Europa

Burgerschap

In de EU weet vrijwel niemand wat EU-burgerschap inhoudt. EU-Europeanen voelen zich vooral burgers van hun land. Voor kennis over EU-burgerschap moet je aan gene zijde van het EU-burgerschap zijn. Daar, in die sinistere wereld waar de burgerschapslozen lijden en sterven, weet men wat het betekent om wel of geen EU-burger zijn. Daar kent men het Europese spel met valse beloftes, waarin het EU-burgerschap momenteel dreigt te ontaarden. Hoe heeft het zo ver kunnen komen?

Toen het EU-burgerschap ingevoerd werd – met het Verdrag van Maastricht – waren de ambities groot: Europeanen waren meer dan consumenten op de gemeenschappelijke markt. Nee, móesten meer zijn. Wie de nationaliteit van een EU-lidstaat had, werd automatisch ook EU-burger. Dit EU-burgerschap is een aanvulling. Het geeft EU-brede rechten, bijvoorbeeld om te reizen en verhuizen zonder discriminatie op grond van nationaliteit. Cruciaal: het komt niet in de plaats van je nationaliteit. Juist de eerbied voor elkaars nationale identiteiten was de drijvende kracht. Anders gezegd: EU-burgerschap wordt niet opgelegd, maar is een bewuste keuze van de lidstaten.

Was het immers niet zo dat de Europese Gemeenschappen zichzelf in de jaren vijftig de opdracht hadden gegeven ‘een steeds hechter verbond tussen volkeren van Europa’ tot stand te brengen? En was het niet zo dat men zich daarbij uiteindelijk had laten leiden door eerbied voor de menselijke waardigheid, rechtsstaat en democratie? Waarden die de lidstaten deelden in hun gemeenschap.

Uiteindelijk stolde de hernieuwde versie van deze grote ambitie in een gemankeerde Engelse vertaling, die bovendien werd afgekort tot ‘ever closer union’. En dit gebeurde dan ook nog eens op het moment waarop de Europese Gemeenschap (EG) zijn naam veranderde in Europese Unie (EU). Dit maakte de verwarring compleet. Zelden werkte de Engelse flair – die wortelt in liefde voor ironie en misverstand – disruptiever.

Schieten op burger-schapslozen buiten de EU is al normaal

Intussen zijn de Britten niet meer medeverantwoordelijk voor de EU. Zij hoeven zich dus ook niet te verhouden tot de definiëring van het EU-burgerschap die nu plaatsheeft in de volkenrechtelijke spelonk tussen Griekenland en Turkije. Het zal een opluchting zijn.

In de zomer van 2016, toen de uitslag van het Brexit-referendum indaalde, schreef de journalist Anatole Kaletsky over het ‘waarom’ ervan. Cruciaal in zijn analyse: het burgerschap dat hoort bij nationaliteit. Zijn punt: voor veel Europeanen, Noord-Europeanen in het bijzonder, is het nationale burgerschap hun kostbaarste bezit, meer waard dan pensioen of huis. Dat komt door de publieke en sociale voorzieningen die eraan vastzitten. Zelfs de zuinigste Noord-Europeanen vinden het bijdrukken van geld minder erg dan het bijdrukken van paspoorten. Bizar genoeg verboden hun leiders het eerste, terwijl ze het tweede toestonden. En wel op hetzelfde moment, in 2015. Dit was de brandstof voor de Brexit, aldus Kaletsky. De Britten wilden de controle (terug) over migratie en publieke taken en voorzieningen. Daarin zijn ze, ironisch genoeg, heel Europees. De hamvraag: hoe kon dit zo lopen?

Precies zoals de regeringen van de eurolanden zich in de eurocrisis consequent verscholen achter de ECB en de Commissie, zo verschuilen diezelfde regeringen zich ook in het migratievraagstuk achter de EU-instituties. Maar die instituties missen de slagkracht om die verantwoordelijkheid in te vullen (laat staan om dit democratisch te doen). Zij zijn slechts aanvullend, zoals het EU-burgerschap ook aanvullend is. De verleidelijke maar gevaarlijke deal die Erdogan in de aanbieding heeft, kunnen zij aankopen noch afslaan. Acteren in de boze buitenwereld is aan de lidstaten.

Het tegendeel gebeurt. Het schuilgedrag van de EU-lidstaten leidt tot een steeds wredere werkelijkheid. Schieten op burgerschapslozen is al normaal. Hoe langer dit schuilen doorgaat, hoe kwetsbaarder ook de binnenwereld van de lidstaten en hun eigen, nationale burgerschap zal worden. Die binnenwereld zal nog bevattelijker worden voor de valse varianten van menselijke waardigheid, rechtsstaat en democratie, die al zo in zwang zijn. Wie kan dit nog keren? Dat kunnen alleen die regeringen die beweren dat de EU hun iets waard is. Maar dat moet dan op eigen initiatief, voor de EU uit. En het is niet goedkoop. Want zonder voelbare investeringen in sociale en publieke diensten, dicht bij de Europeanen van wie gevraagd wordt opnieuw de menselijke waardigheid te oefenen, zal het kansloos zijn. Die les van de Brexit zou geleerd moeten zijn.