Ronald Reagan 1911-2004

Bush’ politieke vader

New york — Voor conservatieve Amerikanen was Ronald Reagan een god. Dat het National Airport in Washington herdoopt werd tot Reagan Airport is hun niet genoeg. Ze willen zijn beeltenis uithouwen in een bergwand in South-Dakota, naast die van de legendarische presidenten Washington, Jefferson, Lincoln en Roosevelt. Volgens hen versloeg Reagan eigenhandig het communisme, herstelde hij Amerika’s zelfvertrouwen en zette hij de ontspoorde wereldeconomie weer op de rails. Ook diegenen die een minder rooskleurig beeld hebben van Reagans erfenis moeten erkennen dat hij een van de meest invloedrijke politici van de twintigste eeuw was. Voor de huidige bewoner van het Witte Huis is Reagan, meer dan Bush senior, het rolmodel bij uitstek.

Wegens zijn gevorderde leeftijd dachten sommigen dat Reagan een onopvallende overgangspresident zou worden. Niets bleek minder waar. Reagan ontketende een drastische koerswijziging in Washington en trok het politieke centrum naar rechts, waar het sindsdien is gebleven. «Reagan overtuigde zichzelf en anderen ervan dat hij geen echte politicus was», aldus zijn vriend Paul Laxalt. In plaats van te proberen over te komen als een doorgewinterde politicus met veel dossierkennis profileerde Reagan zich als de antipoliticus, de man van het volk die regeringsbureaucraten veracht.

Het succes van dat imago ontging Bush junior niet. Hij maakte Reagans uitspraken, kwinkslagen en zelfs maniërisme tot de zijne. Ook hij liep enigszins te koop met zijn beperkte intellectuele vermogens, zodat «Joe Sixpack» zich makkelijker met hem kon identificeren. Zoals Bush tijdens zijn eerste verkiezings campagne met een ontwapenende glimlach bekende dat hij niet wist wie de Taliban waren, kon Reagan met zijn gebrek aan kennis zijn publiek charmeren toen hij bijvoorbeeld in Brazilië het glas hief «op het volk van Bolivia».

Natuurlijk werd hij net als Bush vaak uitgelachen om zulke flaters. Maar «Reagan werd voortdurend onderschat door zijn tegenstanders en dat was zijn geheime wapen», zegt oud-medewerker Michael Deaver. Bush’ bewonderaars zeggen hetzelfde. Beide presidenten worden door hun aanhangers geportretteerd als visionaire leiders en door critici als marionetten die door onzichtbare handen geleid worden. Net als Bush was Reagan ideologisch gedreven. Hij wist wat hij wilde, maar liet het praktische beleid aan anderen over. Reagan was de acteur-president, die de hardste maatregelen vriendelijk wist te verkopen. Hoe je iets zegt was voor hem belangrijker dan wat je zegt.

Net als Bush junior deed Reagan vaak precies het omgekeerde van wat hij had beloofd. In zijn eerste toespraak als president waarschuwde hij tegen begrotingstekorten «die een zware hypotheek leggen op de toekomst van onze kinderen». De rest van het verhaal is bekend. Onder Reagan verdrievoudigde de nationale schuld en de VS werden van grootste schuld eiser de grootste schuldenaar ter wereld. Hoewel de waarschuwing van Reagan nu meer dan ooit op zijn plaats is, sloeg Bush dezelfde weg in omdat, in de woorden van vice-president Dick Cheney, «Reagan ons geleerd heeft dat begrotingstekorten van geen belang zijn».

Net als Bush geloofde Reagan dat schulden geoorloofd zijn in het kader van militaire expansie en de verlaging van fiscale lasten voor de rijksten. Net als Bush verkondigde hij dat «de overheid niet de oplossing is maar het probleem». En net als Bush beloofde hij de overheid in te krimpen maar deed het omgekeerde. Reagan snoeide drastisch in de sociale sector. Geen naoorlogse president sneed zo diep in werkloosheidsuitkeringen, gezondheidsuitgaven, milieubescherming, huisvesting en armenbijstand. Bush volgt daarin zijn voorbeeld.

De militaire uitgaven groeiden onder Reagan sneller dan ooit tevoren in vredestijd. Sommige historici menen dat die expansie er de oorzaak van was dat het Oostblok ineenklapte, omdat Moskou het tempo van de bewapeningswedloop niet kon bijhouden. Anderen menen dat Reagan zo de ondergang van de Sovjet-Unie gerekt heeft omdat hij de positie van de haviken in Moskou versterkte. Hoe dan ook, ironisch is dat Reagan wel de bewapeningsuitgaven verdubbelde maar zelf geen belangrijke oorlog voerde. De verovering van het zakdoekgrote eilandje Grenada was zowat het enige wapenfeit. Hij verkoos via derden te vechten, volgens de Reagan-doctrine: uitgebreide steun aan anticommunistische rebellen overal ter wereld. Dat beleid kende successen, maar leidde ook tot goed bewapende legers die hun eigen gang gingen nadat hun rol voor de Amerikanen was uitgespeeld. Voorbeelden zijn de Unita in Angola en Bin Laden in Afghanistan. Het was ook Reagan die Saddam Hoessein in het zadel hield toen die de oorlog met Iran dreigde te verliezen.

Reagans obsessieve steun aan anticommunistische guerrillabewegingen werd bijna zijn ondergang. Toen het Congres de regering belette de Contra’s in Nicaragua te financieren, werd die steun illegaal georganiseerd. Dit Iran-Contra-schandaal had wel een positief effect: in zijn laatste jaren voerde Reagan een gematigder beleid en spande hij zich in voor ontwapeningsverdragen. In dat klimaat kon de Koude Oorlog zonder geweld beëindigd worden.

De Bush-campagne probeert nu politieke munt te slaan uit de bejubeling van Reagan. Net zoals diens harde lijn tegen Moskou aanvankelijk veel kritiek kreeg maar uiteindelijk leidde tot succes, luidt de redenering, zal straks blijken dat Bush’ harde lijn tegen Irak correct was. Deze parallel tussen de twee presidenten drijft iets te ver door, aldus de Democraten. Irak was immers geen bedreiging zoals de Sovjet-Unie. Voorts ontketende Reagan geen oorlog en trad hij niet unilateraal op. De president had bovendien geluk. Het sovjetmodel zou het door alle innerlijke contradicties ook zonder zijn toedoen niet overleefd hebben.

Of Reagan vandaag wijzer geregeerd zou hebben dan zijn politieke zoon Bush zullen we nooit weten.