Burgerslobby

Burgers hebben na de verkiezingen altijd weer het nakijken ten opzichte van het bedrijfsleven. Beloftes worden niet ingelost. Het is een patroon, blijkt uit onderzoek. Wie lobbyt er eigenlijk voor de burgers?

‘Wie lobbyt er tijdens de kabinetsformatie eigenlijk voor de burger?’ Met die zin eindigt Wimar Bolhuis zijn boek voor het bredere publiek over verkiezingsbeloftes van politieke partijen en wat daarvan terechtkomt in regeerakkoorden. Dat boek, Van woord tot akkoord, is gebaseerd op zijn proefschrift waarop hij vorige week donderdag in Leiden promoveerde. Na zijn conclusies gelezen te hebben, denk je: inderdaad, wie is de Paul Polman van de burgers?

Toen Bolhuis jaren geleden aan zijn onderzoek begon, kon hij niet weten dat zijn promotie zou samenvallen met de felle politieke discussies over de afschaffing van de dividendbelasting en de gaandeweg steeds pijnlijk duidelijker wordende lobby daarvoor bij minister-president Mark Rutte door de hoogste baas van Unilever, Paul Polman. Met als laatste bewijs daarvoor dat de afschaffing van de dividendbelasting op de helling kwam te staan op de dag dat Polman onder druk van de Britse aandeelhouders kenbaar maakte het hoofdkantoor van de multinational niet van Londen naar Rotterdam te zullen verhuizen. Toen het lokkertje niet bleek te helpen, hoefde het ineens niet meer zo nodig.

Zo één-op-één herleidbaar, van maatregel tot bedrijf, en zo verguisd, is een lobby vanuit het bedrijfsleven in mijn herinnering niet geweest. Maar het patroon eronder blijkt minder bijzonder: het past in de uitkomsten van Bolhuis’ onderzoek.

Bolhuis bestudeerde van alle verkiezingen tussen 1986 en 2017 de doorrekeningen van het Centraal Planbureau van de verkiezingsprogramma’s van de verschillende politieke partijen en vergeleek die met de doorrekeningen door datzelfde cpb van de regeerakkoorden die na die verkiezingen werden gesloten. Hij ontdekte een zestal wetmatigheden. De meest in het oog springende is deze. Telkens weer beloven politieke partijen de burgers vóór de verkiezingen lastenverlichting op werk en inkomen, maar wordt die belofte in het regeerakkoord niet helemaal of helemaal niet nagekomen. Diezelfde politieke partijen bezweren de burgers vooraf eveneens dat de lasten voor het bedrijfsleven juist zullen stijgen, maar ook dit maken ze niet waar.

Een belofte breken, dat is toch onvermijdelijk als partijen compromissen moeten sluiten om een regering te kunnen vormen? Klopt, maar de uitkomst van deze twee gebroken beloftes is telkens weer dat de burger het nakijken heeft en het bedrijfsleven juist profiteert. Vooraf hengelen de partijen naar de stem van de burgers want alleen zij gaan stemmen, bedrijven niet. Maar daarna hebben de onderhandelende partijen meer oog voor het bedrijfsleven, van welke politieke kleur die partijen ook zijn. Dat geeft te denken over hoe het zal gaan met de verdeling van de lasten van het Klimaatakkoord waar het huidige kabinet naar streeft. Zullen het wederom de burgers zijn die relatief meer betalen dan ze was voorgespiegeld en het bedrijfsleven juist wederom minder? Wie lobbyt er bij het maken van de klimaatafspraken eigenlijk voor de burgers?

Moeten de kiezers leren om beloftes met een korreltje zout te nemen?

Die vraag klemt des te meer omdat het huidige kabinet bestaat uit vier partijen. Uit eerder onderzoek is gebleken dat hoe meer partijen in een regering zitten, hoe groter de kans is dat wordt gekozen voor het verhogen van de lastendruk van de burgers om de totale uitgaven van de overheid in toom te houden en niet voor het snijden in de uitgaven van de overheid. Terwijl ook dat laatste een optie zou zijn om hetzelfde doel te bereiken. Maar kijk wat Bolhuis ook laat zien: ook het verminderen van de overheidsuitgaven wordt vóór de verkiezingen wel beloofd, maar ook deze belofte wordt bij de kabinetsformatie niet nagekomen. Het is een tweede wetmatigheid die hij ontdekte.

De theorie achter die tweede wetmatigheid is dat hoe meer partijen in een coalitie zitten, hoe ingewikkelder het is te snijden in de overheidsuitgaven. Want elke coalitiepartij heeft altijd wel een uitgavepost waarop niet bezuinigd mag worden, omdat die partij toch vooral die ene specifieke achterban niet voor het hoofd wil stoten.

Met vier partijen, zoals in de huidige coalitie, wordt dat dus extra ingewikkeld. De ene partij vetoot dan bijvoorbeeld het snijden op ontwikkelingssamenwerking, de andere op gevangenissen, de volgende op het wegennet en een vierde op cultuur. Lastenverzwaringen, of minder lastenverlichtingen dan beloofd, zijn veel beter over alle burgers te verdelen. Dus krijg je daar minder protest tegen van één specifieke groep kiezers.

Als het om lastenverlichting op werk en inkomen gaat, hebben de burgers dus niet genoeg aan hun stem in het stemhokje. Politici blijken niet hun lobbyisten te zijn, hoe logisch dat ook zou zijn. Burgers hebben aparte lobbyisten nodig om die lastenverlichtingen voor hen uit de kabinetsonderhandelingen te slepen. De meest voor de hand liggende lobbyisten, na de politici, zijn de vakbondsvertegenwoordigers. Maar ook die blijken niet geschikt. Bolhuis laat immers zien – zonder overigens naar hen te wijzen – dat het ze al zo’n dertig jaar niet is gelukt. Maar wie gaat dan wel twee keer per jaar uit naam van de burgers in zwarte busjes op bezoek in het Catshuis om te pleiten voor het belang van de burgers?

Of moeten de kiezers leren de verkiezingsbeloftes over lagere belastingen voor burgers en hogere voor bedrijven met een korreltje zout te nemen? Dat kan natuurlijk ook. Maar het risico is dat dit ineens tot een revolte leidt, zoals nu tegen de afschaffing van de dividendbelasting. Die maatregel is het symbool geworden voor wat burgers drommels goed aanvoelen: dat het bedrijfsleven altijd weer een streepje voor heeft. Dankzij het onderzoek van Bolhuis is dat gevoel nu ook wetenschappelijk onderbouwd.