‘Butterfly City’ & ‘Gangway to a Future’

Walter van der Kooi ziet veel meer dan alleen dat waarover hij zijn kronieken schrijft. Vandaag: Butterfly City en Gangway to a Future, de eerstvolgende 2Docs van de EO.

‘Butterfly City’ © 2Doc

De Ikon-erfenis is overeind gebleven in het documentairepakket van de EO. Terwijl elders herhalingen troef zijn krijgen we daar premières over serieuze onderwerpen. En zonder het Hollandocentrisme waarbij buiten droogvallende polders weinig lijkt te bestaan. Aandacht daarom voor hun eerstkomende 2Docs: eentje van een Ierse producent, met overwegend Litouwse cast & crew en met de Deense televisie en EO als coproducent (Butterfly City); de tweede geheel van eigen bodem, al valt dat aan de titel, Gangway to a Future, niet af te lezen. (Een toch al wat krampachtige titel, dus dan kun je er net zo goed Loopplank naar een toekomst van maken: het gaat over een Rotterdams schip met Hollandse bemanning en vrijwilligers die bootvluchtelingen voor de Libische kust oppikken.)

Butterfly City is genoemd naar de stad Visaginas in Litouwen, uit de grond gestampt tegelijk met de destijds krachtigste kerncentrale ter wereld en bestemd voor de overwegend Russische personeelsleden van die Ignalina. Gebouwd in vlindervorm, wat alleen vanuit de lucht is te zien. Al ontbreekt een complete vleugel, omdat het project (eerste steen in 1975) werd afgebroken toen de USSR implodeerde en Litouwen zelfstandig werd. Centrale en stad liggen op het tegenwoordige drielandenpunt Litouwen, Letland, Wit-Rusland (eerlijk zullen we alles delen, ook de grote risico’s).

Op Wikipedia leer ik dat de naam Visaginas pas toen is gegeven, naar een van de dorpen die voor centrale en stad moesten verdwijnen: daarvoor heette ze Sniečkus, naar de vooroorlogse leider van de Litouwse communistische partij. En daar zat uiteraard de Litouwse pijn: een in Moskou bedachte en door Russische ingenieurs bemenste en beheerde erfenis, in een overwegend Russische nieuwbouwstad (minder lelijk trouwens dan veel sovjetbouw). Kwam bij dat de centrale van hetzelfde type als Tsjernobyl is en dat de EU Litouwen alleen wilde toelaten bij afbraak.

Dit is dus het decor van de documentaire: een in 2009 gesloten centrale, waarvan de risicovolle ontmanteling tot 2038 (!) zal duren en voornamelijk in handen is van experts wier wieg overal in Rusland gestaan kan hebben en wier kinderen jong naar Visaginas zijn gekomen of er geboren zijn. Russen die vinden dat ze gedwongen de kip met de gouden eieren moeten slachten. Russen die geacht worden het Litouws te beheersen maar daar het nut vaak niet van inzien: ze zijn in de meerderheid en iedereen verstaat hen toch? Russische kinderen leren tegenwoordig de taal uiteraard op school en dat zal redelijk vlot gaan; de film maakt niet duidelijk of Litouwse kinderen nog Russisch leren – waarschijnlijk wel, maar voor hun ouders en grootouders was dat verplichte kost.

De verhouding tussen gebleven Russen en de oorspronkelijke bevolking van de meeste zelfstandig geworden republieken is behoorlijk problematisch, zeker ook in de Baltische landen. Het wantrouwen tegen de beer is groot en de oorlog in Oost-Oekraïne en de bezetting van de Krim hebben dat aangewakkerd. Er zijn meerdere hoofdpersonen, maar een Russisch echtpaar waarvan zowel vrouw als man ‘docent Russische cultuur’ is, is het meest markant. Destijds waren ze vol enthousiasme, als een soort missionarissen, naar Noordwest-Sovjet-Unie, de provincie Litouwen gekomen. Het zal ze nog Russischer gemaakt hebben dan ze al waren, zoals bij ons katholieke enclaves in protestantse streken roomser dan rooms waren. Maar alleen al ‘docent folklore’ verraadt natuurlijk nationalistische trots en intense roeping. Ze zijn fanatiek in hun klederdracht, met hun balalaika, meerstemmige (vaak prachtige) zang (Böse Menschen haben immers keine Lieder) en reidans, maar bij begin van de film zijn ze ook overtuigde ‘blijvers’: hier werden de kinderen geboren, hier zijn die aan het wortelen en hier ligt hun toekomst.

Toch, de politieke werkelijkheid leidt tot een verrassende, licht tragische wending: de man, die de lof van Visaginas en van zijn Russische cultuur in één adem en het luidst zong, wil naar Rusland terug. ‘De botten van zijn voorouders roepen’, zegt zijn even fanatieke vrouw die eerder zei dat voor haar de komst naar Litouwen destijds geen punt was, want je gaat waar je man gaat. Die botten zijn kennelijk harder gaan roepen door Krim en Oekraïne. Ze beklaagt zich fel over het feit dat het Westen (lees ook de Litouwers) niets van Russen begrijpt en wil begrijpen. De propagandaoorlog tegen Rusland, dat van alles ten onrechte de schuld krijgt, is ondragelijk aan het worden. En ze stelt, ongetwijfeld terecht, dat iedereen in zijn eigen informatiebubbel leeft: de Russen in Visaginas kijken louter naar Russische tv-zenders, de Litouwers naar Litouwse. Dat eerste lijkt voor haar geen probleem, het tweede wel: je zou je als Litouwer eens objectief moeten laten voorlichten door Moskou.

