H.J.A. Hofland

Bush en Blair

Een jaar of vier geleden, nog voor het uitbreken van de oorlog, kreeg premier Tony Blair een bijnaam: het poedeltje van Bush. Beter was het geweest hem kortweg de knecht te noemen, in de betekenis die Nietzsche aan die benaming heeft gegeven. De ware knecht doet wat zijn meester wil, nog voor hij het bevel gekregen heeft. Ik twijfelde. Het was toen ook nog mogelijk dat hij, in de traditie van de Britse diplomatie, een slimmere tactiek volgde: dat hij harder dan zijn baas liep, met de bedoeling hem van richting te doen veranderen. Dat was een zware overschatting. Welke binnenlandse verdiensten hij ook op zijn naam mag hebben – de vrede in Noord-Ierland in de eerste plaats – hij blijft regelrecht en voor honderd procent medeverantwoordelijk voor de wereldramp Irak.
Nu maakt hij zijn afscheidsronde. De niet bestaande massavernietigingswapens van Saddam Hoessein zijn vergeten. Over zijn onthulling dat de dictator raketten had die binnen drie kwartier in gereedheid konden worden gebracht, wordt niet meer gepraat. Wat er staat in het destijds fameuze For Your Eyes Only-_document dat hij aan collega Jan Peter Balkenende liet zien, blijft geheim, hoewel we op z’n minst mogen vermoeden dat ook dit onzin was. Onze premier wil er ook niet over praten. Toen de aanval eenmaal was begonnen en niet meer te stoppen, kwam _The Economist, destijds groot voorstander van de oorlog, met een loze woordspeling. Bliar? zette het weekblad boven een hoofdartikel. Dat had de redactie zich eerder moeten afvragen.
Deze afscheidstournee is in de lijn van zijn beleid in Irak een onbeschaamde ontkenning van de werkelijkheid, opnieuw met de medewerking van president Bush. Gelukkig was het op de televisie te zien. De wereldleiders hielden een persconferentie. Een Britse journalist stelde een suggestieve vraag met de strekking dat het politiek verval van Blair vooral het gevolg was van zijn absolute trouw aan Bush. ‘U begrijpt niet hoe effectief uw premier is’, zei de president. ‘Als we met wereldleiders bij elkaar zijn en Blair neemt het woord, dan luisteren ze. Hij wordt bewonderd, zelfs door degenen die het niet voor honderd procent met hem eens zijn. Hij wordt diep bewonderd en daarom is hij effectief.’ Historische woorden. Je kon aan het gezicht van Blair zien dat hij het fijn vond.
Maar op welke planeet werd dit allemaal gezegd? Dat je bij zo’n afscheid een paar formaliteiten voor je rekening neemt, ja, dat hoort er nu eenmaal bij. En dat George Bush in het openbaar zijn beste Britse vriend niet in de steek wil laten, valt ook te verdedigen. Maar als de machtigste man van de wereld zich een voorstelling van zaken veroorlooft die zo regelrecht in strijd met de waarheid is, dan vraag je je af of hij wel goed bij zijn hoofd is.
Het aanstaande vertrek van Blair is de volgende gelegenheid voor een inventarisatie. De ramp van Irak is daarbij niet meer dan een onderdeel van de failliete boedel van het Westen. Nu wordt langzamerhand duidelijk dat binnen een jaar of zes, of zeven als we het aantreden van Bush als het begin beschouwen, dit wereldleiderschap tot radeloosheid heeft geleid. Het Westen als eenheid is door Washington opgeheven. Of het nu gaat om de klimaatbeheersing, het Israëlisch-Palestijnse vraagstuk, Afghanistan, Iran, het Midden-Oosten als geheel, het plaatsen van langeafstandsraketten in Polen en Tsjechië of de ‘war on terror’, overal heeft de unilaterale benadering van Washington de problemen vergroot. Jimmy Carter heeft gelijk: George W. Bush is onder deze omstandigheden de slechtste president.
Nu wordt Blair opgevolgd door Gordon Brown. De bijzondere band tussen Amerika en het Verenigd Koninkrijk blijft potentieel een grondslag voor de weerbaarheid van het Westen. Of, als de hecht bevriende naties door de verkeerde mensen worden geleid, kan die de grondslag zijn voor een lawine van mislukkingen, zoals we hebben ervaren. Van de Amerikaanse president valt niets te verwachten. Het initiatief tot een reconstructie van de westelijke politiek zou van Brown moeten komen, en dan bij voorkeur met een zo groot mogelijke steun uit de Europese Unie. Na de periode van afbraak zal zo’n reconstructie misschien wel een werk van jaren zijn.
Onze bewindslieden in Den Haag hebben steeds bescheiden maar trouw aan de reeks van historische mislukkingen meegewerkt. Zouden ze zich ervan bewust zijn dat de komst van Brown misschien nieuwe mogelijkheden biedt, en zijn ze dan ook bereid daarvan gebruik te maken? Het is straks een goed onderwerp voor een paar kamervragen, vóór het reces begint.