Herverkiezing niet vanzelfsprekend

Bush-clan op herhaling

In korte tijd is de populariteit van president George W. Bush sterk gedaald. Zijn herverkiezing in 2004 lijkt plots niet meer zo vanzelf sprekend, en zelfs Republikeinen vrezen dat hij het lot van zijn vader zou kunnen ondergaan: twee oorlogen winnen en toch worden weggestemd.

New york— volgens een ABC News-poll is de «approval rate» van de president binnen achttien dagen gezakt van 68 naar 59 procent. Dat is nog steeds relatief hoog, maar de snelheid van de daling maakt Republikeinse strategen nerveus. De beschuldiging dat de president loog om het land te overtuigen van de noodzaak van oorlog tegen Irak, domineerde het nieuws in de laatste weken. «Het is de eerste keer dat we hem zien zweten», zei de woordvoerster van de Democratische presidentskandidaat John Edwards. «De eerste keer dat beschuldigingen een effect hebben.»

Er zijn ook nog andere problemen die de onzekerheid aanwakkeren. Zonder de elfde september en de Irak-oorlog zou Bush nu wellicht een van de onpopulairste presidenten aller tijden zijn. Onder zijn bewind kwamen er meer dan drie miljoen werklozen bij. De begroting heeft dit jaar een tekort van 455 miljard dollar, veruit het grootste aller tijden, en dan is er ook nog Bush’ belastingdaling.

De vermindering van de fiscale druk op federaal vlak wordt ruim gecompenseerd door belastingverhoging in de deelstaten. Die worstelen met de ergste fiscale crisis van de voorbije halve eeuw, wat hen dwingt tot harde sociale bezuinigingen.

De Democraten spitsten zich tot nu toe op de zieke economie en hoopten dat de buitenlandse crises zouden overwaaien tegen de tijd dat de verkiezingscampagne op gang zou komen, zoals na de eerste Golfoorlog. Maar nu realiseren ze zich dat de nasleep van de oorlog hen kan helpen. Alle negen Democratische kandidaten trokken in de afgelopen dagen hard van leer tegen wat ze het regeringsbedrog noemden. Ze eisen een Congres-onderzoek met openbare hoorzittingen in Watergate-stijl. «Het gaat over meer dan valse beweringen», zei de Democratische eminence grise Ted Kennedy. «Het gaat over de hele mislukte Irak-politiek.»

Het wordt steeds duidelijker waarom de eerste Bush-regering in 1991 ondanks Saddams nederlaag verkoos om Irak niet te bezetten en waarom de naaste (oud-)medewerkers van Bush senior diens zoon probeerden over te halen de invasie op te schorten. Het Pentagon gaf woensdag voor het eerst toe dat er een guerrillaoorlog aan de gang is in Irak. Bijna dagelijks sneuvelen er Amerikanen. Defensieminister Donald Rumsfeld wil nog meer troepen naar Irak sturen. De kosten van de militaire operaties in Irak lopen intussen op tot vier miljard dollar per maand, het dubbele van wat de regering had voorspeld. De kosten van de wederopbouw zijn eveneens hoger dan verwacht.

In die context krijgen de vragen over de onvindbare massavernietigingswapens en de onjuiste aantijgingen van de Britse en Amerikaanse regeringen over Iraks bewapening een grotere weerklank. Hoe hoger de prijs die Amerika betaalt, in dollars en levens, hoe meer de vraag rijst of het sop de kool wel waard was en hoe meer kritiek er komt op de argumenten die de Bush-regering gebruikte om de oorlog te rechtvaardigen. Hier en daar duikt het woord «Weaponsgate» op (naar analogie natuurlijk met het Watergate-schandaal) en in de Los Angeles Times pleitte columnist Robert Scheer onlangs voor de «impeachment» (een Congres-onderzoek dat tot de afzetting van de president kan leiden) van Bush, al is daar voorlopig weinig gevaar voor.

CIA-directeur George Tenet heeft alle verantwoordelijkheid op zich genomen voor de inmiddels beruchte bewering van Bush in zijn State of the Union dat Irak uranium probeerde te kopen in Afrika. Toch eist niemand Tenets ontslag omdat het overduidelijk is dat hij slechts de zondebok van dienst is.

