. Hij beschrijft hoe aanvankelijk tal van plannen de revue passeerden – zoals een ‘cocaïneblokkade’, afgedwongen door een menselijke keten rond Wall Street, om de bankiers op de knieën te krijgen (‘en na drie dagen ook geen prostituees meer!’). Uiteindelijk werd gekozen voor de bezetting van een plein – een actie die wereldwijd navolging vond. Hetzelfde gold voor de belangrijkste leuze van Occupy: ‘Wij zijn de 99 procent.’

Het boek levert ook alsnog iets wat op een ideologie, een strategie en een geschiedenis lijkt bij de onstuimige Occupy-beweging. Graeber plaatst haar in een lange, democratische traditie. Directe democratie, welteverstaan, niet de afgezwakte representatieve variant. ‘Directe democratie kan zeker in kleinere groepen een efficiënte manier zijn om zaken te regelen’, meent Graeber. ‘Maar het doet je vooral ook beseffen dat we ons hele leven lang, op duizend verschillende manieren waarvan we ons vaak niet eens bewust zijn, te horen hebben gekregen dat échte democratie onmogelijk is. Mensen zouden irrationeel zijn; ze weigeren compromissen te sluiten; er zouden rellen komen. Ik vergelijk altijd het oude Griekenland en Rome. In Athene kwamen de mensen samen op de agora. Daar konden ze deelnemen aan het publieke debat. Maar waar verzamelden de Romeinen zich in het keizerrijk? Inderdaad, het Circus of het Colosseum. Voor zover ze mochten stemmen, betrof dat de vraag of iemands hoofd eraf moest. Als om duidelijk te maken dat dát is wat er gebeurt als je het volk laat meebeslissen. Dan wordt het bloederig. Dat beeld heeft zich vastgezet in ons hoofd. Don’t try this at home. Laat de politiek alsjeblieft over aan de experts.’

U wijst terecht op de wereldwijde populariteit van protestbewegingen die pleiten voor radicale democratie. Maar is er niet een keerzijde? Door niet direct met concrete alternatieven te komen, geef je andere partijen de gelegenheid om het politieke vacuüm te vullen. Kijk maar naar Egypte, waar de revolutie eerst gekaapt werd door de Moslimbroeders en vervolgens uitmondde in een nieuwe militaire dictatuur.

(Aarzelend) ‘In een land als Egypte kampen veel mensen met heel onmiddellijke, praktische problemen. Die kun je niet allemaal autonoom oplossen. De Egyptische economie leunt zwaar op buitenlandse allianties. Het hulpgeld dat daarmee gemoeid is – van de VS, van sommige Golfstaten – moet blijven stromen. Ik denk dat dat alles veel gecompliceerder maakt. Het soort democratisch experiment dat ik voorsta, kun je pas echt uitvoeren in een setting waarin je daadwerkelijk zeggenschap hebt over je eigen toekomst.

De oplossing is in elk geval niet om dan maar zelf naar de wapens te grijpen. Je wilt geen leger creëren. Want zodra je dat doet, gaat het zich ook gedrágen als een leger. Het voornaamste bezwaar tegen geweld heeft volgens mij weinig te maken met de vraag of het nou wel of niet oké is om een ruit te vernielen. Het probleem is welke gevolgen geweld heeft voor je eigen organisatie. Denk aan de hiërarchische structuren die geweld onvermijdelijk met zich meebrengt. Wat doet dat met de democratie binnen je beweging?’

Medium david 7229750114 70454ed337 o

Geweld – het is de rode draad in het denken van David Graeber. Zo ook in zijn veelgeprezen boek Debt: The First 5000 Years. Dat is niet alleen een even knap als verrassend overzicht van de geschiedenis van een hoogst actueel begrip. Door zich te richten op ‘schuld’ weet Graeber ook op subtiele wijze het economisch denken te repolitiseren. Hij laat zien dat schuld sinds jaar en dag niet enkel een financiële kwestie is, maar minstens zozeer met moraal en macht te maken heeft. Dat raakt aan de onuitgesproken aanname achter al zijn werk. Die valt als volgt samen te vatten: achter elke wet van een overheid, maar evengoed achter elke economische transactie, staat uiteindelijk een man met een wapen.

