Burgercollectieven staan klaar om de post-coronasamenleving vorm te geven

Van muzikale solidariteitsbetuigingen tot boodschappendiensten en digitale buurthulplijnen – de coronacrisis zet aan tot sociale betrokkenheid en gemeenschapszin. De nieuwe burgercollectieven bevestigen een heropleving van de civil society die al langer te zien is. Maar hoe zorgen we dat ze bestendig zijn?

Een collectief van sociale en klimaatbewuste organisaties is samengekomen in Maastricht om 8 eisen op te stellen voor de gemeente over hoe zij de klimaatcrisis moeten aanpakken. © Jean-Pierre Geusens/Novum

Al enige tijd vóór de financiële crisis in 2008 zien we in Nederland maar ook elders in Europa een sterke opkomst van burgercollectieven. Steeds meer burgers nemen het heft in eigen handen en gaan bijvoorbeeld hun eigen energie opwekken, zorg, ouderenondersteuning of kinderopvang organiseren, een onderling verzekeringsfonds uitbouwen, voedselcollectieven starten en zelfs een eigen glasvezelnetwerk aanleggen. Die collectieven komen deels voort uit ellende, op plekken waar de overheid zich terugtrekt en de markt die ruimte niet invult met een betaalbaar, toegankelijk en voldoende kwalitatief aanbod. Denk aan zorgcoöperaties en broodfondsen voor zzp-ers. Evengoed zijn er collectieven ontstaan op terreinen met voldoende marktwerking, maar waar burgers zelf opportuniteiten zien om hun spaarcenten op een andere manier te investeren. Denk hier aan energie, mobiliteit, breedband, voedsel. Wat hun uitgangspunt ook is, een tweede, nadrukkelijke wens van deze collectieven is om bij te dragen aan een andere economie en duurzame samenleving.

De coronacrisis roept veel vragen op over de verhouding overheid versus markt, respectievelijk publieke versus private verantwoordelijkheid. De verantwoordelijke en solidaire burger is in korte tijd het rolmodel geworden. ‘We moeten het samen doen’ klinkt het overal en de hele dag door. Alle reden om beter naar het fenomeen burgercollectieven te kijken. Immers, daar waar de samenleving als geheel nu op de grenzen van globalisering en internationale solidariteit stuit, zijn die collectieven al heel wat langer bezig met het heruitvinden van korte ketens tussen vraag en aanbod, van solidariteit tussen burgers. De expertise die daar ligt kan nu verder benut worden, door de vele burgers die het nu voelen kriebelen om zelf bij te dragen aan de samenleving. Maar omdat mogelijk te maken moet er ook ruimte en aandacht zijn om de obstakels waar de reeds bestaande collectieven mee worstelen uit de weg te ruimen.

Dat die collectieven inmiddels in Nederland een stevige voet aan de grond gekregen hebben, maar ook dat er met de wind van de crisis in de rug de laatste weken tal van potentieel nieuwe collectieven ontstaan, is op dit moment een groot geluk. Daar waar de overheid zich heeft teruggetrokken en de markt het niet interessant genoeg vond om diensten uit te bouwen, zorgen collectieven voor sociale netwerken waar burgers direct op kunnen terugvallen. Evengoed zijn de tweede soort collectieven – bijvoorbeeld rond energie en voedsel – vooral te zien als een wissel op de toekomst die klimaatneutraal zal moeten zijn.

De coronacrisis legt op een onmiskenbare manier risico’s bloot die te maken hebben met globalisering, (economische) kwetsbaarheid, en verschraalde gemeenschapsbanden; precies de risico’s waarvoor ook die burgercollectieven proberen oplossingen te bedenken. In snel tempo wordt nu de globalisering die decennialang bejubeld is als motor van economische groei in vraag gesteld, in een problematiek die -schijnbaar- losstaat van die andere globale uitdaging, de klimaatverandering. Globalisering heeft gezorgd voor een sterke afhankelijkheid van wereldomspannende stromen van energie, voedsel, grondstoffen, arbeid en kapitaal. Maar relocatie van de productie van handenarbeid die nodig is om - om maar iets te noemen - mondmaskers te maken, brengt ook risico’s met zich mee. Eén van de onverwachte neveneffecten van de huidige crisis is dat de maatregelen die nodig zullen zijn om de actuele en toekomstige pandemieën te lijf te gaan voor een deel parallel lopen aan wat er nodig zal zijn in de strijd tegen klimaatverandering. Burgers die vanuit een gedeelde risicoperceptie - heel anders dan de huidige geïndividualiseerde risicoperceptie - en persoonlijke verantwoordelijkheid gaan samenwerken vanuit ‘welbegrepen eigenbelang’ hebben in beide richtingen een sleutelpositie.