Er zijn ook minder uitgesproken Russen, wat een eigenlijk nog tragischer positie oplevert. Verontwaardigd stelt een Rus vast dat hij Litouws staatsburger is, dat hij dat ook wil zijn en dat hij belasting betaalt voor het pensioen van Litouwse oma’s. Maar de Litouwers behandelen hem als tegenstander, zo niet vijand. Het doet denken aan het pijnlijke identiteits- en integratiedebat in West-Europa, bijvoorbeeld rond Özil in Duitsland. De film is het portret van een nagenoeg dode stad, bezig haar bestaansrecht ongedaan te maken. Een portret van een extreem moeilijke vorm van co-existentie, waar Stef Blok zijn voordeel wel mee zou weten te doen.

‘Gangway to a Future’ © 2Doc

Gangway to a Future is meer uitgebreide reportage dan doorwrochte documentaire, maar de onderneming die wordt gefilmd is bijzonder genoeg. Gestart wordt in Rotterdam met het vaarklaar maken van de voormalige visserstrawler Golfo Azzurro, varend onder Panamese vlag, en het inrichten daarvan als ‘eerstehulppost’ voor mensen die op gammele vaartuigen vanuit Libië Italië, beter gezegd, Europa proberen te bereiken. En daar blijkt verdomd veel voor nodig. Het lijkt een tamelijk particulier initiatief van stoere eigenaar Adriaan, bijgestaan door een aantal vrijwilligers die je verder niet of nauwelijks leert kennen (een van hen, kok aan boord, is de regisseur – zo vind ik ergens op een site).

In de loop van de film volgt wel wat exposé als mensen zich aan elkaar voorstellen en hun functies noemen en blijkt een stichting de koepel waaronder het gebeuren valt. Het begin heeft iets van een aflevering van Ik vertrek: grote dromen (al verschilt mensen redden ver van huis natuurlijk sterk van een bed and breakfast runnen ver van huis), behoorlijk amateurisme en vanaf de start onvoorziene tegenvallers. Waar begin je aan, dringt zich als vraag op, maar tegelijk ontbreekt elk gevoel van hoon of leedvermaak dat zich bij al te eigenwijze ‘ik-vertrekkers’ wel wil voordoen (tenzij je tot Geen Stijl of andere reaguurders behoort uiteraard want die bestempelen de onderneming tot eentje ‘van de huil-ngo’s’).

Eerder doet het geheel, hoe schijnbaar onprofessioneel ook, een appèl op je slechte geweten. Doneren aan UAF en Vluchtelingenwerk is nog wel wat anders dan onbetaald zo een fysiek en psychisch zware expeditie ondernemen. Maar dat er uit de motor bij het proefdraaien al rook kwam en dat niemand bedacht dat die dus voor vertrek gerepareerd moest worden, dat heeft iets knulligs.

Het lachen vergaat je helemaal als tijdens overleg onder veel meer blijkt dat er nog wel een vriesruimte voor doden en voldoende lijkenzakken moeten komen. Maar juist het vele waar allemaal wél aan gedacht is, dat stemt nederig. Buitengewoon curieus is de scène waarin iemand Adriaan komt melden dat er een man op de wal staat die vraagt of er nog bemanning nodig is, ‘een kapitein of zo’. En laat die oude heer, gepensioneerd stuurman op de grote vaart, nou inderdaad aangenomen worden. Hij lijkt bepaald niet het prototype van de Gutmensch en uit een interview met hem in het AD blijkt dat hij vooral stilzitten haat en oorspronkelijk dacht naar booreilanden te gaan varen met de Golfo. Hoe zich dat verhoudt tot de filmscène? Maar de bestemming werd dus Malta en van daaruit de Libische kust om mensen op te pikken die meestal in levensgevaarlijke situaties verkeren. Oké, dat vond hij ook goed (als hij maar niet thuis hoefde te zitten).

Wel blijkt uit dat interview dat hij tot Gutmensch is geslagen door wat hij zag en meemaakte. Vooral die kindertjes die nergens om gevraagd hebben, deden het hem. Hij heeft sindsdien meerdere diensten, op en af, gedraaid. Dat hij aan het eind van de documentaire, na die eerste expeditie, vooral moppert omdat hij te weinig en beroerd eten heeft gekregen, en dat Adriaan volgens hem meer in de film over de expeditie dan in goede verzorging van vrijwilligers geïnteresseerd is, dat is dus eigenlijk enigszins misleidend. Al is het sterk van de betrokken makers (expeditieleden) dat die scène niet gesneuveld is.

Hoe het de Golfo, de vrijwilligers en de hele onderneming sindsdien is vergaan, we komen het niet te weten. De situatie is sinds vorig jaar ingrijpend veranderd, al was het maar door het beleid van de Italiaanse regering met Lega Nord. Maar de lange filmsequenties waarin boten worden gevonden, honderden mensen aan boord worden genomen, daar verzorgd worden en uiteindelijk aan land worden gebracht (hemelwaarts ‘Italia’ roepend) – ze zijn indrukwekkend en deprimerend, zeker als de lijkenzakken nodig blijken. Deprimerend ook de Noord-Afrikaanse hyena’s in kleine bootjes, soms zelf smokkelaars, die alleen maar azen op de motoren van de gammele, veel te volle bootjes. De menselijke lading lijkt hen worst te wezen.

En wat te denken van de blijdschap van de ontelbaren die aan land komen via ‘de loopplank naar een toekomst’? De meesten van hen lijken bar weinig kans te maken op een redelijke, laat staan stralende toekomst in Europa. Moet je ze dan laten verzuipen, zullen de mensen van de Golfo vragen. Nee, stamel ik.


Olga Černovaite, Butterfly City, EO/IKON 2Doc, woensdag 25 juli, NPO 2, 22.40 uur.

René Hazekamp, Gangway to a Future, EO/IKON 2Doc, woensdag 1 augustus, NPO 2, 22.40 uur.