Begin erover en er volgt onvermijdelijk een sneer naar Michel Foucault. Of beter: naar de talrijke volgelingen die de Franse filosoof nog altijd heeft op de Amerikaanse en Europese universiteiten. Goed betaalde academici die, zonder ooit hun handen vuil te maken aan concrete politiek, zichzelf graag zien als radicaler dan alle sociale bewegingen bij elkaar. Hij heeft niks met Foucault, benadrukt Graeber. Veel te defaitistisch. ‘Alsof er geen uitweg is.’ Maar juist die uitzichtloosheid maakt Foucault aantrekkelijk voor de radical chic. Het biedt hun een mooi excuus voor politieke passiviteit.

Volgens Foucault heeft fysiek geweld in onze westerse samenleving plaatsgemaakt voor subtielere mechanismen van indoctrinatie, disciplinering en andere ‘zachte dwang’. Onzin, stelt Graeber zichtbaar geïrriteerd. ‘Waarom is die disciplinering waarover Foucault het heeft zo effectief? Omdat er de dreiging is met geweld. Het verraderlijke is dat veel mensen, en zeker de Foucault-aanbidders op de universiteit, daar zelden mee in contact komen. Maar stap voor de aardigheid eens zonder geldig pasje een universiteitsbibliotheek binnen, en weiger weg te gaan. Uiteindelijk zal er toch een of andere gewapende vent komen met een taser om je af te voeren. Weet je wat grappig is? Ik heb dit ooit eens als fictief voorbeeld gebruikt in een tekst. Sindsdien krijg ik elk jaar wel een mail van iemand die me op precies zo’n voorval aan een universiteit wijst!’

De dreiging met geweld wordt ook vaak verhuld door bureaucratische voorschriften, wetten en regels. Uw nieuwe boek schijnt daarover te gaan. Kunt u een tipje van de sluier oplichten?

‘Het bestaan van een alternatief voor de huidige orde is een existentiële bedreiging voor de babyboomgeneratie’

‘Het idee achter het boek is dat er geen linkse kritiek op bureaucratie meer bestaat. In de jaren zestig was die er nog wel. Maar dat was een heel andere wereld. Tegenwoordig heeft alleen rechts een bureaucratiekritiek. Een slechte, weliswaar, maar daar bestaat zoiets tenminste nog.

Wat ik fascinerend vind, is dat het aantal verwijzingen naar bureaucratie in boeken en artikelen piekt rond 1973, om daarna gestaag te dalen. We praten dus niet langer over bureaucratie. Maar zoek je op een term als “papierwerk”, dan zie je dat het daar almaar meer over gaat. Als ik een uur aan de telefoon moet hangen met mijn bank – bijvoorbeeld om een of andere automatische incasso terug te draaien – dan is dat een ongelooflijk bureaucratische verschrikking. Maar we hebben het er zelden over. Bureaucratie is het water geworden waarin we zwemmen; we nemen het gewoon niet waar.’

Het verschil met de bureaucratie van de jaren zeventig is dat die in dienst stond van de welvaartsstaat. Nu ben je uren bezig met het uitzoeken van een energieleverancier of het annuleren van een telefoonabonnement.

‘Dat is een groot verschil. Er is een wereld gecreëerd waarin publieke en private bureaucratieën dusdanig met elkaar vermengd zijn geraakt, dat ze grosso modo een en dezelfde zijn. Maar wij zien dat niet. We hebben het idee dat bureaucratie altijd verbonden is met een overheid. Het vervelende is dat er zo een tegenstelling wordt geframed tussen bureaucratie en de markt. Waardoor linkse mensen zich soms zelfs geroepen voelen die bureaucratie te verdedigen. Maar juist de combinatie van marktwerking en bureaucratie is gruwelijk. Je schuift de meest tenenkrommende elementen van de publieke sector en het bedrijfsleven ineen. Denk aan de Britse universiteiten met hun enorme laag bureaucratie. Hoe kun je dat verdedigen? Dat is een nachtmerrie.

Een tweede verschil is dat de nieuwe bureaucratie vaak als doel heeft om je geld afhandig te maken. Neem diploma’s. Zonder zulke papieren kom je in de westerse wereld nergens meer. Om die te krijgen, sluiten mensen studieleningen af. Vervolgens dragen ze de rest van hun leven een fors percentage van hun inkomen af – alles om maar aan die bureaucratische eisen te voldoen.’

