But seriously, folks…

Het is mij nog nooit gelukt om een serieus stuk te schrijven. Dat wil zeggen: een stuk zonder ironie, sarcasme, een satirische of badinerende toon of op zijn minst een paar metaforen die, behalve treffend en waar, ook geestig moesten zijn. Geestigheid, ik weet het, roept meestal de associatie op met gooien van slagroomtaarten en rooie clownsneuzen, maar het is nu eenmaal zo dat de waarheid een bijzonder saai en mager gegeven is. Lees de Tien Geboden er maar op na: waarheden als koeien, maar tegelijk de minst bevredigende literatuur ooit geschreven (behalve voor liefhebbers van bellettrie op militaire beveltoon). Geestigheid, of het nu is een gevatte woordkeus, een verbluffende grofheid of een verrassende stelling, is de eerste voorwaarde voor een goed stuk. Alleen maar de waarheid is als brood zonder beleg, nuttig voedsel maar nooit iets om lekker op te kauwen. De naakte waarheid kan zich niet op eigen kracht verplaatsen. Ze heeft een vervoermiddel nodig.

De meeste Nederlandse columnisten zijn zich hier erg van bewust: lees al die columns er maar op na, je valt bijkans om van de geestigheid. Wat bij alle joligheid uit het oog verloren wordt, is dat de grap vaak sterker is dan de waarheid, omdat een grap nu eenmaal opvalt, door zijn luidruchtigheid, door zijn bonte kleding, door zijn gevatheid. De waarheid zit ondertussen in een hoekje te simmen dat zij niet opgemerkt wordt.
Daar komt nog bij dat het lezend publiek vaak weigert om ironie of sarcasme te herkennen. Een recensent van dit weekblad heeft me eens verteld hoe hij ooit in een recensie hoog opgaf van de stijl van een jonge schrijver, daarbij de complimenten tot zo'n absurde hoogte opvoerend dat het duidelijk was dat hij juist het tegenovergestelde bedoelde. Tot zijn stomme verbazing vond hij een week of wat later zijn semi-complimenten terug in advertenties voor het gewraakte boek, gestript van hun sarcasme: slimme kritiek omgezet in kale loftuitingen.
Ik bedacht dit naar aanleiding van de column van Jaap Boerdam in NRC Handelsblad van vorige week, waarin de schrijver zijn gal spuwt over het geringe culturele besef van de jongere generatie (‘Rusteloos schuiven ze over hun stoel, in afwachting van de pauze als hun mobiele telefoons weer even mogen rinkelen’) en beweert dat van alle meesterwerken die deze eeuw heeft voortgebracht voornamelijk wordt genoten door 'de grijze golf van boven de vijfenvijftig’.
Ik zal het eerlijk bekennen: ik zat me al een week te verheugen op de vlammende reactie die ik zou schrijven, waarin ik Boerdam hardhandig met zijn neus door zijn absurde meningen zou wrijven, om hem daarna jankend de tuin in te jagen. Met veel plezier herlas ik dus vanavond zijn column, alvorens aan mijn eigen stuk te beginnen. Mijn haren gingen overeind staan als bij een kat die verkeerd om geaaid wordt. Ik was stekeblind geweest. Boerdam deed juist precies het tegenovergestelde, hij dreef de spot met wie nog durft te klagen over de popcultuur, door ironisch op ze af te geven ('Als ze niet mogen dansen gaat hun aandacht verloren’). Ook haalde hij onze nieuwe staatssecretaris over de hekel, iemand die net veertig is en nog met één been in Paradiso staat en 'dus niet geschikt is voor de grote thema’s uit de kunst’. Meesterlijk: reactionaire ouwe zak bleek geestig satiricus. Ik nam mijn clownsneus af, stak hem in mijn mond en slikte. Bijna gestikt.