Collectieven kunnen helpen om bepaalde risico’s van die globalisering te vermijden door de productie, de beschikbaarheid en het beheer van onmisbare producten en diensten fundamenteel anders te organiseren. Energiecoöperaties zorgen er bijvoorbeeld voor dat de energieopwekking lokaal georganiseerd blijft. Door een slimme verbinding van lokale grids is het mogelijk om een nog grotere zelfvoorziening tot stand te brengen en de pieken en dalen in energiebehoeften beter te sturen. Eén van de effecten is dat mogelijke buitenlandse opkopers buiten de deur blijven, en dat op die manier het eigenaarschap over een van de meest essentiële onderdelen van onze economie – energie - blijft waar ze ingezet wordt. Maar zonder dat eigenaarschap wordt het ook heel moeilijk om energiebeleid goed aan te sturen, richting een carbon free energiebeleid.

Een soortgelijke beweging is gaande rond voedsel. Overal komen nieuwe lokale voedselsystemen op met als belangrijkste kenmerk de verkorting van de keten tussen producent en consument, tussen boer en consument. De impuls achter deze beweging is, naast de wens om minder afhankelijk te zijn van invoer van producten van ver, vooral de behoefte aan gezonde (verse) producten van dichtbij, in combinatie met meer vertrouwen in de kwaliteit van productie, product en producent (‘know your farmer, know your food’). Maar de enorme toename van burgers die via acties als ‘support your locals’ in deze tijden plots de boerderijwinkel en streekproducten (her)ontdekken toont aan dat er nog een grote rek zit op de mogelijkheden om de keten te verkorten en de burger opnieuw dichter bij hun boeren te brengen, en vice versa. Ook daar weer spelen burgercollectieven nu een rol, terwijl ze eigenlijk al van voor de crisis bezig waren om andere grote maatschappelijke vraagstukken aan te pakken.
Ook een ander soort risico komt dezer ‘corona’-dagen sterk uitvergroot naar voren: de geringe veerkracht van ons economisch systeem, de kwetsbaarheid op alle niveaus, van individuele huishoudens tot nationale staten. We hebben nog weinig ondernemers horen zeggen: ‘Ik heb een paar goede jaren gehad en reserves kunnen opbouwen die me nu door deze slechtere tijd helpen.’ Misschien is het met het oog op mogelijke overheidssteun nu even niet zo slim om dat in de media te verkondigen, maar het zou wel getuigen van gezond verstand om dergelijke reserves als bedrijf achter de hand te houden. Nog niet zo lang geleden is deze boerenwijsheid door economen definitief als irrationeel gekenschetst, een echte ondernemer of onderneming niet waardig. Geld moet rollen, toch?

Grote bedrijven schuiven het door naar aandeelhouders en maken vervolgens weer schulden om te investeren in meer en groter. Consumenten kunnen de verleiding van nog meer consumeren en kopen op de pof niet weerstaan. Dit slecht ontwikkelde risicobesef werkt niet alleen door in het economisch handelen maar ook in de houding ten aanzien van grote maatschappelijke vraagstukken gerelateerd aan klimaat, water, biodiversiteit en dergelijke. Opnieuw een gemeenschappelijk kenmerk: de acute bevrediging van behoeften en het directe rendement gaan voor continuïteit op langere termijn. Maar ook op dit vlak hebben burgercollectieven de handschoen opgepakt. Niet door van risico’s een lucratieve particuliere business te maken, maar door als burger de handen in elkaar te slaan, initiatieven te nemen en zelf zeggenschap te houden.

Een derde risico dat de huidige crisis zichtbaar en voelbaar maakt is anonimisering en daarmee samengaand de individualisering van het sociale leven en de verschraling van gemeenschapsbanden. De laatste decennia zijn tal van sociale en culturele functies weggeorganiseerd, bijvoorbeeld op het gebied van de ouderenzorg, geestelijke gezondheidszorg en sociale huisvesting, maar ook in het openbaar vervoer en andere primaire voorzieningen in plattelandsgebieden. In deze en andere crises blijkt dat mensen op het niveau van hun primaire sociale netwerken (familie, dorp, buurt) hiervan de echte pijn voelen.