Jonge Amerikanen zijn gemiddeld een kwart van hun inkomen kwijt aan de afbetaling van hun schulden. Graeber wijst er fijntjes op dat zij daarmee meer afdragen aan Wall Street dan aan de Amerikaanse overheid via de belastingen. ‘We leven in het tijdperk van de totale bureaucratie. Wat denk je, is dat een geschikte titel voor mijn boek?’

Klinkt onheilspellend. Maar het is inderdaad niet het eerste waar mensen aan denken bij het Amerikaanse liberale kapitalisme.

‘Het Britse kapitalisme was nooit erg bureaucratisch. Het draaide om een combinatie van kleine familiebedrijfjes en haute finance. Iedereen kon een kleine onderneming beginnen. De Britten geloofden echt in hun eigen vrije-marktretoriek. Maar in de eerste helft van de twintigste eeuw spande het erom wie Engeland zou opvolgen als belangrijkste wereldmacht: de Verenigde Staten of Duitsland. Natuurlijk, het waren rivalen. Maar ze stonden eenzelfde soort kapitalisme voor. Eén waarin enorme bureaucratische concerns centraal staan.’

Graeber begint te lachen: ‘Eigenlijk zijn de Verenigde Staten veel meer een Duits dan een Engels land. Wat zijn de twee nationale Amerikaanse gerechten? Juist, de hamburger en de frankfurter. Dat lijkt me genoeg bewijs, niet? Maar serieus: Amerika is een van de meest gebureaucratiseerde landen ter wereld. Een private bureaucratie, uiteraard. Max Weber heeft dat al opgemerkt. Het verschil met Europa was volgens hem dat Amerika geen onderscheid maakte tussen publieke en private bureaucratie. En inderdaad, als je op een kantoor werkt in een middenfunctie, dan maakt het echt weinig verschil of dat voor de overheid is of in dienst van een bedrijf. In beide gevallen vul je je dag met eindeloze vergaderingen, rapporten schrijven en ander papierwerk. Ik heb dat eerder omschreven als bullshit jobs.

Opmerkelijk genoeg is er zelfs een verband tussen de door hem gehekelde ‘totale bureaucratie’ en de geboorte van David Graeber als activist. Natuurlijk, radicaal was hij altijd al. Hoe kan het ook anders met een vader die meevocht in de Spaanse burgeroorlog en een moeder die naaister was. In die hoedanigheid speelde ze de hoofdrol in de vakbondsmusical Pins Needles, eind jaren dertig een hit op Broadway. Toch leidde de in New York opgegroeide Graeber lange tijd het leven van een brave academicus, zij het een met dwarse denkbeelden.

Daar kwam plotseling verandering in rond de eeuwwisseling, vertelt Graeber. ‘Op een dag – ik doceerde toen nog op Yale – stuitte ik na afloop van een college over macht en kosmologie op een krant. Ik las de kop: “Martial Law Declared in Seattle”. Bizar. Zodra ik me ging verdiepen in wat daar gebeurde, besefte ik dat dit de sociale beweging was waarvan ik altijd gewenst had dat die bestond. Cool, dacht ik, hoe kan ik meedoen?’

‘Meestal worden individuen, zodra ze zich in een massa begeven, dommer. De kunst is om een groep mensen slimmer te maken’

Zo raakte Graeber betrokken bij de globaliseringsbeweging, die van zich deed spreken met spectaculaire blokkades van topontmoetingen van de Wereldhandelsorganisatie, het imf en de G8. ‘Ik realiseerde me pas achteraf dat het helemaal niet om vrijhandel ging. Waar wij ons toen tegen keerden, was niets minder dan de bureaucratisering van de planeet. Vandaar die acties in steden als Seattle, rond vergaderingen van de Wereldhandelsorganisatie en het imf. Dat waren handelsbureaucratieën.’

U noemt zichzelf een anarchist met een kleine ‘a’. Wat moet ik me daarbij voorstellen?

‘Anarchisme is voor mij vooral een praktijk, niet per se een ideologie. Ik kan speculeren over hoe ik dénk dat een samenleving zonder staat eruit ziet, maar ik kan het ook fout hebben. Ik heb geen zin om me daar nu al druk over te maken.’

Het gaat hem bovenal om twee principes, legt hij uit. Ten eerste: directe democratie. Ten tweede: directe actie. Dat betekent dat je je niet tot de overheid wendt met het verzoek om toch alsjeblieft niet te bezuinigen op cultuur, of onderwijs. In plaats daarvan gedraag je je zoveel mogelijk alsof die van bovenaf opgelegde macht – inclusief grenzen, politie, de hele mikmak – niet bestaat. Dat is voor hem anarchisme. In de woorden van Graeber: ‘Het gaat erom te leven alsof we nu al vrij zijn.’

