Opheffer

Buruma zwetst maar wat

Mede door de goede recensie in De Groene Amsterdammer dacht ik: ik ga onmiddellijk dat boek van Ian Buruma kopen, getiteld Dood van een gezonde roker, dat een analyse geeft van Nederland na de dood van Theo van Gogh.

Er waren nog enkele motieven om het boek aan te schaffen: ik had Buruma tijdens zijn onderzoek in Nederland ontmoet en samen met Gijs van de Westelaken van Column Producties, productiemaatschappij van wijlen Theo van Gogh, op sleeptouw genomen. En daarnaast ben ik een bewonderaar van het werk van Buruma.

Toen ik hem ontmoette, lette ik dus vooral op de manier waarop hij werkte. De vragen die hij stelde, de wijze van aantekeningen maken. Wat dan ook een enorme indruk op mij maakte, was dat hij geen vragen stelde en ook geen aantekeningen maakte.

Nadat ik het boek had aangeschaft, ging ik uiteraard eerst de passages lezen waarin ik zelf voorkwam.

Dat was slikken. Ik ontdekte veel kleine foutjes en een paar grote, waaronder wat journalistieke vrijheden. Zo schrijft hij dat we ‘in de cabriolet’ van Gijs naar een buurthuis rijden. Dan: ‘Er liepen niet veel mensen op straat in de treurige jaren-vijftigwijk. De reisbureaus waren gesloten. Er hingen wat jongens rond een shoarmazaak. Ze praatten hard, in een Nederlands idioom dat veel elementen bevatte van Amerikaanse rap. Een tweetal oude mannen met baarden en djellaba’s op een bankje.’ Tja, ik herinner me dat we te laat waren en steeds verkeerd reden, de auto bijna tegen het buurtcentrum aan parkeerden en naar binnen holden. Van een bezoek aan een shoarmazaak herinner ik me niets. Geeft niet. Misschien bezocht Buruma die shoarmazaak wel op een ander moment. Ik zou dat, als journalist, echter nooit doen.

Vervolgens meldt Buruma dat ik een jonge vrouw met Turkse ouders met ‘overdreven enthousiasme’ begroet. Dan staat er: ‘Theodor had diverse keren geprobeerd haar te verleiden, maar zonder succes.’ Tja, wat is overdreven enthousiasme… Het was een dame die ik lange tijd niet had gezien en met wie ik had gewerkt. Er over dat verleiden… Ik zei tegen Buruma dat ik graag zo’n jonge vrouw zou verleiden, maar dat ik geen kans had, waarmee ik probeerde te suggereren dat, hoewel we elkaar goed kenden, de afstand tussen haar en mij nog heel groot was. Ik zou ook graag Marokkaanse meisjes willen verleiden. Het was zeker niet zo dat ik speciaal dit meisje wilde verleiden… Maar goed, onduidelijkheidje van mijn kant waarschijnlijk. Toch jammer dat Buruma geen aantekeningen maakte.

Dan schrijft Buruma: ‘In de bar sprak hij (ik dus – Opheffer) mistroostig over de jaren zestig, en hoeveel leed er was veroorzaakt door de seksuele vrijheid van zijn ouders.’

De seksuele vrijheid van mijn ouders? Die twee oude mensjes met een kampsyndroom uit Indië? Wat ik betoogde was iets heel anders, namelijk dat de seksuele vrijheid uit de jaren zestig en zeventig weliswaar als vrijdenkers bevochten was door mijn ouders, maar in deze tijd niet meer bestond, en veel leed had veroorzaakt zoals aids en een andere opvatting over verhoudingen. Ik vertelde dit in samenhang met de culture clash in Amsterdam, omdat ik het vermoeden had dat een groot deel van de spanningen binnen de moslimjeugd voortkomt uit merkwaardige seksuele opvattingen enerzijds, eigen seksuele gevoelens, en het vrije seksuele gedrag van de autochtone jeugd anderzijds. De samenvatting die Buruma geeft, is onjuist en te kort door de bocht.

Zo zijn er eigenlijk in elke regel wel kleine misverstanden, interpretatieverschillen en onjuistheden te melden. Is slordig, maar doet misschien niet eens zoveel ter zake – al zou ik als chef van een krant hoogst ongelukkig zijn met zo’n slordige verslaggever. Het gaat tenslotte om de opvattingen die Buruma verkondigt.

Zo schrijft hij: ‘“Ironie”, zei Theodor enigszins plechtig, “is een wezenlijk aspect van de Nederlandse aard. Ik besef dat pas goed na Theo’s dood. Het hoort heel erg bij onze traditie.”’ (Ik heb inderdaad ongeveer zoiets gezegd.) Dan vervolgt Buruma: ‘Het is zeker een onderdeel van de traditie, maar die traditie heeft ook een minder positieve kant. Ironie kan een gezond tegengif tegen dogmatisme zijn, maar ook een vrijbrief voor onverantwoordelijkheid. Extreme en agressieve uitspraken worden nadat de gifpijlen doel getroffen hebben vergoelijkt door de bewering dat het maar schertsend bedoeld was. Theo van Gogh noemde zich een dorpsgek, alsof het hem daardoor vrijstond te zeggen wat hij maar wilde. Toch wilde hij tegelijkertijd serieus genomen worden. Die dubbelzinnigheid is een veel voorkomende kwaal in de intellectuele discussie in Nederland, waarvan de door Van Gogh bewonderde Reve het schoolvoorbeeld was. In een gemeenschap met strikte grenzen, waar iedereen de regels van het spel kent, wordt de destructieve kracht van zo’n houding gedempt. Maar ook als anderen erbij betrokken raken, met een minder speelse opvatting van de taal, kan het effect verwoestend zijn.’

Het spijt me, maar wat hier staat is lariekoek, want ongenuanceerd, te kort door de bocht en weer vol kleine foutjes. Ironie kan nooit een vrijbrief zijn voor onverantwoordelijkheid – dan is het namelijk geen ironie. Niet omdat Theo zei dat hij de dorpsgek was, meende hij zich te kunnen permitteren alles te zeggen, Theo meende wat hij zei en vond ‘dat dat moest kunnen’, hij heeft nooit ergens gezegd: ‘Ik maakte maar een grapje.’ Je zou hem dus eerder geen ironie, of een gebrek aan ironie kunnen verwijten. En dan vraag ik mij ook af hoe het effect van ironie ‘verwoestend’ kan zijn. Theo heeft mensen gekwetst – maar dat nooit ironisch bedoeld. Reve heeft alleen enkele godsdienstigen gekwetst, maar is vrijgesproken. (Net als Theo altijd is vrijgesproken.) Reve noch Theo heeft ooit mensen vermoord. Geen ironicus is er ooit de oorzaak van dat er mensen zijn vermoord of anderszins gedood. Buruma zwetst hier maar wat.

Tja – en toen hoorde ik Paul Scheffer verkeerd geciteerd worden door Buruma, Afshin Ellian, Max Pam, Leon de Winter… wie niet.

Wat zijn dan nog de opvattingen waard?

Het is een slecht boek, want slordig en met opvattingen die weinig overdacht zijn, vaak innerlijk tegenstrijdig en gratuit – en dit bedoel ik niet ironisch.