Job Cohen in Mokum

Burgemeester in oorlogstijd

Gaat Job Cohen Mokum beschermen tegen de rukwinden uit Europa? Of worden op zijn last de coffeeshops dichtgetimmerd?

Een van de zeldzame keren dat Job Cohen ons een inkijkje in zijn privé-universum gunde, was in een interview in dagblad Trouw van 12 augus tus jongstleden. Cohen memoreerde daarin zijn Groningse studententijd in de gelederen van het Vindicat-corps. Hij vertelde dat het beeld van zijn eerste dag bij Vindicat, toen hij ontgroend en reeds met kale kop in de rij eerstejaars stond opgesteld, hem altijd was bijgebleven. Om «afstand te nemen» van het brute corpscultuurtje stortte de student rechten zich op het boek Collaboratie en verzet, de door Renate Rubinstein en Aad Nuis geredigeerde oorlogsmemoires van Friedrich Weinreb, toen net verschenen en meteen onderwerp van felle polemiek.

«Ik was gefascineerd hoe Weinreb beschreef hoe iemand de kleur van het systeem aannam en er vervolgens dwars doorheen kon breken», aldus Cohen in Trouw. «Het idee dat iemand verzet kon plegen tegen zo'n enorme organisatie door er als een mol doorheen te lopen, vond ik een eye opener, juist omdat zo'n manier niet zo bij me past.»

Uit het normatieve exposé dat volgde blijkt dat Amsterdam het qua filosofische grondhouding slechter had kunnen treffen dan met prof. mr. M.J. Cohen. «Ik vind eigenlijk dat iedereen zich altijd netjes aan de regeltjes moet houden en de beschrijving van iemand die dat als individu niet deed, een type als Weinreb, dat vond ik destijds interessant. De meeste Nederlanders hebben zich tijdens de bezetting keurig aan de regels gehouden met alle gevolgen van dien. Daaruit kun je twee conclusies trekken: je kunt zeggen dat we ons dus maar niet al te streng aan de regels moeten houden, want dat kan tot vreselijke dingen leiden. Je kunt ook zeggen dat we ons uiterste best moeten doen dat de regels in onze samenleving deugen en draagvlak krijgen, opdat op die manier de wereld beter wordt. Dat is volgens mij de enige manier. Zonder regels werkt het niet».

Het is een adequate omschrijving van de toestand van permanente intellectuele twijfel die het handelsmerk is geworden van de door de wol geverfde academicus Cohen. Een ethisch zwaargewicht, integer, onkreukbaar, zo wordt hij in de regel genoemd. Tegelijkertijd een man met een enorme drive. Het opstellen en door de Kamer jagen van de Vreemdelingenwet geldt zonder twijfel als zijn grootste politieke prestatie. Op grond daarvan werd hij ook uitverkoren voor het Amsterdamse burgemeesterschap. Het was materie waar niemand anders zijn handen aan wenste te branden. Staatssecretaris van Justitie zijn, staat vrijwel altijd gelijk aan politieke zelfmoord. Wie heeft ooit nog gehoord van mevrouw Haars? Of Aad Kosto? Inderdaad, ze zijn verdwenen van het politieke toneel, opgebrand, politiek onbemiddelbaar vanwege het ijselijke imago dat ze met hun tropenjaren op Justitie hebben opgelopen.

De functie van staatssecretaris van Justitie impliceert automatisch dat je de hellehond van het kabinet bent: als bewaker van het asielbeleid dienen er dagelijks besluiten te worden genomen ten aanzien van de meest schrijnende humanitaire dilemma’s. Het zijn beslissingen die gaan over uitersten, over leven en dood, op de scherpste snede tussen medemenselijkheid en eigenbelang. Wie daar als politicus heelhuids uitrolt, sterker nog, promotie maakt naar een van de meest gewilde functies van bestuurlijk Nederland, moet wel van zeer goede huize komen.

Cohens Vreemdelingenwet kreeg enorme waardering. Van links tot rechts is men het erover eens dat hier sprake was van een staaltje onversaagde politieke heldenmoed. Cohen werd alom geprezen vanwege zijn vermogen «impopulaire maatregelen» te nemen. De tv-beelden van de staatssecretaris die op kaplaarzen de modderige tentenkampen van Ermelo bezocht waar de nieuwe asielzoekers werden opgeborgen, schoten de wereld over als het symbool van een grote ommezwaai in de Nederlandse asielpolitiek. Er kwam een nieuw woord in het Nederlands: de «Cohen-tent».