Voor veel mensen zal dat klinken als een utopie. Een prachtig ideaal, maar onmogelijk in de praktijk te brengen.

‘En dat terwijl grote delen van de wereld nu al zonder overheid functioneren! Ik heb als antropoloog onderzoek gedaan in Madagascar. Het duurde een tijd voordat ik besefte dat het wettelijk gezag daar zo’n beetje ophield bij de rand van de snelweg. De mensen leidden een leven zonder staat. Oké, de overheid betaalde enkele leraren en een eind verderop was een ziekenhuis. Maar niemand droeg belasting af. Als er iets aan de hand was, kwam er geen politie langs. Toch leek niemand zich daarvan bewust. Er heerste een soort stilzwijgende afspraak om te doen alsof de overheid er nog was, zonder je daar veel van aan te trekken. Ik denk dat er veel meer van zulke plekken zijn op de wereld.’

Zeg dat wel. Somalië, Irak, het zuiden van de Filippijnen. Maar de situatie daar heeft meer weg van een hobbesiaanse nachtmerrie van alles tegen iedereen dan van een anarchistische utopie…

‘Dat hangt helemaal af van de omstandigheden waarin de centrale autoriteit desintegreert. Inderdaad, mensen wijzen mij vaak op Somalië. Maar daar wás al een burgeroorlog aan de gang. Het is niet zo dat er eerst een fijne, blije staat was, en dat zodra die verdween de mensen ineens veranderden in warlords. Voor mij was het juist een eye-opener dat wanneer de staat geleidelijk verdwijnt, in een situatie zonder burgeroorlog en bewapende fracties, er in veel opzichten verrassend weinig verandert. Zoals in Madagascar dus. Wat is het toch met leven in een maatschappij waarin je voortdurend in de gaten gehouden wordt, waarin er altijd de dreiging van geweld is, dat we denken dat we niet zonder dat verstikkende gezag kunnen?’

U lijkt veel optimistischer dan de meeste filosofen, economen en sociologen over de kansen voor fundamentele alternatieven.

‘Ik denk dat er heel veel mensen bezig zijn met radicale experimenten. Maar ze worden grotendeels genegeerd. Dat is het verschil met de jaren zestig en zeventig. Weet je waar dat volgens mij ook mee te maken heeft? Het bestáán alleen al van een alternatief voor de huidige orde is een existentiële bedreiging voor de babyboomgeneratie. Veel mensen die in de jaren zestig en zeventig activist waren en nu op hoge posities zitten, bijvoorbeeld in de media, hebben zichzelf ervan overtuigd dat ze geen sell-outs zijn. Ze maken zichzelf wijs dat wat ze toen wilden gewoon niet realistisch was. Homohuwelijk en een beetje minder klimaatopwarming, dat is wel zo’n beetje het heftigste wat je kunt uithalen. Al het andere is crazy.

Maar stel je nou eens voor dat je tegen zo iemand zegt: radicale alternatieven zijn wél mogelijk. Ze zijn zelfs heel populair! Dan zeg je in feite tegen hem: je bent inderdaad een sell-out. Dat zorgt natuurlijk voor paniek. Het is echt cruciaal voor het zelfbesef van de babyboomers dat alle radicalen gek zijn.’

Toch is het een gegeven dat veel activisten na een jaar of vijf, soms tien, afhaken. U bent doorgegaan. Waarom?

‘Ach… ik verkeerde natuurlijk in een positie waarin ik dat kon. Als je wanhopig moet proberen je studieschuld af te betalen, houd je weinig tijd over voor politiek. Maar het heeft vast ook met iets anders te maken. Ik moet wat bekennen: ik houd van politieke vergaderingen. Natuurlijk kunnen ze verschrikkelijk zijn, maar als het goed loopt… Meestal worden individuen, zodra ze zich in een massa begeven, dommer. De kunst is dus om een groep mensen slimmer te maken dan ieder voor zich is. Dat kán! Dan word je onderdeel van dat collectieve brein dat intelligenter is dan je eigen hersenen. Als je dat meemaakt, wow, dat is magisch.’


Beeld: David Graeber bij de presentatie van zijn boek Inside Occupy in Frankfurt am Main (Tine Nowak/Flickr).