Op dit vlak zien we al de grootste tegenreactie ontstaan. Geholpen door digitale mogelijkheden en gestimuleerd door de grote kans op media-aandacht, zijn mensen gestart met allerhande creatieve acties van medeleven met gedupeerden en van waardering voor alle professionals in de ‘frontlinie’. Van muzikale solidariteitsbetuigingen tot boodschappendiensten, digitale buurthulplijnen en andere ‘hart onder de riem’-acties. De combinatie van het door iedereen gedeelde, niet-discriminerende risico van besmetting door het virus met de maatregel van social distancing (wie had ooit eerder van dit woord gehoord?) heeft een door angst én empathie gevoede sociale betrokkenheid en gemeenschapszin tot gevolg. De vraag is of deze voor mens en samenleving ook in psychologische zin belangrijke acties zullen beklijven na ‘corona’? Blijven ze slechts als mooie herinnering bestaan of hebben ze een vruchtbare voedingsbodem gelegd voor de groei en bloei van (nieuwe) burgercollectieven? Zijn burgers nu in één klap bereid om meer prosociaal gedrag - dat niet alleen rekening houdt met het eigen belang maar ook met dat van de bredere samenleving - te tonen?

Die plotselinge uitbarsting van altruïstische gemeenschapskracht legt ook bloot dat markt en staat grote gaten hebben laten vallen op het gebied van zorg, sociaal welzijn, geestelijke gezondheid en gemeenschapsvorming. Het haakt aan op iets waar de vele zorg- en gebiedscoöperaties (voor wijk, buurt, dorp of gemeente) al een tijd geleden mee begonnen zijn, vooral in die regio’s waar onder meer door de krimp er al langer een chronisch gebrek is aan door de overheid opgezette initiatieven. Inmiddels hebben honderden zorgcollectieven in Nederland - verenigd in NederlandZorgtvoorElkaar – bewezen dat ze zich niet als een louter informeel clubje van goed bedoelende vrijwilligers laten beschouwen. Waar gemeenschapsbanden versterken nu voor velen het verschil kan maken is het al veel langer het primaire doel van burgercollectieven actief in zorg en welzijn.

Zullen we na corona zien dat de publieke sector op het niveau van de nationale staat na jaren van verwaarlozing terrein gaat terugvorderen op de private sector? In het huidige publieke debat lijkt de balans duidelijk over te hellen naar de overheid waar het gaat om bijvoorbeeld de productie en distributie van mondkapjes en medicijnen. Jarenlang die productie overlaten aan landen met lage arbeidskosten wordt nu - nogal plots - als onacceptabel risico aangemerkt. Als min of meer vanzelfsprekend geldt nu ook dat de overheid op een zo kortst mogelijke termijn met een financieel-economisch vangnet komt voor alle gedupeerde ondernemingen.

Het losjes uitbesteden van overheidswerking aan markten blijkt niet toch niet meer het ideale alternatief. Die markt wil er gewoonweg niet aan, alle overheidsstimuli ten spijt. Dat is ook niet verwonderlijk, zelfs vanuit klassiek marktdenken zou het al snel duidelijk moeten zijn dat daar waar onvoldoende geconcentreerde vraag is - denk aan de Achterhoek of Limburg - voor een bepaalde dienst - bijvoorbeeld kinderopvang - een markt zich niet snel en optimaal ontwikkelt. In gevallen waar het ondanks de omstandigheden wel werkt, is er niet zelden sprake van cherry picking. Waar de markt zich onvoldoende ontwikkelt, is een overheid nodig die taken oppakt die sterk gebouwd zijn op solidariteit binnen een hele natie en die dit ook niet meer loslaat. Of er wordt gezocht en ruimte gegeven aan andere vormen van ‘governance’.

De vraag blijft immers of de oplossing wel ligt bij een verschuiving naar de publieke sector, met name voor een aantal taken die van wezenlijk belang zijn voor de veerkracht van een samenleving. Zolang de publieke sector vooral gekoppeld wordt aan de nationale overheid, is de kans groot dat de hegemonie van de markt en de private sector ingeruild wordt voor een almachtige staat. Laten we ons vooral ver houden van de autoritaire macht die sommige regeringsleiders zich in crisissituaties onterecht toemeten. Een beproefd technisch-bestuurlijk middel om dit te voorkomen is het terugleggen van taken en verantwoordelijkheden – het liefs met een gereduceerd budget – naar de lokale overheden, de gemeenten. Maar, hoe sterker de druk op deze bestuurslaag wordt, des te groter het risico dat zij dezelfde weg op gaan van bureaucratisering en controle. De verschuiving van zorgtaken naar de gemeenten in 2014 is hier een voorbeeld van.