Drama na drama volgde. De Turkse kleermaker Gümüs werd met zijn familie op het vliegtuig gezet, ondanks smeekbeden van burgemeester Patijn. Tientallen «witte illegalen», geconfronteerd met uitzetting, gingen in hongerstaking. Er kwamen berichten dat uitgezette Turkse Koerden in hun moederland waren gedood. Het waren allemaal berichten met alarmfase één. Telkens hield Cohen voet bij stuk. Hij bestudeerde elk geval nauwgezet en handhaafde boven alles de regels. Ondertussen snoeide hij met de Vreemdelingenwet heftig in het oerwoud van regels en voorschriften, met als doel de toekomstige asielprocedure zo strak en kort mogelijk te houden. Ook de humanitaire opvang werd gekortwiekt. Met keiharde maatregelen zal de «uitgeprocedeerde» asielzoeker in de naaste toekomst worden onthouden van elementaire zaken als recht op onderwijs voor de kinderen, medische zorg en elke vorm van opvang. In 2002, als de Vreemdelingenwet geheel van kracht geworden is, zal het aantal opvangplekken voor asielzoekers zijn gehalveerd.

Dat was kortom heel wat daadkracht voor een man die de intellectuele twijfel aan het ethische draagvlak van bestuurlijke autoriteit naar eigen zeggen tot zijn tweede natuur heeft gemaakt. Misschien zelfs wel een beetje te veel daadkracht.

Er zijn heel wat sombere scenario’s denkbaar over het verloop van het Amsterdamse burgemeesterschap van Job Cohen. De Eurotop van Nice zit er net op, weer een belangrijke stap op weg naar het verenigde Europa. Op de conferentie werd het nodige onderhandeld over het behoud van specifieke eigenheden van de verschillende lidstaten. Zo mogen de Fransen doorgaan met het weren van de cultuurimperialistische Amerikaanse film.

Maar over het Nederlandse gedoogbeleid geen woord. Dat zal naar te vrezen valt in de naaste toekomst drastische consequenties hebben voor een vrijstad als Amsterdam. De druk vanuit Berlijn en Parijs om een einde te maken aan het gedoogbeleid ten aanzien van bijvoorbeeld de coffeeshops zal alleen maar verder worden opgevoerd. Het is een problematiek die onmiddellijk op het bordje van de burgemeester van Amsterdam zal belanden. Gedogen is uiteindelijk een lokale kwestie, Haagse richtlijnen zijn er eigenlijk niet.

De vraag is wat Job Cohen dan zou doen. Zich vereenzelvigen met het rebelse imago van Amsterdam? Of zich juist toeleggen op het toepassen van de regels, zoals hij dat met de Vreemdelingenwet uiteindelijk ook heeft gedaan? Gezien het carrièreverloop van Job Cohen tot dusver valt te vrezen dat hij kiest voor de regels, Europese regels ditmaal. Dat zal hij ongetwijfeld weer heel afgewogen doen, zoekend naar een normatief kader, de mitsen en maren nauwkeurig wegend, ons deelachtig makend van zijn twijfels en bedenkingen, maar het nettoresultaat zou toch gewoon weer een keiharde amputatie zijn.

Het gedoogbeleid staat ook in Nederland zelf steeds prominenter ter discussie. Opmerkelijk was een gezamenlijk initiatief van bijna alle jongerenafdelingen van de politieke partijen (GroenLinks en PvdA incluis) om met een collectief manifest het einde van het gedogen te eisen. Gedogen, aldus de politieke jeugd, werkt immers «onduidelijk», is niet in overeenstemming met de inzichtelijkheids criteria van het digitale tijdperk waar het «ja» óf «nee» is, het diffuse gedogen, typisch een erfenis uit de softe seventies.

Zo ontstaat het schrikbeeld van een ex-directeur van de hippe VPRO die straks Amsterdam ontdoet van zijn aura van magisch centrum en door de Europese harmoniserings machine perst. Een overdreven angst? Laten we het hopen. Amsterdam heeft nog altijd het vermogen mensen te veranderen.

De voorganger van Job Cohen kwam hier binnen als een Haagse alien, maar transformeerde toch in enkele jaren tot een toffe peer, een van de charmantste en meest danslustige burgervaders uit de geschiedenis van de stad. Schelto Patijn groeide werkelijk in zijn rol en kreeg van wijlen Ischa Meijer zelfs het compliment een «erejood» te zijn, het motto indach tig dat de burgemeester van Amsterdam toch eigenlijk over een forse dosis Jiddische warmte moet beschikken. Het is jammer dat Patijn gedwongen is de ambtswoning nu al te verlaten. Met zijn Amsterdamse patriottisme zou hij zich wellicht hebben ontpopt als de nieuwe Gysbrecht van Amstel, de grenzen van de stad verdedigend tegen een nieuw gevaar, dit keer de troepen van Europol. Nu maar hopen dat hij zijn opvolger probaat instrueert.