De CIA had zich al herhaaldelijk verzet tegen het openbaar maken van de informatie die volgens de inlichtingendienst niet gefundeerd was en die later gebaseerd bleek op vervalste documenten. Ook tegen de State of the Union tekende de CIA bezwaar aan, dat werd opgegeven nadat de informatie in de speech werd toegeschreven aan de Britse regering. Die toedracht werd gelekt door CIA-personeel dat volgens ingewijden «in opstand» is gekomen tegen het misbruik van de inlichtingendiensten voor politieke doeleinden.

Vorige week was onderminister van Buitenlandse Zaken John Bolton verplicht om zijn getuigenis voor een Congres-commissie op te schorten omdat de CIA protesteerde tegen de verklaring die Bolton wilde afleggen. Hij was van plan te beweren dat Syrië’s programma’s voor de ontwikkeling van nucleaire, chemische en biologische wapens zo ver zijn gevorderd dat ze een bedreiging vormen voor de stabiliteit van de regio, wat volgens de CIA niet waar is. Diezelfde Bolton — een havik die als tegengewicht voor Colin Powell de nummer 2-positie kreeg in het State Department — beweerde in mei vorig jaar dat Cuba biologische wapens probeert te maken. Onzin, volgens de CIA. De bron van die bewering was de OSP, Office of Special Plans, een soort schaduw-CIA die werd opgericht door Defensie-minister Rumsfeld en vice-president Cheney om inlichtingen te verzamelen die de regeringspolitiek ondersteunen. Omdat het Cheney was die volgens insiders insisteerde om de verkeerde informatie in Bush’ speech te houden, eiste Vips, een vereniging van oudgedienden van de inlichtingendiensten, onlangs zijn ontslag.

Ook nadat de regering een diplomaat naar Niger had gestuurd, die tot de conclusie kwam dat de bewering dat Irak uranium in dit land zocht om te kopen vals was, bleven regeringswoordvoerders die informatie herhalen.

De regering bleef ook de bewering herhalen dat Irak aluminiumbuizen had gekocht om uranium te verrijken, tot lang nadat bewezen was dat dit onjuist was. Die valse informatie was zo belangrijk omdat werd betwijfeld dat de dreiging van chemische en biologische wapens zou volstaan om de bevolking te overtuigen van de noodzaak van de oorlog. De oorlog was nodig, zei de Nationale Veiligheidsadviseur Condoleezza Rice, om te voorkomen dat «de volgende elfde september-aanval de vorm heeft van een paddestoelwolk».

De regering verschuilt zich achter het argument dat de bewering van Bush «technisch» juist was, aangezien ze werd toegeschreven aan de Britse regering. Maar dat roept herinneringen op aan Bill Clinton die beweerde dat hij «technisch» niet had gelogen over Monica Lewinsky — een associatie die Bush tot elke prijs wil vermijden. De regering stelt ook dat de hele zaak door de media wordt opgeblazen; dat het slechts over een detail gaat.

Tegenstanders repliceren dat dit «detail» een symptoom is van een breder bedrog. Zo bleef de regering beweren dat er een band was tussen Irak en al-Qaeda, ook al vond de CIA daar geen bewijzen van. De klacht dat de regering de inlichtingendiensten manipuleert werd vorige week ook in de verf gezet door de commissie die onderzoekt wat de inlichtingendiensten wisten voor 11 september. Volgens die commissie werkt de regering het onderzoek tegen en intimideert ze getuigen.

Volgens de Democratische presidentskandidaat Howard Dean roept dit alles de vraag op die tijdens het Watergate-onderzoek werd gesteld: wat wist de president en wanneer wist hij het? Regeringswoordvoerders stellen dat Bush zich van geen kwaad bewust was toen hij de foute informatie verspreidde. Dat lokt nogal wat sceptische reacties uit, maar met deze president weet je het nooit. Maandag zei hij op een persconferentie: «We gaven Saddam de kans om de wapeninspecteurs toe te laten en hij wilde hen niet binnenlaten.» Alsof hij de hele voorgeschiedenis van de oorlog al was vergeten.