In het maatschappelijk debat wordt echter vaak vergeten dat er een wereld ligt tussen overheid en markt, tussen publiek en privaat. Dat is de ‘civil society’, de wereld van gemeenschappen van mensen en hun collectieven. ‘Meer ruimte voor de civil society’ adviseert Kim Putters van het Sociaal Cultureel Planbureau; anderen spreken over de ‘rehabilitatie van de publieke sfeer’ (Jan Zielonka in NRC, 4 april 2020). Zeker, die kant moeten we op, maar we voegen hier wel aan toe dat die ruimte en rehabilitatie er alleen komen als er een brug geslagen wordt van de publieke sfeer naar burgercollectieven. Solidariteit tussen burgers hervinden zou het speerpunt van toekomstig overheidsbeleid kunnen worden, en daarin kunnen burgercollectieven een cruciale rol spelen.

Essentieel voor een burgercollectief is dat mensen die meedoen het vertrouwen hebben dat ze samen het verschil kunnen maken, zelf het heft in handen kunnen nemen om maatschappelijke vraagstukken op te lossen, en dat hun collectief belang tevens een welbegrepen eigenbelang is. ‘Welbegrepen eigenbelang’ was niet voor niets de naam van een van de eerste coöperaties in Nederland (Aardenburg, provincie Zeeland). Op basis van die essentie geldt voor burgercollectieven een bijzonder organisatiemodel. De betrokken mensen spreken in principe met elkaar af hoe de organisatie wordt ingericht en de gemeenschappelijke middelen worden beheerd. Daarbij gaan ze niet uit de weg dat hun eigen korte termijn voordeel misschien kleiner zal zijn dan hun eigenlijke investering. Het voortbestaan van het collectief staat voorop; de mogelijkheden voor persoonlijk voordeel komen daarna.

In feite is elk burgercollectief een bijzondere waardengemeenschap: mensen sluiten aan omdat ze instemmen met de achterliggende visie op het maatschappelijke vraagstuk en zich aangesproken voelen door de aanpak. Doorredenerend is een dergelijke waardengemeenschap echter nog geen burgercollectief. Die ontstaat pas als mensen in die waardengemeenschap doelgerichte relaties met elkaar aangaan. Elk burgercollectief vormt een uniek en nieuw relationeel netwerk, met binnen- en buitengrenzen.

Onderzoek naar de dynamiek van burgercollectieven laat zien hoe deze dilemma’s rond solidariteit en verantwoordelijkheid in elke fase van ontwikkeling aan de orde zijn en voortdurend leiden tot een creatieve bijstelling van de organisatie. Deze veerkracht die door collectieven op de korte en langere termijn kan worden opgebracht, zou door elk toekomstig overheidsbeleid erkend, bemoedigd en gefaciliteerd kunnen worden. Dit betekent niet dat burgercollectieven in de richting van overheid en professionele organisaties (zorg, welzijn) geduwd of getrokken worden door subsidieregelingen, vergunningen en kwaliteitseisen, maar dat zij gefaciliteerd en ondersteund worden om te zorgen dat ze in de kern kunnen zijn wat ze willen zijn. Het betekent ook niet dat elk burgercollectief per definitie slaagt in zijn opzet. Deze zaken vragen een principieel andere houding, niet alleen van overheden maar ook van andere gevestigde instituties en instellingen, waaronder fondsen en banken. Overigens geldt dit ook voor burgercollectieven zelf, die soms al snel en heel gretig aan het overheidsinfuus willen liggen voor erkenning en subsidie en daarmee hun ziel te grabbel gooien.

