Butler heeft het gedaan

Intussen blijkt Richard Butler, de voorzitter van de ontwapeningscommissie Unscom, zijn achternaam waar te hebben gemaakt. Volgens Amerikaanse dagbladen beschikt secretaris-generaal Kofi Annan van de VN over documenten die bewijzen dat Unscom de Amerikaanse inlichtingendiensten hielp bij het afluisteren van Saddam Hoessein en zijn entourage. De belangrijkste feiten - al eerder gemeld door de ex-wapeninspecteur Scott Ritter - zijn nu ook door Amerikaanse topfunctionarissen bevestigd. Althans: het staat vast dat Amerikaanse inlichtingendiensten gebruik hebben gemaakt van Unscom-inspecteurs om afluisterapparatuur in Irak te plaatsen, niet dat Butler zijn commissie willens en wetens hiervoor heeft geleend.

In 1996 en 1997 werd commerciële afluisterapparatuur onder dekking van Unscom in Irak geïnstalleerd en later ook weer opgehaald om te worden geanalyseerd in de VS, Groot-Brittannië en Israel. Dat laatste is pijnlijk, omdat Unscom tot voor kort alleen toegaf gegevens van de Israeliërs te hebben gekregen. Overigens hebben ook de Russen en Fransen volop van de informatie geprofiteerd. Maar ‘de Russen waren een hopeloos geval; ze werkten voor Saddam’, terwijl 'de Fransen wel onze informatie oppakten, maar zelf op hun reet bleven zitten’ (Ritter). Die gang van zaken illustreert de bijna onmogelijke opdracht van Unscom. Alle inlichtingen die de commissie verzamelde, waren bruikbaar voor regeringen die Saddam te eniger tijd wilden uitroken maar ook voor regeringen die hem in het zadel wilden houden. Het Iraakse veiligheidsapparaat beschermt namelijk tegelijkertijd Saddam en zijn wapenprogramma’s. Voor Unscom was het kiezen of delen: of de wapenprogramma’s buiten schot laten, of inlichtingen verzamelen die ook pro of contra Saddam konden worden gebruikt. Butlers voorganger Ekeus heeft de Veiligheidsraad begin 1997 op dit dilemma gewezen en niettemin toestemming gekregen voor zulke 'speciale missies’. De lidstaten die hierover nu ophef maken, hebben een kort geheugen. En hoe Unscom zonder Amerikaanse hulp zijn werk had moeten doen, vertellen ze er ook niet bij. Na de 'paleizencrisis’ van februari vorig jaar werd de oude aanpak te gevaarlijk. Sindsdien plaatste nog slechts één Amerikaanse inspecteur in Irak zogenaamde 'zwarte dozen’ in opdracht van het National Security Agency. Maar in april werd ook die operatie stopgezet, aldus Ritter, 'omdat de Amerikanen zich de gijzelaar van Unscom voelden. Hun houding jegens Unscom veranderde om de twee maanden. Ze wilden ons gewoon controleren.’ Ook de Britten en Israeliërs bleven vanaf dat moment verstoken van informatie. Achteraf blijkt dat Washington toen al aanstuurde op een gewapende confrontatie met Irak. Dit alles bewijst (nog) niet dat Butler zich heeft geleend voor spionagedoeleinden. Zijn commissie was afhankelijk van de hulp van lidstaten omdat de VN niet over eigen middelen beschikte. De delegaties van de deelnemende landen bestonden altijd voor een deel uit inlichtingenpersoneel. Het gevolg was dat binnen de commissie een stille strijd woedde tussen landen met uiteenlopende belangen. Het is heel goed mogelijk dat Butler gewoon het overzicht is kwijtgeraakt. Wat hem wel valt te verwijten, is dat hij de politieke agenda van Washington heeft gevolgd. Ekeus: 'Onder Butler is Unscom te zeer gepolitiseerd.’ Butler deed verslag aan de Amerikaanse VN-ambassadeur, liet Washington van tevoren zijn rapporten lezen en liet zich door het State Department regisseren, ook toen duidelijk was dat de Amerikanen de confrontatie zochten en van Unscom verlost wilden zijn. Op zijn laatste inspectieronde provoceerde Butler de Iraakse autoriteiten en vertrok met zijn commissie 'zodra hij genoeg punten had verzameld om een bombardement te rechtvaardigen’ (Ritter). Kortom, hij heeft de Veiligheidsraad misleid, zijn eigen commissie verraden en de ontwapeningsinspanningen van de VN voor jaren in diskrediet gebracht. Mochten de inspecties in een nieuwe vorm (Unscom II) worden hervat, dan is zijn rol in elk geval uitgespeeld.