Uit ons onderzoek komen een aantal knelpunten waar de huidige burgercollectieven mee worstelen naar voren. Een van de meest pregnante conclusies is voorlopig de klacht dat de overheden vaak in de startfase staan te juichen omdat het nieuwe collectief zo goed past in de eigen doelstellingen rond duurzaamheid, sociale gemeenschapsopbouw of voedselstrategie en zelfs bereid zijn een ‘projectsubsidie’ te verstrekken. Die burgers zijn toch zo geweldig innovatief, klinkt het vaak. Dat moet gesteund worden. Maar daarna? Over een duurzame, toekomstbestendige ontwikkeling van de collectieven zelf lijken de overheden zich minder druk te maken. Dan wordt de redenering van de ‘eigen broek ophouden’ en ‘goed ondernemerschap’ als maatstaf genomen. Maar de andere manier van organiseren vraagt ook ondersteuning om burgercollectieven te laten doorgroeien en ook fases van stand-still of crisisperiodes te overbruggen.

Een soortgelijke klacht heeft betrekking op de gangbare financiële instellingen. Banken vragen doorgaans zekerheden die passen bij private ondernemingen en blijken zich niet echt te willen verdiepen in de werking en bijzondere governance van een burgercollectief. Dat de manier van werken van een burgercollectief significant anders is dan die van een regulier bedrijf zorgt ervoor dat financiers afgeschrikt worden. Men is het aan die zijde niet gewoon dat beslissingen intern, door alle leden, beïnvloed kunnen worden. Uit de literatuur blijkt nochtans dat de ‘wisdom of crowds’ vaker tot meer gewogen en beredeneerde conclusies kan leiden. Maar het schrikt af want het is toch een beetje vreemd, iedereen laten meebeslissen….

Het risico van de gebrekkige ondersteuning maar ook begrip voor de andere aanpak van zowel overheid als financierende instellingen is dat burgercollectieven als waardengemeenschap en relationeel netwerk stagneren, inkrimpen of zelfs uiteenvallen in een cruciale fase van hun ontwikkeling. Zonde van alle energie die mensen hierin steken, als dan uiteindelijk toch de slinger van overheden en andere instituties doorslaat naar (sociale) innovaties die zich nog moeten bewijzen en waarvan het eigenaarschap vaak ligt bij een selecte voorhoede van goed geïnformeerde eenlingen en hun directe medestanders. Meer historische kennis van burgercollectieven laat zien dat er niets mis is met een fenomeen dat al heel lang bestaat en de kwalificatie ‘koninklijk goedgekeurd’ verdient.

Wat we vanuit de geschiedenis van burgercollectieven al weten, en wat de coronacrisis nog eens bevestigt, is dat periodes van crisis tot een groei leiden in de motivatie en het potentieel van mensen om zelf actief te zijn in het vermijden dan wel verkleinen van persoonlijke en maatschappelijke risico’s. Ze nemen verantwoordelijkheid zonder zich druk te maken over aansprakelijkheid en andere kwesties die bij overheden en gevestigde instituties op voorhand al spelen. Het zou een gemiste kans zijn voor onze samenleving als in de tweestrijd tussen overheid en markt cq publiek en privaat de burgercollectieven weggezet worden als een maatschappelijk veld dat vrijvalt voor een categorie bewogen mensen die ziel en zaligheid leggen in ‘alternatieve’ oplossingen. Dit doet onrecht aan alle mensen die hun burgerschap tonen via hun betrokkenheid bij burgercollectieven, ook vandaag.

Het goede nieuws is dat er in het afgelopen decennium door actieve burgers al heel wat geëxperimenteerd werd om de samenleving weer meer op hun maat te krijgen. Met corona is nu met een enorme schok duidelijk geworden dat die zoektocht naar de menselijke maat voor onze samenleving geen ‘nice-to-have’ maar een echte ‘must’ zou moeten zijn, ook voor andere uitdagingen die nu wat naar de achtergrond verschoven zijn maar te zijner tijd als een boemerang dreigen terug te slaan, zoals de klimaatverandering. Plots blijkt dat wat burgers geëngageerd in burgercollectieven al jaren roepen erg herkenbaar te zijn. Plots blijkt dat wat in burgercollectieven voorop stond - eigenaarschap, zelfsturing, wederkerigheid, solidariteit - misschien wel een nuttig uitgangspunt om onze samenleving te herdenken. Nu nog de erkenning. Er zijn tal van uitdagingen waar die collectieven mee kampen, maar de meest basale is toch: neem ons nou maar eens serieus!


Prof. Dr. Tine De Moor, Dr. Ton Duffhues en Drs. Eva Vriens maken deel uit van de onderzoeksgroep Institutions for Collective Action, Universiteit Utrecht